Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3656

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201010535/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Middelwaard West en Buitengebied Lienden 1974 gedeeltelijke herziening BL" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010535/2/R2.

Datum uitspraak: 4 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de stichting Stichting Werkgroep Milieubeheer Rhenen, gevestigd te Rhenen, (hierna: WMR)

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Buren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Middelwaard West en Buitengebied Lienden 1974 gedeeltelijke herziening BL" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer WMR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2010, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft WMR de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 januari 2011, waar WMR, vertegenwoordigd door drs. J.J. Scholten en A. Derks, en de raad, vertegenwoordigd door H. de Voogd, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid K3 Industriezand B.V., vertegenwoordigd door mr. A.P.J. Blokland, advocaat te Ede, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet, voor zover hier van belang, in de mogelijkheid tot vestiging van een nieuw op- en overslagbedrijf voor zand, grind en klei aan de zuidelijke oever van de Neder-Rijn in de buurt van Rhenen en in de mogelijkheid tot het afgraven van een deel van de gronden die grenzen aan de bestaande voormalige zandwinplas.

2.3. Het verzoek van WMR is gericht op schorsing van de plandelen die deze nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. Ter zitting is namens K3 Industriezand B.V. toegezegd dat geen omgevingsvergunning zal worden aangevraagd voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van het nieuwe op- en overslagbedrijf noch zal worden overgegaan tot verwezenlijking van een rivierkade en keerwanden, voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. Tevens is namens K3 Industriezand B.V. toegezegd dat het eigendomsrecht van het perceel waarop het nieuwe op- en overslagbedrijf wordt gevestigd niet zal worden vervreemd voordat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.

Ten aanzien van de voorgenomen afgraving en verdieping van een deel van de voormalige zandwinplas, waarvoor in 2008 een thans onherroepelijke vergunning ingevolge de Ontgrondingenwet is verleend, overweegt de voorzitter dat namens K3 Industriezand B.V. is meegedeeld dat het civieltechnisch mogelijk is om bij eventuele vernietiging van het bestreden besluit de situatie in de oorspronkelijke toestand te herstellen door de reeds afgegraven grond terug te storten.

2.4. Gelet op het hiervoor overwogene ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat zich in afwachting van de behandeling van het beroep door de Afdeling onomkeerbare gevolgen zullen voordoen. Derhalve is niet gebleken van een spoedeisend belang dat rechtvaardigt dat in afwachting van de behandeling van het beroep in zoverre een voorlopige voorziening wordt getroffen, zodat het verzoek wordt afgewezen. In het geval dat volgens WMR alsnog sprake is van een situatie waarin zich onomkeerbare gevolgen kunnen voordoen voordat de Afdeling uitspraak zal hebben gedaan in de bodemprocedure, staat het WMR vrij zich opnieuw tot de voorzitter te wenden met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kuggeleijn-Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2011

317-571.