Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3645

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201009226/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2010 heeft het college het wijzigingsplan voor de gronden Jisperdijk hoek Jisperpad te Wijdewormer (sectie H 717) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009226/2/R1.

Datum uitspraak: 31 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Wormerland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2010 heeft het college het wijzigingsplan voor de gronden Jisperdijk hoek Jisperpad te Wijdewormer (sectie H 717) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 januari 2011, waar [verzoeker], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door E. Bressers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord, de [belanghebbenden], vertegenwoordigd door S. Broers.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge het wijzigingsplan is aan de gronden op de hoek van de Jisperdijk en het Jisperpad, kadastraal bekend als sectie H 717, met de bestemming "Agrarisch gebied met natuurlijke en landschappelijke waarden" de aanduiding "bouwperceel" toegekend met een bouwvlak. Op deze gronden is een grondgebonden agrarische veehouderij toegestaan. Alleen binnen het bouwvlak zijn gebouwen ten behoeve van een agrarische veehouderij en een bedrijfswoning toegestaan. [verzoeker] kan zich niet verenigen met het plan en beoogt met zijn verzoek onomkeerbare gevolgen tegen te gaan. Ter zitting is gebleken dat de maatschap op korte termijn met de bouw wil beginnen. Derhalve acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig.

2.3. [verzoeker] vreest dat het wijzigingsplan leidt tot aantasting van zijn woon- en leefklimaat vanwege geur- en geluidhinder en verlies van uitzicht.

2.4. [verzoeker] woont tegenover het plangebied. Tussen het plangebied en zijn woning liggen een weg en een watergang. Het bouwperceel met bouwvlak ligt in de lengterichting langs het Jisperpad en schuin tegenover de woning. Aan de gronden recht tegenover de woning is geen bouwperceel of bouwvlak toegekend. Ter zitting heeft hij toegelicht op een afstand van ongeveer 80 à 90 m van het bouwperceel te wonen.

Gelet op de omstandigheid dat het betrokken perceel thans onbebouwd is, kan niet worden uitgesloten dat vanwege de bouw van de melkveehouderij enig verlies van uitzicht zal optreden. De voorzitter ziet op voorhand evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door het wijzigingsplan mogelijk gemaakte aantasting van het woon- en leefklimaat in de vorm van vermindering van uitzicht van [verzoeker] beperkt is.

Met betrekking tot de vrees van [verzoeker] voor geluidhinder overweegt de voorzitter dat gelet op de thans onbebouwde staat van het plangebied een toename van geluid te verwachten is, maar dat dit niet reeds inhoudt dat dit onaanvaardbaar is.

Met betrekking tot de gevreesde geuroverlast heeft het college ter zitting toegelicht dat op grond van artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij de afstand tussen de veehouderij en de woning van [verzoeker] ten minste 50 m dient te zijn. Nu deze afstand in acht is genomen ziet de voorzitter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door het wijzigingsplan geen onaanvaardbare geurhinder ter plaatse van de woning van [verzoeker] zal ontstaan.

2.5. Volgens [verzoeker] leidt het wijzigingsplan tot aantasting van het Natura 2000-gebied Wormer- en Jisperveld. Daartoe voert hij aan dat het college niet mocht uitgaan van de passende beoordeling die in het kader van de aanvraag van de Natuurbeschermingswetvergunning is gemaakt, maar dat het een eigen afweging moest maken. De passende beoordeling bevat volgens [verzoeker] onjuistheden, zodat ook om die reden het college zich niet daarop mocht baseren. Voorts betoogt [verzoeker] dat het college op basis van de passende beoordeling niet heeft kunnen besluiten dat aan de wijzigingsvoorwaarde is voldaan, nu elke vestiging leidt tot aantasting van het gebied Wormer- en Jisperveld.

2.6. Ingevolge artikel 19j, vijfde lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) geldt de verplichting tot het maken van een passende beoordeling bij de voorbereiding van een plan niet in gevallen waarin het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, voor zover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van dat plan. In het kader van de aanvraag van een vergunning in de zin van artikel 19d van de Nbw 1998 voor de melkveehouderij is door Nico Vens reeds een passende beoordeling gemaakt, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Natuurtoets, beoordeling effecten van de bouw van een woning, ligboxenstal en opslagruimte op flora en fauna en t.a.v. Natuurwetgeving" van 5 december 2008 en laatste revisie van 16 juli 2009 (hierna: de passende beoordeling). Nu de passende beoordeling recentelijk is gemaakt, ziet op het project waarvoor ook het onderhavige wijzigingsplan is vastgesteld en niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van nieuwe gegevens of inzichten, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college om deze reden niet heeft mogen uitgaan van de passende beoordeling.

Wat betreft het betoog van [verzoeker] dat de passende beoordeling onjuistheden bevat, overweegt de voorzitter dat voorshands niet aannemelijk is gemaakt dat de door [verzoeker] gestelde gebreken van dusdanige aard zijn dat het college zijn besluit niet op de passende beoordeling heeft mogen baseren.

Ingevolge artikel 4, lid 4.7, aanhef en onder c, aanhef en onder 8, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Wormerland", dat op 4 april 2007 is vastgesteld en op 4 oktober 2007 is goedgekeurd, kan het college van burgemeester en wethouders het bestemmingsplan wat betreft de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met natuurlijke en landschappelijke waarden" wijzigen in die zin dat op de kaart een nieuw bouwperceel met een bouwvlak wordt aangegeven, mits onder meer voor zover van toepassing geen aantasting plaatsvindt van het gebied Wormer- en Jisperveld. In de passende beoordeling is geconcludeerd dat er geen significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen te verwachten is. De voorzitter is van oordeel dat het college op grond hiervan heeft kunnen vaststellen dat het wijzigingsplan niet leidt tot aantasting van het gebied Wormer- en Jisperveld als bedoeld in dit artikelonderdeel. De uitleg zoals door [verzoeker] wordt voorgestaan, volgt de voorzitter niet: deze uitleg leidt ertoe dat de wijzigingsbevoegdheid wat betreft het gebied Wormer- en Jisperveld betekenisloos zou zijn. Gelet hierop ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het college het wijzigingsplan niet heeft mogen vaststellen omdat niet aan de voorwaarde is voldaan dat geen aantasting van het gebied Wormer- en Jisperveld mag plaatsvinden.

2.7. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2011

270-655.