Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
201012189/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat het haar ambtshalve bekend is dat er nog steeds diplomatieke stappen worden ondernomen om de hervatting van de laissez passerverstrekkingen te continueren, waarna zij heeft opgesomd dat op 16 juli 2010 een bijeenkomst op hoog ambtelijk niveau heeft plaatsgevonden met de Chinese ambassade, op 1 september 2010 overleg is gevoerd tussen de minister en de Chinese ambassadeur, op 28 oktober 2010 een ontmoeting op hoog ambtelijk niveau heeft plaatsgevonden met de autoriteiten in China en op 11 november 2010 bij de Dienst Terugkeer en Vertrek een gesprek op ambtelijk niveau heeft plaatsgevonden met de Chinese ambassadeur. Deze informatie vormt een wezenlijk onderdeel van het geheel aan informatie op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat geen grond bestaat voor de conclusie dat het zicht op uitzetting naar China op dit moment ontbreekt.

De rechtbank heeft, door aldus te overwegen, haar oordeel over het zicht op uitzetting mede gebaseerd op informatie die geen deel uitmaakt van het dossier en in het beroep bij de rechtbank in deze procedure niet aan de orde is geweest. De rechtbank mocht deze informatie niet aan haar uitspraak ten grondslag leggen zonder de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten.

Onder deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat de uitspraak is gedaan in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is geweest. Op grond daarvan ziet de Afdeling aanleiding van het hoger beroep kennis te nemen, hoewel de Vw 2000 daartoe geen grondslag biedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012189/1/V3.

Datum uitspraak: 31 januari 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 9 december 2010 in zaak nr. 10/40798 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het tegen het voortduren van de bewaring door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 december 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, staat in afwijking van artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van State geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit of handeling op grond van hoofdstuk 5 van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 95, eerste lid, staat, in afwijking van artikel 84, aanhef en onder a, tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, derde lid, hoger beroep open bij de Afdeling.

2.2. Het door de vreemdeling ingestelde beroep is een beroep in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, gericht tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het in hoofdstuk 5 opgenomen artikel 59. De uitspraak van de rechtbank van 9 december 2010 is gedaan op dit beroep en is derhalve een uitspraak, als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000. Hiertegen staat, anders dan bij een uitspraak als vermeld in artikel 95, eerste lid, van deze wet geen hoger beroep open bij de Afdeling.

2.3. De vreemdeling betoogt onder meer dat de Afdeling niettemin van het hoger beroep kennis kan nemen, omdat de rechtbank haar oordeel over het zicht op uitzetting naar China mede heeft gebaseerd op informatie die haar ambtshalve bekend is, zonder hem in de gelegenheid te stellen zich over deze informatie uit te laten. Derhalve heeft de rechtbank uitspraak gedaan in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, aldus de vreemdeling.

2.3.1. Voor kennisneming van een appel in weerwil van het bepaalde bij artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan grond bestaan, indien sprake is van een ernstige schending van de eisen van een goede procesorde, dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is

2.3.2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat het haar ambtshalve bekend is dat er nog steeds diplomatieke stappen worden ondernomen om de hervatting van de laissez passerverstrekkingen te continueren, waarna zij heeft opgesomd dat op 16 juli 2010 een bijeenkomst op hoog ambtelijk niveau heeft plaatsgevonden met de Chinese ambassade, op 1 september 2010 overleg is gevoerd tussen de minister en de Chinese ambassadeur, op 28 oktober 2010 een ontmoeting op hoog ambtelijk niveau heeft plaatsgevonden met de autoriteiten in China en op 11 november 2010 bij de Dienst Terugkeer en Vertrek een gesprek op ambtelijk niveau heeft plaatsgevonden met de Chinese ambassadeur. Deze informatie vormt een wezenlijk onderdeel van het geheel aan informatie op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat geen grond bestaat voor de conclusie dat het zicht op uitzetting naar China op dit moment ontbreekt.

2.3.3. De rechtbank heeft, door aldus te overwegen, haar oordeel over het zicht op uitzetting mede gebaseerd op informatie die geen deel uitmaakt van het dossier en in het beroep bij de rechtbank in deze procedure niet aan de orde is geweest. De rechtbank mocht deze informatie niet aan haar uitspraak ten grondslag leggen zonder de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten.

Onder deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat de uitspraak is gedaan in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is geweest. Op grond daarvan ziet de Afdeling aanleiding van het hoger beroep kennis te nemen, hoewel de Vw 2000 daartoe geen grondslag biedt.

2.4. Uit het vorenoverwogene vloeit tevens voort dat het hoger beroep kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.5. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 9 december 2010 in zaak nr. 10/40798;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Gemert

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2011

562.

Verzonden: 31 januari 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser