Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
200906882/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij beslissing van 15 december 2008 heeft de raad zijn beslissingen van 13 juli 2005, nr. 2005/5/3, en 13 mei 2008, nr. 2008/4/5, ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/218
BA 2011/48

Uitspraak

200906882/1/R3.

Datum uitspraak: 2 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de coöperatieve vereniging Coöperatieve Vereniging van eigenaars Domein Hellebeuk U.A. en anderen (hierna: Hellebeuk en anderen), gevestigd te Klimmen, gemeente Voerendaal,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Voerendaal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij beslissing van 15 december 2008 heeft de raad zijn beslissingen van 13 juli 2005, nr. 2005/5/3, en 13 mei 2008, nr. 2008/4/5, ingetrokken.

Bij besluit van 13 juli 2009 heeft de raad het door Hellebeuk en anderen daartegen gemaakte bezwaar primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben Hellebeuk en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2009, beroep ingesteld. Zij hebben hun beroep aangevuld bij brief van 6 oktober 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Hellebeuk en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2010, waar Hellebeuk en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat te Roermond, en [lid] van het bestuur van de Coöperatieve Vereniging van eigenaars Domein Hellebeuk, en de raad, vertegenwoordigd door C.J.N. Versteden, juridisch adviseur van de gemeente, J.I.F. Kooijman, gemeentesecretaris, en M.J.J. Mevis, eveneens werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1.1. Ter zitting is het beroep, voor zover ingesteld door [7 appellanten], ingetrokken.

2.1.2. Op 13 juli 2005 heeft de raad de aanvragen van Hellebeuk en anderen van 27 juni 2004, 20 november 2004 en 21 januari 2005 om wijziging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zodanig dat zowel permanente bewoning als ook recreatieve bewoning wordt toegestaan in Domein Hellebeuk, toegewezen. De raad heeft daarbij het college van burgemeester en wethouders opgedragen om in overleg te treden met Hellebeuk en anderen, teneinde tevens duurzame regelingen te treffen over de resterende publiek- en privaatrechtelijke aangelegenheden.

Op 13 mei 2008 heeft de raad onder meer een civieltechnisch maatregelenpakket met het bijbehorende kwaliteitshandboek voor Domein Hellebeuk vastgesteld.

Op 15 december 2008 heeft de raad, voor zover hier van belang, de genoemde beslissingen ingetrokken. Daarbij heeft hij overwogen af te zien van het eerder geuite voornemen om te komen tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan voor Domein Hellebeuk, gericht op permanente bewoning.

2.1.3. Bij de uitspraak van 1 juli 2009, in zaak nr. 200903332/1/R3 (www.raadvanstate.nl), heeft de voorzitter overwogen dat de beslissing van 15 december 2008 moet worden aangemerkt als een besluit, houdende afwijzing van de aanvragen van Hellebeuk en anderen van 27 juni 2004, 20 november 2004 en 21 januari 2005 om het bestemmingsplan voor Domein Hellebeuk te herzien en dat in zoverre derhalve sprake is van een besluit tot weigering een bestemmingsplan vast te stellen.

2.1.4. De voorzitter heeft voorts geoordeeld dat er, gelet op artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), van moet worden uitgegaan dat beroep kan worden ingesteld tegen een besluit tot weigering een bestemmingsplan vast te stellen en dat, bij gebrek aan overgangsrecht voor de situatie als hier aan de orde waarin een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen is ingediend vóór inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 en na die datum afwijzend op die aanvraag is beslist, bepalend is op welk tijdstip dat besluit bekend is gemaakt. Aangezien het besluit in kwestie dateert van 15 december 2008 en op 23 december 2008 aan Hellebeuk en anderen bekend is gemaakt, dient er van te worden uitgegaan dat daarop de Wro van toepassing is en dat de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit op het door Hellebeuk en anderen ingediende bezwaarschrift, aldus de voorzitter.

2.1.5. Naar het oordeel van de Afdeling werpt hetgeen de raad in de stukken en ter zitting heeft gesteld geen ander licht op het voorgaande. Evenals de voorzitter is de Afdeling van oordeel dat de beslissing van 15 december 2008 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij bevoegd is om van het beroep tegen de beslissing op het bezwaarschrift van 13 juli 2009 kennis te nemen.

Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de raad het bezwaar van Hellebeuk en anderen tegen het besluit van 15 december 2008 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

2.1.6. Wat de inhoud van het geschil betreft wordt als volgt overwogen.

Zoals hiervoor is weergegeven heeft de raad het college op 13 juli 2005 opgedragen om met Hellebeuk en de eigenaren van de woningen in het park in overleg te treden om tot een duurzame regeling te komen over de resterende publiek- en privaatrechtelijke aangelegenheden ten behoeve van de wijziging van het gebruik van de recreatiewoningen in permanente bewoning.

Van belang daarbij is dat met het oog op het mogelijk maken van permanente bewoning op het park ter zake infrastructurele en andere voorzieningen dienden te worden getroffen. Uitgangspunt daarbij was dat onder meer de daaraan verbonden kosten niet ten laste van de gemeente zouden komen. Het een en ander zou een regeling vinden in een met de gemeente te sluiten exploitatieovereenkomst. Zolang een dergelijke overeenkomst niet tot stand was gekomen, was de gevraagde bestemmingsplanwijziging niet uitvoerbaar. Zoals ook uit het verhandelde ter zitting blijkt, is tussen partijen in confesso, dat een voorwaarde voor het verder uitvoering geven aan de bij de beslissing van 13 juli 2005 toegezegde wijziging van het bestemmingsplan was dat een dergelijke overeenkomst tot stand zou worden gebracht.

De Afdeling constateert dat tussen partijen veelvuldig overleg ter zake heeft plaatsgehad, maar dat bedoelde voorwaarde - naar evenmin in geding is tussen partijen - tot op heden niet is vervuld.

De vraag of het een partij is aan te rekenen dat bedoelde voorwaarde niet is vervuld, wat de eventueel daaraan verbonden consequenties zijn en op welke wijze deze voorwaarde eventueel alsnog zou kunnen worden vervuld, kan in deze bestuursrechtelijke procedure niet aan de orde komen. Vast staat evenwel dat, zolang de voorwaarde niet vervuld is, de raad niet gehouden is zijn geuite voornemen om het bestemmingsplan te wijzigen verder uit te voeren.

2.1.7. Aan de in 2.1.6 getrokken conclusie doet niet af, dat Hellebeuk en anderen ter zitting hebben gesteld dat de eigenaren van de woningen reeds ongeveer 95% van de noodzakelijke voorzieningen voor permanente bewoning van de recreatiewoningen in het park onverplicht en op eigen kosten hebben aangelegd en dat in zoverre bij wijziging van het planologische regime voor terugvordering van de kosten die gemoeid zijn met aanpassing van het park voor permanente bewoning van de daarin gelegen woningen niet behoeft te worden gevreesd. Dat betoog komt de Afdeling weliswaar niet op voorhand onjuist voor, maar brengt niet met zich, dat de in 2.1.6 bedoelde voorwaarde ten tijde van het bestreden besluit van 15 december 2008 was vervuld.

2.1.8. Gelet op het vorenstaande en op het feit dat de raad in een subsidiaire overweging een inhoudelijk oordeel met dezelfde strekking als vervat in 2.1.6 heeft gegeven, waarbij wordt geconcludeerd, dat als de bezwaren wel ontvankelijk zijn, deze ongegrond zouden moeten worden verklaard, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf voorziend het door Hellebeuk en anderen tegen het besluit van 15 december 2008 gemaakte bezwaar alsnog ongegrond te verklaren.

2.1.9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Voerendaal van 13 juli 2009;

III. verklaart het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2008 ongegrond;

IV. veroordeelt de gemeente Voerendaal tot vergoeding van bij de Coöperatieve Vereniging van eigenaars Domein Hellebeuk U.A. en anderen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Voerendaal aan de Coöperatieve Vereniging van eigenaars Domein Hellebeuk U.A. en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de gemeente Voerendaal aan de Coöperatieve Vereniging van eigenaars Domein Hellebeuk U.A. en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg, en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011

240.