Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2837

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
201006783/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2009 heeft de minister [appellant] een boete opgelegd van € 4.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006783/1/V6.

Datum uitspraak: 2 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 juni 2009 (lees: 10 juni 2010) in zaak nr. 10/896 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2009 heeft de minister [appellant] een boete opgelegd van € 4.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 13 januari 2010, heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2010, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.R. Mol, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 256) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als overtreding aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de bestuurlijke boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder a, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor overtredingen worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2008 (hierna: de beleidsregels), worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000 gesteld per persoon per beboetbaar feit.

2.2. Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtsbelofte, onderscheidenlijk ambtseed opgemaakte boeterapport van 6 juli 2009 (hierna: het boeterapport) houdt in dat op 22 maart 2009 in het restaurant van [appellant] door een vreemdeling, te weten [vreemdeling] van Egyptische nationaliteit, arbeid is verricht, zonder dat daarvoor een tewerkstellingsvergunning was verleend. In het boeterapport wordt vermeld dat inspecteurs van de Arbeidsinspectie zich op die dag om 5.40 uur bij het restaurant bevonden en aan de andere kant van een gesloten buitendeur waarachter zich de keuken bevond, geluiden hoorden die zij herkenden als die van het afwassen van serviesgoed. Nadat een medewerker van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland op de deur klopte, hoorden de inspecteurs voetstappen. Vervolgens zag de medewerker van de regiopolitie dat een deur achterin de ruimte openging en zag een van de inspecteurs dat deze werd gesloten. Nadat [appellant] hun toegang tot het restaurant had verschaft, zagen de inspecteurs in de keuken een gootsteen gevuld met vuil water, borden en bestek, alsmede een afdruiprek met vuile borden en bestek. Tevens zagen zij een mopkar met warm water en een emmer met een spons, een afwasborstel en warm water. Voorts zagen zij een grote hoeveelheid gesneden vlees op een werkbank liggen en een grote schaal etenswaar bedekt met gesmolten kaas. Verder zagen zij een afwasmachine waarin keukenspullen waren gereinigd. Vervolgens hebben zij op het dak van het aangrenzende pand de vreemdeling aangetroffen.

Volgens het bij het boeterapport als bijlage 4 gevoegde inlichtingen- en verhoorformulier heeft de vreemdeling verklaard dat iemand die hij slechts kende als [naam] hem heeft binnengelaten. [naam] heeft het restaurant vervolgens verlaten en heeft de vreemdeling alleen achtergelaten. De vreemdeling heeft erkend in de keuken van het restaurant aanwezig te zijn geweest, maar heeft ontkend in de keuken te hebben gewerkt. Toen de medewerker van de regiopolitie aanklopte, is hij door een luik in het plafond gevlucht naar het dak van het restaurant en vervolgens naar het dak van het aangrenzende pand, waar de inspecteurs hem hebben gevonden.

2.3. [appellant] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de in het boeterapport vervatte verklaringen onjuist zijn en dat de vreemdeling uiteenlopende verklaringen heeft afgelegd. Tevens voert hij aan dat de rechtbank niet in haar beoordeling heeft betrokken dat hij de vreemdeling niet kende en dat de vreemdeling hem niet kende. Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij slachtoffer van een inbraak is en ten onrechte is beboet.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 augustus 2005 in zaak nr. 200409705/1), mag in beginsel van de juistheid van een ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die tot afwijking van dit uitgangspunt nopen.

Blijkens het boeterapport en het daarbij als bijlage 4 gevoegde inlichtingen- en verhoorformulier is de vreemdeling op 23 maart 2009 door de inspecteurs door tussenkomst van een tolk in de Arabische taal als getuige gehoord. De vreemdeling heeft verklaard als enige in de keuken van het restaurant van [appellant] aanwezig te zijn geweest op het moment dat de inspecteurs daar voor de buitendeur stonden. Tevens heeft de vreemdeling verklaard te zijn weggelopen nadat werd aangeklopt. Uit het boeterapport blijkt voorts dat de door de vreemdeling afgelegde verklaring, nadat deze op schrift was gesteld, door tussenkomst van een tolk aan hem is voorgelezen. Hij heeft in zijn verklaring volhard en heeft deze ondertekend. De verklaring van de vreemdeling komt in zoverre overeen met de bevindingen van de inspecteurs dat zij hoorden dat iemand in de keuken aanwezig was, dat zij op dat moment geluiden hoorden, die horen bij het afwassen van serviesgoed en dat zij, nadat was aangeklopt, iemand hoorden weglopen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat niet van de juistheid van dit gedeelte van de verklaring van de vreemdeling mocht worden uitgegaan. Voor zover de vreemdeling heeft verklaard niet te hebben gewerkt is dat, gelet op hetgeen de inspecteurs hebben waargenomen, niet aannemelijk. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat het boeterapport aan de boeteoplegging ten grondslag mocht worden gelegd.

De minister heeft zich gelet op het vorenstaande terecht op het standpunt gesteld dat door de vreemdeling werkzaamheden zijn verricht in het restaurant van [appellant] en dat deze werkzaamheden aan [appellant] ten goede zijn gekomen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat [appellant] als werkgever in de zin van de Wav van de vreemdeling moet worden aangemerkt.

Dat de vreemdeling, zoals [appellant] aanvoert, vermoedelijk door het openstaande dakraam naar binnen is geklommen, is door de rechtbank, gelet op de in het boeterapport vervatte bevindingen van de inspecteurs en de daarbij gevoegde verklaring van de vreemdeling, terecht ongeloofwaardig geacht. Dat dit, zoals [appellant] ook aanvoert, de enige manier kan zijn geweest waarop de vreemdeling zich toegang tot het restaurant heeft verschaft, leidt, eveneens gelet op het vorenstaande, niet tot een ander oordeel.

De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de minister de boete terecht heeft opgelegd. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011

164.