Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2834

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
201005871/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BM3455, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2008 heeft het college het verzoek van [appellant] om vergoeding van het door hem betaalde griffierecht van € 285,00 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201005871/1/H2.

Datum uitspraak: 2 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Spijkenisse,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 2010 in zaak nr. 09/2320 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Spijkenisse.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2008 heeft het college het verzoek van [appellant] om vergoeding van het door hem betaalde griffierecht van € 285,00 afgewezen.

Bij besluit van 19 mei 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 mei 2010, verzonden op 7 mei 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2010, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Mackay, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft € 285,00 aan griffierecht aan de rechtbank voldaan, voor een door hem namens de [cliënten] ingesteld beroep tegen het besluit van 27 februari 2007 waarbij hun bezwaarschrift tegen het verlenen van een bouwvergunning en vrijstelling aan [belanghebbende] ongegrond is verklaard. Bij brief van 4 februari 2008 hebben de cliënten de rechtbank medegedeeld dat de aan [appellant] verleende machtiging is ingetrokken. Bij brief van 13 februari 2008 hebben zij de rechtbank bericht dat zij het beroep tegen het besluit van 27 februari 2007 intrekken. [appellant] heeft het college verzocht hem het griffierecht van € 285,00 te vergoeden. Dit verzoek is afgewezen.

2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 19 mei 2009 ongegrond verklaard en geoordeeld dat het college op goede gronden heeft geweigerd het griffierecht aan [appellant] te vergoeden. Zij heeft daartoe overwogen dat, mede in aanmerking genomen dat de aan [appellant] verleende machtiging was ingetrokken, het de cliënten vrijstond het beroep tegen het besluit van 27 februari 2007 in te trekken zonder nadere kennisgeving aan [appellant] en zonder diens tussenkomst. De rechtbank heeft het standpunt van het college onderschreven dat de vergoeding van het griffierecht een zaak is tussen [appellant] en zijn cliënten, waarbij [appellant] zich zo nodig tot de civiele rechter kan wenden.

2.3. Gevraagd naar het belang bij het door hem ingestelde hoger beroep, heeft [appellant] ter zitting geantwoord dat dit is gelegen in de beantwoording van een aantal principiële vragen van bestuursrechtelijke en filosofische aard, zoals hij ook in het hoger beroepschrift heeft uiteengezet. [appellant] heeft tevens ter zitting verklaard dat hij zich tot de civiele rechter heeft gewend voor vergoeding door de cliënten van zijn honorarium en van het door hem voldane griffierecht van € 285,00. Gelet hierop valt niet in te zien dat [appellant] een rechtens te beschermen belang heeft bij een uitspraak op zijn hoger beroep. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 25 april 2007 in zaak nr. 200606565/1, is de bestuursrechter in het kader van de Algemene wet bestuursrecht tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen in een geschil met betrekking tot een besluit. Waar, zoals in dit geval, geen zodanig geschil meer bestaat, is de bestuursrechter niet tot beantwoording van vragen gehouden uitsluitend wegens de principiële betekenis daarvan.

2.4. Het hoger beroep van [appellant] is niet-ontvankelijk.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011

85-615.