Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2827

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
201003895/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het college aan het waterschap Hunze en Aa's een vergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van percelen ten behoeve van de realisering van het inrichtingsplan voor de gebieden Benedenloop Westerwoldse Aa (gedeeltelijk), Kuurbos/Bos op Houwingaham, Hamdijk en Bovenlanden voor noodwaterberging, robuuste verbindingszones en recreatieve maatregelen en voorzieningen in de gemeenten Bellingwedde en voormalig Reiderland (thans Oldambt). Dit besluit is op 15 maart 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Ontgrondingenwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/60 met annotatie van A. van Hall
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/3702
JM 2011/111 met annotatie van De Vries
JOM 2011/624
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003895/1/M1.

Datum uitspraak: 2 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Nieuweschans, gemeente Oldambt, en anderen

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het college aan het waterschap Hunze en Aa's een vergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van percelen ten behoeve van de realisering van het inrichtingsplan voor de gebieden Benedenloop Westerwoldse Aa (gedeeltelijk), Kuurbos/Bos op Houwingaham, Hamdijk en Bovenlanden voor noodwaterberging, robuuste verbindingszones en recreatieve maatregelen en voorzieningen in de gemeenten Bellingwedde en voormalig Reiderland (thans Oldambt). Dit besluit is op 15 maart 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij fax van 17 mei 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, en C.H. Dijkstra en E. Roels, beiden werkzaam bij de provincie, is verschenen.

Voorts is ter zitting het dagelijks bestuur van het waterschap Hunze en Aa's, vertegenwoordigd door W. Kastelein, werkzaam bij het waterschap, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Inleiding

2.1. In het Provinciaal Omgevingsplan 2009-2013 (hierna: het POP 2009-2013) zijn de kenmerken en de ruimtelijke functies van het betrokken gebied beschreven. Voorts zijn in het POP 2009-2013 de resultaten neergelegd van de afweging tussen de verschillende ruimtelijke functies zoals landschap, natuur, waterberging, landbouw en wonen. Deze afweging vormt het vertrekpunt voor het inrichtingsplan van het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa's, de bestemmingsplannen van de gemeentebesturen van Bellingwedde en van Reiderland (thans Oldambt), en het bestreden besluit.

Bij het bestreden besluit is op verzoek van het waterschap Hunze en Aa's een vergunning verleend voor het ontgronden van de percelen Benedenloop Westerwoldse Aa (gedeeltelijk), Kuurbos/Bos op Houwingaham, Hamdijk en Bovenlanden ten behoeve van de realisering van een noodwaterberging, robuuste verbindingszones en recreatieve maatregelen en voorzieningen. Bij de ontgrondingswerkzaamheden wordt circa 336.000 m3 grond verzet waarvan het overgrote deel ter plaatse wordt verwerkt.

Wettelijk kader

2.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Ontgrondingenwet, voor zover hier van belang, kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de ontgronding, de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken.

Ingevolge artikel 10, vijfde lid, voor zover hier van belang, worden besluiten tot het verlenen van een vergunning genomen na afweging van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde belangen.

Ontvankelijkheid

2.3. Ter zitting heeft het college betoogd dat niet duidelijk is of [appellant] door de overige appellanten is gemachtigd om beroep in te stellen tegen het bestreden besluit.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2010, heeft [appellant] mede namens de andere appellanten beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. [appellant] heeft hiertoe een machtiging overgelegd. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4. Het college heeft voorts aangevoerd dat alleen de twaalf bij de uitspraak van de rechtbank Groningen van 31 maart 2010 in zaken nrs. AWB 09/1146 en AWB 09/1175 als belanghebbenden aangemerkte appellanten ook belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit. Alleen zij worden door de werkzaamheden waarop de ontgrondingsvergunning ziet rechtstreeks geraakt.

2.4.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.4.2. Op grond van de stukken, de ter zitting overgelegde tekeningen en de daarbij gegeven toelichting overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is dat ter plaatse van de woningen van appellanten [36 appellanten] gevolgen van de ontgronding kunnen worden ondervonden. Evenmin zijn zij eigenaren van percelen waar dit het geval is. Gelet hierop zijn zij geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep, voor zover het door hen is ingesteld, is niet-ontvankelijk.

2.4.3. In het vervolg van deze uitspraak worden met [appellant] en anderen bedoeld: [23 appellanten].

Benaming

2.5. [appellant] en anderen betogen dat zij niet naar behoren op het ontwerpbesluit hebben kunnen reageren, omdat voor Bos op Houwingaham ten onrechte de benaming Kuurbos werd gehanteerd.

2.5.1. Het college voert aan dat de benaming Kuurbos de aanduiding is die het hanteert en die ook voorkomt in het herinrichtingsplan deelgebied Oldambt zoals dat in 1990 door de provincie Groningen is vastgesteld. Een aantal appellanten was reeds woonachtig in het plangebied nabij Kuurbos. De aanduiding Bos op Houwingaham is nadien door Staatsbosbeheer geïntroduceerd, aldus het college.

2.5.2. In het ontwerpbesluit staat "Kuurbos/Bos op Houwingaham" vermeld. Gelet daarop is duidelijk wat dit ontwerp met Kuurbos bedoelt. Ook indien de benaming Kuurbos onjuist zou zijn, valt derhalve naar het oordeel van de Afdeling niet in te zien waarom het gebruik ervan aan een adequate reactie in de weg zou hebben gestaan.

Deze beroepsgrond faalt.

Provinciale Omgevingsplannen en bestemmingsplannen

2.6. [appellant] en anderen hebben gronden naar voren gebracht met betrekking tot de wijze van tot stand komen van de uitwerking van de Provinciale Omgevingsplannen en van de bestemmingsplannen. Deze gronden hebben geen betrekking op het bestreden besluit tot verlening van een ontgrondingsvergunning en kunnen daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Deze beroepsgronden falen.

Aantasting landschappelijke kernwaarden

2.7. [appellant] en anderen betogen dat de ontgronding tot aantasting van de kernwaarden van waardevol architectonisch en agrarisch landschap leidt. Door de visuele en fysieke scheidingen die ontstaan, wordt volgens hen inbreuk gemaakt op het cultuurhistorisch ensemble dat het Hamdijkgebied is. Volgens [appellant] en anderen is dit in strijd met uitgangspunten van het rijksbeleid als neergelegd in de Belvedere nota en het provinciaal beleid als neergelegd in het POP 2009-2013. Volgens dit beleid moet worden aangesloten bij het eigen karakter en de landschappelijke en cultuurhistorische elementen van een gebied, aldus [appellant] en anderen. Het creëren van omgevingsvreemde quasi-natuur past volgens hen niet bij deze uitgangspunten. Ontgronding ten behoeve van de zogenoemde robuuste verbindingszone in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur is volgens hen zinloos, omdat deze zone geen aansluiting heeft op gebieden in Duitsland. [appellant] en anderen voeren aan dat de doelstelling om waterberging voor noodgevallen te creëren ook met behoud van de agrarische functie kan worden gerealiseerd, en dat het niet nodig is daarvoor gebiedsvreemde natte natuur en moerassen aan te leggen.

2.7.1. Het college voert aan dat het POP 2009-2013 en het milieueffectrapport de resultaten weergeven van de afweging tussen de verschillende ruimtelijke functies zoals landschap, natuur, waterberging, landbouw en wonen. Deze afweging is volgens het college de basis voor het inrichtingsplan, de bestemmingsplannen en de ontgrondingsvergunning. Bij de begrenzing van de noodbergingsgebieden en de robuuste verbindingszones is uitdrukkelijk rekening gehouden met de cultuurhistorische, archeologische en geomorfologische waarden van het landschap. Het college stelt dat de afspraken in het kader van de robuuste verbindingszones bestuurlijk zijn opgenomen in het Afsprakendocument 2004-2018 en het POP 2009-2013. De provincie Groningen heeft samen met de Duitse deelstaat Niedersachsen plannen ontwikkeld voor een ecologische verbindingszone tussen de uiterwaarden langs de Eems en de Nederlandse Ecologische Hoofdstructuur. De Nederlandse verbinding tot de Duitse grens is in het rijksbeleid opgenomen in de robuuste verbindingszone Natte As, aldus het college.

2.7.2. De beleidsmatige keuze voor de inrichting van het ontgronde gebied als natuurgebied en robuuste verbindingszones is gemaakt in een uitwerking van het Provinciaal Omgevingsplan van 13 december 2005, zoals herzien op 2 december 2008 en overgenomen in het POP 2009-2013. De bestemmingsplannen waarin de bestemming van de gebieden dienovereenkomstig is ingevuld, zijn vastgesteld door de raad van de gemeente Reiderland (thans Oldambt) bij besluit van 25 november 2009 en de raad van de gemeente Bellingwedde bij besluit van 17 december 2009. De inrichting van het gebied is vastgelegd in een inrichtingsplan, vastgesteld door het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa's en goedgekeurd door het college bij besluit van 31 augustus 2009. Dit betreft een inrichtingsplan voor noodwaterberging, robuuste verbindingszones en recreatieve maatregelen en voorzieningen. De ontgronding dient voor het winnen van materiaal om kades op te hogen in samenhang met de inrichting van het ontgronde gebied als natuurgebied en robuuste verbindingszones.

De Afdeling overweegt dat de beroepsgronden betreffende de aantasting van landschappelijke kernwaarden betrekking hebben op afwegingen die reeds in het in vorenstaande alinea bedoelde planologisch en waterstaatkundig kader zijn gemaakt. Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op de ontgronding zelf, maar op het gebruik dat na afloop van de ontgronding van de percelen zal worden gemaakt. Reeds hierom kunnen deze beroepsgronden niet worden betrokken bij de beoordeling van het bestreden besluit.

Ten aanzien van de stelling van [appellant] en anderen dat de doelstelling om waterberging voor noodgevallen te creëren ook met behoud van de agrarische functie kan worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat het college gehouden is op basis van de aanvraag, zoals deze bij hem is ingediend, te beoordelen of voor de in die aanvraag beschreven ontgronding vergunning kan worden verleend. De vraag of een alternatieve ontgronding mogelijk zou zijn, staat in deze procedure niet ter beoordeling.

Deze beroepsgronden falen.

Belemmering uitzicht

2.8. [appellant] en anderen betogen dat de verhoging van de kades, die zal plaatsvinden in verband met de verwezenlijking van de waterberging, en met gebruikmaking van de afgegraven grond, hun uitzicht onaanvaardbaar zal beperken.

2.8.1. Het college voert aan dat de beperking van het vrije uitzicht is geminimaliseerd door de kades aan de randen van de open ruimte te situeren.

2.8.2. Gelet op de stukken alsmede het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college dit aspect onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken.

Deze beroepsgrond faalt.

Bodemarchief

2.9. [appellant] en anderen betogen dat door de ontgronding het bodemarchief wordt verwoest, onder meer door het verleggen van de historische Molentocht.

2.9.1. Het college voert aan dat de zone waar de slenk de Hamdijk zal gaan kruisen, een andere is dan waar de kruising van de Molentocht is gesitueerd. De huidige structuur van de Molentocht blijft gehandhaafd, aldus het college. De slenk zal de Hamdijk gaan kruisen, waarbij de Hamdijk in zijn huidige staat gehandhaafd blijft.

2.9.2. Op grond van hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd is niet aannemelijk geworden dat de structuur van de Molentocht niet gehandhaafd blijft. Bij het bestreden besluit zijn maatregelen betrokken om schade aan archeologische en cultuurhistorische waarden zo veel mogelijk te beperken. In de ontgrondingsvergunning is voorgeschreven dat de adviezen van adviesbureau voor archeologie, landschap en ruimtelijke plannen Libau dienen te worden opgevolgd, en dat, indien archeologische vindplaatsen worden aangetroffen, de werkzaamheden direct moeten worden stopgezet en contact moet worden opgenomen met de provinciaal archeoloog van de provincie Groningen. Hervatting van de werkzaamheden kan pas plaatsvinden nadat door de provinciaal archeoloog gegeven aanwijzingen zijn opgevolgd. De Afdeling ziet, gelet op het vorenstaande, in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij het verlenen van de ontgrondingsvergunning de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden onvoldoende in de afwegingen zijn betrokken.

Deze beroepsgrond faalt.

Schaderegeling

2.10. [appellant] en anderen betogen dat de ontgrondingsvergunning een schaderegeling had moeten bevatten, gelet op de ingrijpende gevolgen voor hun leefomgeving en de daarmee verbonden gevaren voor schade en overlast aan hun bezittingen.

2.10.1. Het college voert aan dat de Ontgrondingenwet of een andere wettelijke regeling hem niet verplicht een schaderegeling in de ontgrondingsvergunning op te nemen.

2.10.2. In artikel 26 van de Ontgrondingenwet is, voor zover hier van belang, bepaald dat aan onder meer degene die overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, een vergoeding wordt toegekend indien hij als gevolg van de verlening van een ontgrondingsvergunning schade lijdt die niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Deze vergoeding kan hetzij bij het besluit tot verlening van de ontgrondingsvergunning, hetzij bij een afzonderlijk besluit worden toegekend.

In artikel 28 van de Ontgrondingenwet is, voor zover hier van belang, bepaald dat een afzonderlijke beschikking tot vergoeding van schade kan worden aangevraagd.

2.10.3. Naar het oordeel van de Afdeling leidt de enkele omstandigheid dat [appellant] en anderen schade kunnen lijden als gevolg van de vergunningverlening niet tot het oordeel dat het besluit tot vergunningverlening onrechtmatig is. De Ontgrondingenwet voorziet immers in een regeling voor schadevergoeding en bovendien is niet vereist dat schadevergoeding bij het besluit tot verlening van de ontgrondingsvergunning wordt toegekend. Het college heeft ter zitting verklaard dat het na voltooiing van alle voorziene stappen gezamenlijk met het waterschap Hunze en Aa's zal inventariseren of, en zo ja in hoeverre, [appellant] en anderen van één of meer van deze stappen schade hebben ondervonden.

Deze beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.11. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [36 appellanten].

Het beroep is voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [36 appellanten];

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011

271-650.