Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2817

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
201007930/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2010:BN0377, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij koninklijk besluit van 5 juli 2008 is aan [appellant] het Nederlanderschap verleend en zijn de geslachtsnaam als "[geslachtsnaam]" en de voornamen als "[voornamen]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201007930/1/V6.

Datum uitspraak: 2 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 2 juli 2010 in zaak nr. 09/595 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie (thans: de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).

1. Procesverloop

Bij koninklijk besluit van 5 juli 2008 is aan [appellant] het Nederlanderschap verleend en zijn de geslachtsnaam als "[geslachtsnaam]" en de voornamen als "[voornamen]" vastgesteld.

Bij koninklijk besluit van 6 maart 2009 is het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de in het hiervoor bedoelde koninklijk besluit vervatte vaststelling van de geslachtsnaam, ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 september 2010. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2010, waar [appellant] in persoon en bijgestaan door mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam, en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet conflictenrecht namen (hierna: de WCN) worden de geslachtsnaam en de voornamen van een vreemdeling bepaald door het recht van de Staat waarvan hij de nationaliteit heeft. Onder recht zijn mede begrepen de regels van internationaal privaatrecht. Uitsluitend voor de vaststelling van de geslachtsnaam en de voornaam worden de omstandigheden waarvan deze afhangen beoordeeld naar dat recht.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, is in geval van verandering van nationaliteit het recht van de Staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing, daaronder begrepen de regels van dat recht nopens de gevolgen van de nationaliteitsverandering voor de naam.

Ingevolge het tweede lid brengt de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een vreemdeling geen wijziging in diens geslachtsnaam en voornaam, behoudens het bepaalde in artikel 5b, onder b, van deze wet en in de artikelen 6, vijfde lid, en 12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) zullen, indien de verzoeker geen geslachtsnaam of voornaam heeft of indien de juiste spelling daarvan niet vaststaat, deze in overleg met hem worden vastgesteld bij het besluit waarbij het Nederlanderschap wordt verleend.

Ingevolge het tweede lid, wordt de naam van de verzoeker zo nodig in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht en kan deze, indien dit voor de inburgering van belang is, met toestemming van de verzoeker bij het besluit tot verlening van het Nederlanderschap worden gewijzigd.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet GBA), voor zover thans van belang, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de burgerlijke stand in Nederland;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Volgens de toelichting op voormeld artikel 12 in de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) is bij verlening van het Nederlanderschap het Nederlands namenrecht van toepassing (artikel 4, eerste lid, van de WCN). Uitgangspunt is dat de naturalisatie plaatsvindt met toepassing van de namen van de verzoeker in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA). Aan deze namen dient verder zo weinig mogelijk te worden gesleuteld.

Indien naamsvaststelling of naamswijziging is geboden op grond van artikel 12 van de RWN, overlegt de burgemeester met de verzoeker over de vast te stellen of te wijzigen namen van de verzoeker en van de personen voor wie medeverlening wordt verzocht, alsmede over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen worden overgebracht (artikel 36, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap).

De burgemeester brengt over de naamsvaststelling of naamswijziging advies uit aan de minister.

De minister is gemachtigd correcties aan te brengen in een koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap. De machtiging is uitsluitend verleend om kennelijke administratieve misslagen in de vermelde persoonsgegevens van de verzoeker te herstellen. De kennelijke misslag dient een gevolg te zijn van (administratieve dan wel een vertalings-) onoplettendheid. Onder een ‘kennelijke administratieve misslag’ wordt niet verstaan het geval waarin de verzoeker na de verlening van het Nederlanderschap één of meer persoonsgegevens (namen, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland) wenst te corrigeren, omdat hij is genaturaliseerd onder onjuiste, maar wel door hem aangeleverde, persoonsgegevens.

2.2. In geschil is uitsluitend de vaststelling van de geslachtsnaam als [geslachtsnaam], zoals vermeld in het koninklijk besluit van 5 juli 2008 en gehandhaafd in het koninklijk besluit van 6 maart 2009.

2.3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat tot het moment van verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door de naturalisandus ingevolge artikel 1, eerste lid, van de WCN het Iraakse namenrecht van toepassing is, faalt. Zoals volgt uit de tekst van artikel 4, eerste lid, van de WCN is bij naturalisatie voor de toepassing van het recht van de staat van de nieuwe nationaliteit niet vereist dat de naturalisatie reeds is voltooid. Dat [appellant] naar gesteld volgens het Iraakse namenrecht de naam [naam] mocht voeren, is derhalve niet van belang voor de vraag hoe in het kader van de naturalisatie naar Nederlands recht zijn geslachtsnaam diende te worden vastgesteld.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister mocht vasthouden aan de Handleiding. Weliswaar heeft hij bij de verklaring onder ede als bedoeld in artikel 36, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet GBA, de naam [naam] niet genoemd, maar hij heeft bij de aanvraag tot naturalisatie brondocumenten overgelegd die ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet GBA een sterkere bewijskracht hebben dan zijn verklaring onder ede en daarin is de naam [naam] vermeld. Bovendien mocht hij bij zijn verklaring om praktische redenen slechts drie van zijn vier namen vermelden, aldus [appellant]. Daar komt volgens [appellant] bij dat uit deze verklaring slechts blijkt dat hij is gerechtigd deze namen te voeren, niet dat de opsomming van namen uitputtend is. Dit blijkt ook uit de streepjes die op de verklaring onder ede achter de namen op de regel bestemd voor geslachts- of familienaam en op de regel bestemd voor de voornamen zijn genoteerd. Hij heeft steeds te kennen gegeven de naam [naam] te willen voeren. Voor zover de Handleiding als beleid is aan te merken, had de minister hiervan moeten afwijken volgens [appellant].

2.4.1. Gegevens in de GBA dienen betrouwbaar en duidelijk te zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat deze gegevens in beginsel juist zijn. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de minister in redelijkheid als uitgangspunt heeft kunnen nemen dat naturalisatie plaatsvindt met toepassing van de namen van de verzoeker in de GBA. [appellant] heeft op 21 mei 2003 een verklaring onder ede als bedoeld in artikel 36, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet GBA, afgelegd, waarin hij heeft verklaard dat zijn geslachtsnaam/familienaam [geslachtsnaam/familienaam] is. Op basis van deze verklaring en onder de daarin vermelde gegevens is [appellant] geregistreerd in de GBA.

Een verklaring onder ede moet aan bepaalde vormvoorschriften voldoen. De registratieprocedure is zorgvuldig ingericht. De betrokkene wordt door een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar voorgelicht over wat van hem verwacht wordt, gewezen op de gevolgen van het opnemen van gegevens in de GBA aan de hand van de verklaring onder ede en ervan op de hoogte gesteld dat wijziging van de verklaring niet mogelijk is. Gelet hierop kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn betoog, dat de afgelegde verklaring niet uitsluit dat hij gerechtigd is meer namen te voeren. In de regelgeving zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het standpunt dat de gedachtestreepjes achter de namen zouden betekenen dat de opgenomen namenreeks niet volledig is, noch dat maximaal drie namen mogen worden vermeld. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij om praktische redenen werd gedwongen slechts drie van de vier namen op te nemen in zijn verklaring. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat [appellant] kan worden gehouden aan zijn verklaring onder ede.

Niet is gebleken dat [appellant] documenten heeft overgelegd die een sterkere bewijskracht hebben dan zijn onder ede afgelegde verklaring. Het bij het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap overgelegde afschrift van een verklaring uit de burgerlijke stand van Irak en het afschrift van de huwelijksvoltrekking zijn niet gelegaliseerd en kunnen derhalve niet als zodanig worden aangemerkt.

[appellant] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die op grond van artikel 4:84 of artikel 3:4 van de Awb tot afwijking van de Handleiding hadden moeten leiden. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister het uitgangspunt uit de Handleiding, dat de gegevens uit de GBA bepalend zijn, niet heeft kunnen handhaven met betrekking tot [appellant].

2.5. [appellant] klaagt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door hem niet te wijzen op de procedure die ertoe had kunnen leiden dat hij de naam [naam] als geslachtsnaam had kunnen vaststellen, indien daarvoor in deze procedure geen plaats was.

2.5.1. Deze klacht faalt. Uit de brief van 14 oktober 2008 van de burgemeester van Oud-Beijerland blijkt dat [appellant] is ingelicht over de te volgen procedure voor naamswijziging. Daarin is aangegeven dat een ambtenaar van de gemeente bereid is hem te helpen bij het opstellen van een verzoek daartoe.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011

164-532.