Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2815

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
200904763/1/R2 en 201006322/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2009, kenmerk Rb2009/16, heeft de raad het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/108

Uitspraak

200904763/1/R2 en 201006322/1/R2.

Datum uitspraak: 2 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3. de stichting Stichting Bescherming Stadsgezicht Hulst, gevestigd te Hulst,

en

de raad van de gemeente Hulst,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2009, kenmerk Rb2009/16, heeft de raad het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2009, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2009, en de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2009, beroep ingesteld.

Bij besluit van 22 april 2010, kenmerk Rb2010/19, heeft de raad het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai, eerste herziening" vastgesteld.

De raad heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft met betrekking tot bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De Stichting en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellante sub 1], [appellante sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 18 oktober 2010, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. M. Lanen, advocaat te Utrecht, en M. Verbakel, de Stichting, vertegenwoordigd door J.A. van Zijderveld en J.G.A.M. Niesten, en de raad, vertegenwoordigd door drs. K.P.A. Schelfhout, ing. G.F.M. Totté, beiden werkzaam bij de gemeente Hulst, en drs. A.J.L. Mein, mr. D.J.A. de Swaef, drs. J.H. Rietbergen, en ing. H. ter Beek, zijn verschenen.

2. Overwegingen

De plannen

2.1. Met het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" wordt beoogd een aantal nieuwe ontwikkelingen binnen het beschermd stadsgezicht en in het noordwestelijk gebied van de binnenstad van Hulst mogelijk te maken. Voorts wordt een aantal bestaande functies in het plan geconserveerd.

Met de vaststelling van het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai, eerste herziening" heeft de raad beoogd om bepaalde onvolkomenheden in de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.15 van de planregels en de verbeelding van het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" te herstellen.

2.2. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan dat overgaat tot intrekking of wijziging van het bestreden besluit, daarvan onverwijld mededeling doet aan het orgaan waarbij het bezwaar of beroep aanhangig is.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2.3. De Afdeling merkt het besluit van de raad van 22 april 2010, dat met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb is voorbereid, aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, nu dat betrekking heeft op enkele planonderdelen waarop ook het besluit van 2 april 2009 ziet en waartegen beroep aanhangig is. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb dienen de beroepen van [appellante sub 2] en van de Stichting te worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Het beroep van [appellante sub 1] wordt niet geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit, omdat met dit besluit tegemoet is gekomen aan haar beroep tegen het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai".

Ontvankelijkheid Stichting

2.4. De raad betwist dat de Stichting kan worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb.

2.4.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.4.2. De Stichting heeft blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten tot doel: onder de voorwaarden van "Hulst, Beschermd stadsgezicht" het kleinschalige en architectonische aspect van de stad Hulst te handhaven als historisch gegroeide vestingstad. Daartoe behoort onder meer het behoud en de stimulering van het aspect van de kleinschaligheid binnen de stadswallen en het in stand houden van poorten, wallen, ravelijnen, kortom vestingwerken als linies, forten, zoals aangegeven in het door Monumentenzorg opgestelde rapport getiteld "Beschermd stadsgezicht van de vroegere vestingstad Hulst" en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords. De Afdeling is van oordeel dat het statutaire belang van de Stichting rechtstreeks is betrokken bij het besluit. Voorts is, mede gelet op het ter zitting door de Stichting gestelde, gebleken dat de Stichting feitelijke werkzaamheden, waaronder het voeren van gesprekken met de gemeente en het in overleg treden met eigenaren om gevels van winkelpanden binnen het beschermd stadsgezicht historiserend uit te voeren, verricht in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Deze werkzaamheden passen naar het oordeel van de Afdeling binnen de statutaire doelstelling van de Stichting.

De Afdeling is gezien de hiervoor weergegeven doelstellingen en de genoemde feitelijke werkzaamheden van oordeel dat de Stichting door de bestreden besluiten rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. Gelet hierop moet de Stichting als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb worden aangemerkt en kan zij in haar beroep worden ontvangen.

Het beroep van de Stichting voor zover het betreft het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai, eerste herziening"

2.5. De Stichting heeft haar beroep voor zover dat wordt geacht mede te zijn gericht tegen het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai, eerste herziening" niet nader onderbouwd. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

2.6. Zoals hiervoor in 2.3 is overwogen, is het beroep van [appellante sub 2] gericht tegen zowel het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" als tegen het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai, eerste herziening".

2.7. Het beroep van [appellante sub 2] dat betrekking heeft op het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai, eerste herziening" is gericht tegen de in artikel 3.15 van de planregels in samenhang met de verbeelding neergelegde mogelijkheid een extra supermarkt in Hulst te vestigen. [appellante sub 2] betoogt dat de Albert Heijn (die door [appellante sub 1] wordt geëxploiteerd) na gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid de supermarkt aan de Overdamstraat in het centrum van Hulst van ongeveer 1.450 m² bedrijfsvloeroppervlakte op grond van het overgangsrecht mag handhaven. [appellante sub 2] betoogt in dit verband dat de overeenkomst waarmee wordt beoogd de voortzetting van het gebruik onder het overgangsrecht te voorkomen, zich niet verdraagt met de Mededingingswet. Ook zal van een reducering naar de gewenste 750 m² winkelvloeroppervlakte (hierna: w.v.o.) in het centrum niets terecht komen, zo stelt [appellante sub 2]. Hierom vreest [appellante sub 2] voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau omdat klanten in de toekomst niet op een aanvaardbare afstand hun inkopen kunnen doen.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit de "Beleidsnotitie supermarktstructuur gemeente Hulst", die als uitgangspunt voor het plan heeft gediend, volgt dat na verplaatsing van de twee supermarkten Albert Heijn en Lidl in totaal vijf supermarkten aan het Stationsplein mogen zijn gevestigd. Beoogd is om de Albert Heijn uit het gebied van bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" te plaatsen, hetgeen in dat plan wordt geregeld door middel van een wijzigingsbevoegdheid. Door een tweede wijzigingsbevoegdheid kan elders in het plangebied van "De Nieuwe Bierkaai" weer een supermarkt van 750 m² w.v.o. worden toegevoegd. Toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voorkomt dat, na verplaatsing van de huidige Albert Heijn, zich op die locatie nog een supermarkt vestigt. Weliswaar kan de Albert Heijn na verplaatsing, op grond van het overgangsrecht op de huidige locatie in het plangebied van "De Nieuwe Bierkaai" blijven zitten, maar dit wordt in het privaatrechtelijke spoor ondervangen. Eveneens worden met de toekomstige ontwikkelaar van de huidige Albert Heijn-locatie privaatrechtelijke afspraken gemaakt. Volgens de raad zullen de privaatrechtelijke afspraken in dit verband voldoende waarborg geven.

2.7.2. De raad heeft met [appellante sub 1] onderhandeld over een overeenkomst waarbij de gemeente zich verplicht de locatie van de huidige Albert Heijn aan de Overdamstraat aan te kopen. In deze overeenkomst is een kwalitatieve verplichting opgenomen om te voorkomen dat van het overgangsrecht gebruik kan worden gemaakt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college ervan uit mocht gaan dat voortzetting op grond van het overgangsrecht van een supermarkt van ongeveer 1.450 m² bedrijfsvloeroppervlakte aan de Overdamstraat, na gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid, zal worden voorkomen. Overigens is ter zitting gebleken dat de raad op 23 september 2010 heeft ingestemd met voornoemde overeenkomst. Voor de opvatting dat aan deze overeenkomst geen betekenis kan worden toegekend wegens strijd met artikel 6 van de Mededingingswet, ziet de Afdeling geen grond. Daargelaten het antwoord op de vraag of verboden afspraken ter vermindering van de mededinging in deze procedure aan de orde kunnen komen, heeft [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende overeenkomst in dit geval als een verboden overeenkomst als bedoeld in voornoemd artikel kan worden aangemerkt.

Dat van de gewenste supermarkt van 750 m² w.v.o. in het centrum niets terecht zal komen, heeft [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt. Ter zitting is overigens gebleken dat concrete belangstelling bestaat voor realisatie van een dergelijke supermarkt. De Afdeling overweegt dat, ook indien zich in de toekomst niet een supermarkt van 750 m² w.v.o. in het centrum zal vestigen, de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat alsdan van een duurzame ontwrichting geen sprake zal zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 juni 2009 in zaak nr. 200808122/1/R3) komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse inkopen kunnen doen. De Afdeling acht in dit verband van belang dat inwoners van het centrum wel op aanvaardbare afstand hun dagelijkse inkopen zullen kunnen doen. Ter zitting is gebleken dat aan de rand van het centrum een supermarkt aanwezig is. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat de supermarkten aan het Stationsplein net buiten het centrum (zullen) liggen.

2.7.3. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.8. Het beroep van [appellante sub 2] dat betrekking heeft op het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" is gericht tegen de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.15 van de planregels in samenhang met de verbeelding. Voor deze onderdelen van het plan is inmiddels een nieuw plan vastgesteld, te weten het plan "De Nieuwe Bierkaai, eerste herziening". Nu blijkens 2.5 en 2.7.3. de beroepen tegen dit plan ongegrond zijn verklaard, is dat onherroepelijk geworden. Hieruit volgt dat de bestreden onderdelen van het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" niet langer rechtskracht zullen hebben. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellante sub 2] geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen dit plan.

In verband hiermee dient het beroep van [appellante sub 2] voor zover het betreft het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.9. Bij brief van 8 oktober 2010 heeft [appellante sub 1] haar beroep ingetrokken, behoudens waar dat ziet op de in artikel 3.15, onder a en b, in samenhang met de verbeelding van het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" neergelegde wijzigingsregelingen. [appellante sub 1] betoogt dat in de wijzigingsbevoegdheid wordt verwezen naar een verkeerd artikelnummer en dat de nummers van de wijzigingsgebieden 1 en 2 op de verbeelding zijn verwisseld. Ter zitting heeft [appellante sub 1] toegelicht dat de raad weliswaar aan deze beroepsgrond tegemoet is gekomen door vaststelling van het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai, eerste herziening", maar dat zij haar beroep niet wenst in te trekken in verband met een eventuele vergoeding van griffierecht en veroordeling in de proceskosten.

2.9.1. Niet in geschil is dat de desbetreffende wijzigingsbevoegdheid is vervangen door het besluit van de raad van 22 april 2010, waarbij het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai, eerste herziening" is vastgesteld en dat aldus wordt tegemoetgekomen aan het beroep van [appellante sub 1].

De Afdeling overweegt dat de vraag of een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb moet worden uitgesproken op zichzelf onvoldoende belang vormt om tot inhoudelijke beoordeling van het beroep over te gaan, aangezien artikel 8:75 van de Awb niet de eis stelt dat de partij die in de proceskosten wordt veroordeeld in het ongelijk is gesteld. Dit geldt evenzeer voor het eventueel vergoeden van het betaalde griffierecht. Ook overigens is niet gebleken dat [appellante sub 1] nog enig belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 2 april 2009.

Het beroep van [appellante sub 1] is derhalve niet-ontvankelijk.

Het beroep van de Stichting voor zover het betreft het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai"

2.10. Met betrekking tot het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" betoogt de Stichting dat ten onrechte geen inspraak is verleend op grond van artikel 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Omdat de procedure is gestart voor de inwerkingtreding van de Wro per 1 juli 2008 moet het plan volgens de Stichting worden afgerond volgens de procedures uit de WRO.

2.10.1. Ingevolge artikel 9.1.4. van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, voor zover hier van belang, blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan, waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd. De voorbereiding van het plan is gestart vóór 1 juli 2008 volgens de procedures uit de WRO. Het ontwerpplan is echter niet vóór 1 juli 2008 ter inzage gelegd, maar vanaf 18 december 2008. Uit artikel 9.1.4. van de Invoeringswet volgt dat voor de vaststelling van het plan niet meer de procedures uit de WRO konden worden gevolgd. Ingevolge de Wro vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. De Afdeling overweegt dat het bieden van inspraak geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een inspraakverplichting kan daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan met zich brengen.

2.11. Voorts voert de Stichting aan dat ten onrechte geen advies over het plan is uitgebracht door de welstandscommissie of gemeentelijke monumentencommissie. Daarnaast is het advies van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (thans: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, hierna: RACM) niet deugdelijk, aldus de Stichting.

2.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat, hoewel de welstands- en monumentencommissie geen voorgeschreven functie hebben in de bestemmingsplanprocedure, wel degelijk overleg met de betreffende commissies heeft plaatsgevonden. De RACM is in het kader van het vooroverleg bij de procedure betrokken, maar dat heeft niet tot een formele reactie geleid.

2.11.2. Ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), voor zover thans van belang, pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

2.11.3. Anders dan de Stichting betoogt, overweegt de Afdeling dat gelet op voornoemd artikel overleg met de welstands- en/of monumentencommissie geen vereiste is bij de vaststelling van een plan. Uit de zienswijzennota volgt overigens dat de raad bij de voorbereiding van het plan met zowel de welstands- als de monumentencommissie overleg heeft gevoerd. Voor zover de Stichting betoogt dat deze commissies niet goed functioneerden, overweegt de Afdeling dat dit niet aannemelijk is gemaakt.

Uit de plantoelichting blijkt dat het ontwerpplan in het kader van het vooroverleg is toegezonden aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de voorganger van het RACM. Voorts volgt uit het deskundigenbericht dat over het ontwerpplan meerdere malen met de RACM overleg is gevoerd. Vast staat dat de RACM geen officiële reactie over het ontwerpplan heeft gegeven. Blijkens de artikelgewijze toelichting uit de nota van toelichting (nota van toelichting, blz. 54; Stb. 2008, 145) wordt aan de praktijk overgelaten hoe het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro wordt gevoerd. Dat geen reactie van het RACM is ontvangen kan niet aan de raad worden tegengeworpen, zodat geen aanleiding voor het oordeel bestaat dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro.

2.12. De Stichting stelt voorts dat aan extra woningen geen behoefte bestaat, omdat in Zeeuws-Vlaanderen de bevolking in omvang afneemt.

2.12.1. De raad stelt dat ook in een krimpende markt (en dus ook in Zeeuws-Vlaanderen) woningen moeten worden gebouwd. De levensduur van de bestaande voorraad is beperkt en een kwalitatief hoogwaardig aanbod zal de komende jaren een deel van de markt gaan vervangen.

2.12.2. In de plantoelichting staat dat uit de Woonvisie van de gemeente Hulst volgt dat voor de periode 2007-2017 voor de kern Hulst wordt gestreefd naar de realisatie van 819 nieuwe woningen. Met het bestemmingsplan wordt voorzien in circa 130 extra woningen. Daarmee wordt tevens in een aanzienlijk deel van de provinciale herstructureringsopgave voorzien. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat geen behoefte zou zijn aan de woningen die in het plan zijn voorzien. In tegenstelling tot de plaatsen Terneuzen en Sluis waar de bevolking licht is afgenomen, is de bevolkingsomvang in Hulst sinds 2002 rond de 27.900 inwoners blijven zweven. Naar het oordeel van de Afdeling mocht de raad gelet op het vorenstaande ervan uitgaan dat met de bouw van 130 woningen in een behoefte zal worden voorzien.

2.13. De Stichting stelt dat de door de raad gehanteerde parkeernormen van 1,2 parkeerplaats per woning en 1 per 75 m² voor overige functies ertoe leiden dat in het plangebied onvoldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn. Voorts betoogt de Stichting dat de afwikkeling van het verkeer in en naar het plangebied met dit plan onvoldoende wordt verbeterd.

2.13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de parkeerbehoefte in het centrum niet kan worden afgestemd op de piekbehoefte. Buiten het centrum zijn voor langparkeerders parkeerterreinen aangelegd. De parkeernormen zijn overeenkomstig de richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW).

De verkeersafwikkeling is ingewikkeld vanwege het historisch stratenpatroon en de stadswallen. De haalbaarheid van een alternatief circulatieplan wordt onderzocht. De capaciteit van de wegen zal niet worden vergroot, omdat dit in conflict is met de beschermde status van de structuur.

2.13.2. De raad is blijkens de plantoelichting in zijn berekeningen uitgegaan van een parkeerbehoefte van 1,2 parkeerplaats per woning, hetgeen volgens de richtlijnen van het CROW als ondergrens geldt. In het deskundigenbericht staat dat de in het plan voorziene parkeerplaatsen in de deelgebieden de behoefte voor wonen grotendeels kunnen opvangen. Gelet op het feit dat de Stichting de conclusies uit het deskundigenbericht op dit punt niet gemotiveerd heeft weersproken, is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat de raad in het plan in onvoldoende parkeerplaatsen per woning heeft voorzien.

Ten aanzien van de parkeerbehoefte met betrekking tot de commerciële voorzieningen, overweegt de Afdeling dat uit de plantoelichting kan worden afgeleid dat daarvoor op maaiveldniveau en op het Nassaubolwerk tezamen 152 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. In de plantoelichting staat voorts vermeld dat een parkeernorm van 1 parkeerplaats per 75 m² (derhalve 1,3 parkeerplaats per 100 m² netto-vloeroppervlak) voor zogenoemde overige functies in dit geval voldoende wordt geacht. Ter zitting heeft de raad nader toegelicht dat in totaal 10.580 m² aan netto-vloeroppervlak commerciële ruimten zal worden gerealiseerd, zodat hij rekening heeft gehouden met een behoefte aan 141 parkeerplaatsen. De Afdeling overweegt dat de raad in dit geval in redelijkheid heeft mogen uitgaan van een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per 100 m² netto-vloeroppervlak aan commerciële ruimten. Weliswaar wordt met deze norm niet voldaan aan de richtlijnen van het CROW, waarin de parkeerkencijfers voor centrumvoorzieningen van 2,5 tot 4,5 parkeerplaats per 100 m² bruto-vloeroppervlak variëren, maar de raad heeft voldoende gemotiveerd waarom in dit geval met de minder strenge parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per 100 m² netto-vloeroppervlak kan worden volstaan. Daartoe heeft de raad gewicht mogen toekennen aan het behoud van het historische karakter van de binnenstad en aan de omstandigheid dat - naar uit de plantoelichting volgt - ten gevolge van het plan het netto-vloeroppervlak aan commerciële ruimten zal afnemen van 12.640 m² naar 10.580 m². Voorts heeft de raad in dit verband in aanmerking mogen nemen dat net buiten de wallen parkeerterreinen voor langparkeerders beschikbaar zijn.

Met betrekking tot het betoog dat de verkeersafwikkeling onvoldoende is, overweegt de Afdeling dat in het deskundigenbericht staat dat de fysieke ruimte van de wegen binnen de vesting en het beschermde historische patroon de mogelijkheden tot ingrepen in de verkeerssituatie beperken. Voorts staat in het deskundigenbericht dat het plan voornamelijk voorziet in een toename van het aantal woningen, wat resulteert in 792 extra autobewegingen. In het onderzoeksrapport "Dynamische verkeerscirculatie binnenstad" van de gemeente Hulst van 23 maart 2009 wordt geconcludeerd dat wijziging van de verkeerscirculatie onvermijdelijk is en dat er een aantal infrastructurele aanpassingen noodzakelijk is. Zoals de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld, zijn de functies parkeren, wegverkeer en verblijfsgebied binnen de bestemming "Verkeer" onderling uitwisselbaar, zodat de in het onderzoeksrapport genoemde verkeersmaatregelen passen binnen het nieuwe planologische regime. De Stichting heeft noch de conclusies van het onderzoeksrapport "Dynamische verkeerscirculatie binnenstad" noch die uit het deskundigenbericht op dit punt weersproken. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een goede verkeersafwikkeling voldoende in het plan zal worden gewaarborgd.

2.14. De Stichting betoogt dat een bouwhoogte van 4 of 5 bouwlagen voor de voorziene bebouwing op de voormalige PTT-locatie niet past in het beschermd stadsgezicht van Hulst. De Stichting acht het in dit verband passender om de bebouwing vanaf de basiliek naar de wallen toe in hoogte af te laten nemen. Voorts stelt de Stichting dat een heel complex ten onrechte kan worden voorzien van één kap. Voor bebouwing binnen het beschermd stadsgezicht zijn meerdere kappen per complex echter beter passend, aldus de Stichting.

2.14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat door de veranderde woonbehoefte de belevingswaarde van de wallen is veranderd. Omdat men liever aan de rand van de stad wil wonen, is het volgens de raad noodzakelijk om aldaar hoger te kunnen bouwen. In de aanwijzing tot het beschermd stadsgezicht zijn volgens de raad geen randvoorwaarden opgenomen over de bebouwingshoogte. De gekozen bebouwingshoogtes passen bij de omliggende ruimte aldus de raad. Voorts acht de raad de keuzes in het kappenplan in overeenstemming met de huidige kappenstructuur van Hulst. Over de juiste toepassing van de kappen zijn afspraken geformuleerd in het beeldkwaliteitplan, zo stelt de raad.

2.14.2. Ingevolge de desbetreffende aanduiding in de verbeelding is voor de voorziene bebouwing op de voormalige PTT-locatie een maximale bouwhoogte van 16 meter toegestaan. Omdat in de verbeelding aan de desbetreffende gronden niet de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - individuele panden" is toegekend, dient ingevolge artikel 12, tweede lid, onder b., sub b., van de planregels de voorziene bebouwing ter plaatse met één kap worden afgedekt.

Ter zitting is gebleken dat het bouwplan dat ter plaatse is beoogd, niet uit één bouwmassa zal bestaan en richting de zijde van de wallen in bouwhoogte zal afnemen naar maximaal 13 meter. De Afdeling overweegt dat het plan meer mogelijk maakt dan de raad heeft beoogd. Daarbij komt dat in het deskundigenbericht staat dat de in het plan voorziene bebouwing zodanig is gelegen dat deze in de zichtlijn op de stad ligt, bezien vanaf het onbebouwde schootsveld ten westen van de stad. Voorts staat in het deskundigenbericht dat een dergelijke bouwmassa (als waarin het plan voorziet) direct grenzend aan de stadswal en met een hoogte van 16 meter, leidt tot een aantasting van het silhouet van de stad.

2.15. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Centrum", met betrekking tot het perceel gelegen tussen de Minderbroedersstraat en de Overdamstraat (de voormalige PTT-locatie), is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

In hetgeen de Stichting voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Griffierecht en proceskosten

2.16. Met betrekking tot [appellante sub 1] moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het belang bij het beroep, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan het beroep van [appellante sub 1] is tegemoetgekomen. Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb is een proceskostenveroordeling in dit geval mogelijk, nu door het repareren van bedoelde wijzigingsbevoegdheid door vaststelling van het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai, eerste herziening" sprake is van tegemoetkomen in de hiervoor bedoelde zin.

Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding de raad op navolgende wijze te veroordelen in de proceskosten van [appellante sub 1].

2.17. De raad dient ten aanzien van de Stichting op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellante sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 1] en het beroep van [appellante sub 2] voor zover het betreft het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai" niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de stichting Stichting Bescherming Stadsgezicht Hulst, voor zover het betreft het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai", gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Hulst van 2 april 2009, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Centrum", met betrekking tot het perceel gelegen tussen de Minderbroedersstraat en de Overdamstraat (de voormalige PTT-locatie);

IV. verklaart het beroep van [appellante sub 2] voor zover het betreft het bestemmingsplan "De Nieuwe Bierkaai, eerste herziening", en het beroep van de stichting Stichting Bescherming Stadsgezicht Hulst voor het overige, ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Hulst tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) voor [appellante sub 1], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. € 102,95 (zegge: honderdtwee euro en vijfennegentig cent) voor de stichting Stichting Bescherming Stadsgezicht Hulst;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Hulst aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor [appellante sub 1];

b. € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de stichting Stichting Bescherming Stadsgezicht Hulst.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011

59-612.