Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-01-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
201010630/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1], Noord-Scharwoude" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010630/2/R1.

Datum uitspraak: 28 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Langedijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1], Noord-Scharwoude" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2010, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 januari 2011, waar [verzoekers], bijgestaan door mr. A.A. Aartse Tuijn, advocaat te Alkmaar, en de raad, vertegenwoordigd door M. Klazema, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is daar gehoord [belanghebbende], exploitant van [rijwielhandel], bijgestaan door P.R. Kok, werkzaam bij Pantheum Juridisch Advies Bouwzaken.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet voor [rijwielhandel] onder meer in de mogelijkheid om de bebouwing op het perceel [locatie 1] uit te breiden. [verzoekers] wonen op het naastgelegen perceel [locatie 2].

2.3. Ter zitting hebben [verzoekers] gesteld dat het verzoek zich niet richt tegen de in artikel 3, vijfde lid, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid, maar tegen de bestemmingsregeling die het bestemmingsplan bij recht mogelijk maakt. Zij beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan te voorkomen.

2.4. [verzoekers] betogen dat de uitbreiding van de bebouwing op het westelijke deel van het perceel [locatie 1] een aantasting vormt van hun woon- en leefklimaat. Het bestemmingsplan leidt tot een beperking van licht en uitzicht, een verhoogde kans op de schending van privacy en een verlies aan zonuren in de tuin en op de achtergevel.

In de door de raad gemaakte bezonningsdiagrammen ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de afname van de bezonning op het perceel [locatie 2] leidt tot een zodanige aantasting van het woongenot dat daaraan doorslaggevende betekenis had moeten worden toegekend. Dit geldt eveneens voor de afweging ten aanzien van het gestelde verlies aan privacy. De voorzitter neemt hierbij mede in aanmerking dat het bestemmingsplan weliswaar voorziet in een maximale bouwhoogte van 7 meter, maar dat thans ook bebouwing met een maximale bouwhoogte van 5 meter is toegestaan op het westelijk deel van het perceel. Voorts hebben [verzoekers] niet voldoende gemotiveerd onderbouwd op welke wijze zij overigens hinder zullen ondervinden van de activiteiten van [rijwielhandel] en is de stelling van [verzoekers] dat het bestemmingsplan bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 2 mogelijk maakt onjuist, nu in het bestemmingsplan de bestemming "Detailhandel" is toegekend aan het perceel. Ten aanzien van het betoog van [verzoekers] dat de bovenwoning op het perceel [locatie 1] niet kan worden aangemerkt als een bedrijfswoning, overweegt de voorzitter dat [rijwielhandel] ter zitting heeft aangegeven dat de bedrijfswoning ter plaatse noodzakelijk is omdat de fietsenhandel inbraakgevoelig is.

Gelet op het voorgaande hebben [verzoekers] op voorhand niet aannemelijk dat het bestemmingsplan zal leiden tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

2.5. [verzoekers] betogen dat de ruimtelijke onderbouwing voor het bestemmingsplan ontbreekt en dat geen noodzaak bestaat om de bebouwing van de rijwielhandel uit te breiden.

In de plantoelichting staat dat bedrijfsverplaatsing niet wenselijk is, gezien de bekendheid van het bedrijf op deze locatie en de afhankelijkheid van regionale bekendheid. Daarnaast is ter zitting gebleken dat [rijwielhandel] een deel van de fietsen thans buiten moet stallen, nu er niet voldoende opslagcapaciteit aanwezig is op het perceel [locatie 1]. Voorts heeft [rijwielhandel] ter zitting onweersproken gesteld dat om te kunnen blijven voortbestaan, zijn collectie fietsen zal moeten worden uitgebreid. Gelet op het voorgaande is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter de noodzaak voor [rijwielhandel] om uit te breiden aanwezig en is het bestemmingsplan voorzien van een ruimtelijke onderbouwing.

2.6. Met betrekking tot het betoog van [verzoekers] omtrent de verstoring van de parkeerbalans, overweegt de voorzitter dat [verzoekers] vooralsnog niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan tot een zodanige verandering in het gebruik en de bebouwing zal leiden dat sprake zal zijn van een verstoring van de parkeerbalans. Voorts staat in de zienswijzennota dat uit een gehouden parkeeronderzoek blijkt dat in de huidige situatie voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Eventuele parkeeroverlast vindt plaats buiten de openingstijden van de rijwielhandel en is dus niet aan de winkel gerelateerd. [verzoekers] hebben dit niet bestreden.

2.7. Voor zover [verzoekers] betogen dat ontheffingen zijn verleend om het bestemmingsplan mogelijk te maken, overweegt de voorzitter dat [verzoekers] hier blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting doelen op in het bestemmingsplan aangebrachte wijzigingen ten opzichte van het thans geldende bestemmingsplan. In hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd ziet de voorzitter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle belangen andere bestemmingen en regels kan vaststellen.

2.8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2011

533-668.