Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2804

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
201004019/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2008 heeft de raad een vergoeding vastgesteld voor door [wederpartij] op basis van een toevoeging in een zaak verleende rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004019/1/H2.

Datum uitspraak: 2 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 maart 2010 in zaak nr. 08/3994 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2008 heeft de raad een vergoeding vastgesteld voor door [wederpartij] op basis van een toevoeging in een zaak verleende rechtsbijstand.

Bij besluit van 7 juli 2008 heeft de raad de vastgestelde vergoeding gewijzigd.

Bij besluit van 7 november 2008 heeft de raad het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2010, verzonden op 12 maart 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 november 2008 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2010, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2010, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Achefai, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 29, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt, indien op grond van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bezwaar of administratief beroep wordt ingesteld en de belanghebbende een verzoek om kostenvergoeding doet, een afschrift van het besluit tot toevoeging zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist dan wel het beroepsorgaan op het beroep heeft beslist, overgelegd aan dat bestuurs- of beroepsorgaan.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, verstrekt de raad aan een rechtsbijstandverlener een subsidie, genoemd vergoeding, voor de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld met betrekking tot het bedrag van de vergoeding en de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

Ingevolge artikel 30 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000) kan het bureau, voor zover thans van belang, indien de vaststelling van de vergoeding onjuist was en de rechtsbijstandverlener dit wist of behoorde te weten, de vaststelling met terugwerkende kracht wijzigen of intrekken, tenzij vijf jaren zijn verstreken sedert de dag van de vaststelling.

Ingevolge artikel 32, derde lid, worden, indien de rechtsbijstandverlener blijkens zijn opgave aan het bureau recht heeft op betalingen van derden voor de kosten van verlening van rechtsbijstand, anders dan op de voet van artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) of van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb, deze bedragen tot ten hoogste het bedrag van de overeenkomstig dit besluit vastgestelde vergoeding op die vergoeding in mindering gebracht.

2.2. [wederpartij] heeft op basis van een toevoeging rechtsbijstand verleend in een zaak waarin zij namens haar cliënt bezwaar heeft gemaakt tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het bestuursorgaan). Het bestuursorgaan heeft bij besluiten op bezwaar van 28 februari 2008 proceskostenvergoedingen toegekend van € 644,00 en € 322,00.

2.2.1. Bij besluit van 29 mei 2008 heeft de raad voor [wederpartij] een vergoeding van € 1.192,87 vastgesteld. De raad heeft bij de berekening van deze vergoeding de door het bestuursorgaan toegekende proceskostenvergoeding ten bedrage van € 322,00 in mindering gebracht op het bedrag van € 1.514,87 dat als vergoeding voor verleende rechtsbijstand is vastgesteld.

Bij besluit van 7 juli 1008 heeft de raad de vastgestelde vergoeding gewijzigd en verlaagd vastgesteld op € 548,87. De raad heeft bij de berekening van de vergoeding niet alleen de door het bestuursorgaan toegekende proceskostenvergoeding ten bedrage van € 322,00, maar ook de proceskostenvergoeding ten bedrage van € 644,00 in mindering gebracht op het bedrag dat als vergoeding voor verleende rechtsbijstand is vastgesteld.

Bij besluit van 7 november 2008 heeft de raad het door [wederpartij] tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De raad stelt zich op het standpunt dat [wederpartij] niet heeft voldaan aan de in artikel 29, derde lid, van de Wrb neergelegde verplichting om een afschrift van het besluit tot toevoeging aan het bestuursorgaan over te leggen, zodat de door het bestuursorgaan toegekende proceskostenvergoedingen in mindering mochten worden gebracht op het bedrag dat als vergoeding voor verleende rechtsbijstand is vastgesteld.

2.2.2. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd omdat uit artikel 29 van de Wrb noch uit de geschiedenis van de totstandkoming ervan kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om het niet tijdig overleggen van een afschrift van het besluit tot toevoeging aan het bestuursorgaan te sanctioneren door de door het bestuursorgaan toegekende proceskostenvergoeding in mindering te brengen op het bedrag dat als vergoeding voor verleende rechtsbijstand is vastgesteld.

2.3. De raad voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 29, derde lid, van de Wrb een subsidieverplichting behelst, bij niet-naleving waarvan de raad ingevolge artikel 4:48, eerste lid, onder b, van de Awb de door het bestuursorgaan toegekende proceskostenvergoeding in mindering mag brengen op het bedrag dat als vergoeding voor verleende rechtsbijstand is vastgesteld.

2.3.1. De verstrekking van een vergoeding aan een rechtsbijstandverlener voor door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand behelst subsidie als bedoeld in artikel 4:21 van de Awb. De in artikel 29, derde lid, van de Wrb neergelegde verplichting om een afschrift van het besluit tot toevoeging aan het bestuursorgaan over te leggen, behelst een verplichting als bedoeld in artikel 4:38, tweede lid, van de Awb.

In de Nota van wijziging van de Wet op de rechtsbijstand (TK 2001-2002, 27 553, nr. 6, blz. 3) staat ter toelichting op artikel 29 van de Wrb vermeld dat de advocaat het bestuursorgaan informeert over het verlenen van rechtsbijstand op toevoegingsbasis, zodat het bestuursorgaan weet dat de proceskostenvergoeding aan de advocaat moet worden betaald. Daarbij wordt voor het moment waarop de advocaat het bestuursorgaan een afschrift van de toevoeging moet overleggen aangesloten bij de bestaande regeling. Dit houdt in dat de advocaat zo snel mogelijk, doch in ieder geval voordat op het bezwaar of beroep is beslist, van de toevoeging melding moet maken, zodat het bestuursorgaan daarmee tijdig rekening kan houden bij de uitbetaling van de kosten dan wel het beroepsorgaan in staat wordt gesteld vast te stellen dat aan de advocaat moet worden betaald.

Niet in geschil is dat [wederpartij] niet heeft voldaan aan de in artikel 29, derde lid, van de Wrb neergelegde subsidieverplichting. De raad heeft in redelijkheid gebruik mogen maken van de in artikel 4:48, eerste lid, onder b, van de Awb neergelegde bevoegdheid om de subsidie ten nadele van [wederpartij] te wijzigen en aldus de door het bestuursorgaan toegekende proceskostenvergoeding in mindering te brengen op het bedrag dat als vergoeding voor rechtsbijstand is vastgesteld. Een andersluidende opvatting zou betekenen dat een rechtsbijstandverlener door het niet voldoen aan deze subsidieverplichting kan bewerkstelligen dat het bestuursorgaan de proceskostenvergoeding ten onrechte aan de rechtzoekende toekent, de raad deze proceskostenvergoeding niet ingevolge artikel 32, derde lid, van het Bvr 2000 in mindering kan brengen op het bedrag dat als vergoeding voor verleende rechtsbijstand is vastgesteld, en derhalve zowel de rechtsbijstandverlener als de rechtzoekende een vergoeding ontvangen voor dezelfde door de advocaat ten behoeve van de cliënt gemaakte proceskosten. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. Hetgeen de raad overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.

2.4.1. Hetgeen [wederpartij] in beroep heeft aangevoerd met betrekking tot het ontbreken van een wettelijke basis voor het in mindering brengen van de door het bestuursorgaan toegekende proceskostenvergoeding, faalt, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1. is overwogen.

2.4.2. Anders dan [wederpartij] voorts heeft aangevoerd, heeft de raad terecht de vastgestelde vergoeding gewijzigd door, in plaats van een bedrag van € 322,00, een bedrag € 966,00 als proceskostenvergoeding in mindering te brengen op het bedrag dat als vergoeding voor verleende rechtsbijstand is vastgesteld. De raad was bevoegd om de vastgestelde vergoeding ingevolge artikel 30 van het Bvr 2000 te wijzigen, omdat het bedrag van € 322,00 dat aanvankelijk als proceskostenvergoeding in mindering was gebracht, onjuist was en [wederpartij] dit wist of behoorde te weten.

2.5. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 november 2008 ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 maart 2010 in zaak nr. 08/3994;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Larsson-van Reijsen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011

344.