Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2794

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
200910224/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het college besloten aan de raad van de gemeente Waalre een aanwijzing te geven ertoe strekkende dat het agrarisch bouwblok voor het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Waalre, sectie C, nr. 998 (wre 02 c 998), geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied, tweede partiële herziening", zoals dat door de raad bij besluit van 29 september 2009 is vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Wet ruimtelijke ordening 4.1
Wet ruimtelijke ordening 4.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2011-02-14
AB 2011/81 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
BR 2011/72 met annotatie van Kluwer
TBR 2011/62 met annotatie van A.A.J. de Gier
JOM 2011/561
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910224/1/R3.

Datum uitspraak: 2 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Waalre,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het college besloten aan de raad van de gemeente Waalre een aanwijzing te geven ertoe strekkende dat het agrarisch bouwblok voor het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Waalre, sectie C, nr. 998 (wre 02 c 998), geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied, tweede partiële herziening", zoals dat door de raad bij besluit van 29 september 2009 is vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de raad en B. de Nooijer en anderen, belanghebbenden, schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2010, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J.D.F. Verboom, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Foederer-Roels, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" met de aanduidingen "tuinbouwbedrijf (t)" en "bouwvlak" ten behoeve van de bestaande boomkwekerij op het voornoemde perceel.

2.2. Ingevolge artikel 3.8, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, wordt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zes weken na de vaststelling bekendgemaakt, indien door het college een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen of indien de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van een zienswijze van het college.

Ingevolge het zesde lid, eerste volzin, kan het college, indien aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden is voldaan, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, binnen de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan aan de raad een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld.

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, voor zover hier van belang, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en de daarbij behorende toelichting, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, kan het college aan de raad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

2.3. Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat het toekennen van het bouwvlak voor de uitbreiding van de illegaal gebouwde veldschuur tot 100 m², de nieuwvestiging van een agrarisch bouwblok betreft, hetgeen in strijd is met het provinciaal beleid in de Paraplunota ruimtelijke ordening (hierna: Paraplunota). Bij de afweging of het plan voldoende rekening houdt met de in geding zijnde provinciale belangen, heeft het college tevens de destijds geldende Interimstructuurvisie Noord Brabant, Brabant in Ontwikkeling (hierna: Interimstructuurvisie) en de Verordening Ruimte betrokken, waarvan de vaststelling van de eerste en tweede fase in maart 2010 onderscheidenlijk juni 2010 was voorgenomen.

2.4. [appellant] betoogt dat het college met het geven van de reactieve aanwijzing in strijd handelt met het systeem van de Wro, op basis waarvan het gemeentebestuur leidend is geworden in de bestemmingsplanprocedure. In dit verband wijst hij erop dat de raad naar aanleiding van een amendement unaniem heeft besloten tot het toekennen van het bouwvlak.

Voorts betoogt hij dat het college ten onrechte geen motivering van het provinciaal belang heeft gegeven die is toegesneden op de onderhavige situatie. De vrees voor precedentwerking is volgens hem ongegrond, nu er geen vergelijkbare gevallen zijn en de raad de noodzaak van het bouwvlak in dit geval heeft erkend. Nu het toekennen van het bouwvlak niet van invloed is op situaties buiten de gemeente, kan volgens [appellant] deze ontwikkeling op provinciaal niveau niet van belang worden geacht.

Verder brengt [appellant] naar voren dat het gebruik voor de boomkwekerij reeds 26 jaar plaatsvindt en dat dit gebruik als zodanig is bestemd. Volgens hem is het college er ten onrechte aan voorbijgegaan dat in het vigerende "Uitbreidingsplan in hoofdzaken; herziening 1963" een vrijstellingsmogelijkheid is opgenomen voor de bouw van een loods. Daarnaast voert hij aan dat dringend behoefte bestaat aan vervanging en uitbreiding van de veldschuur, omdat het ontbreken van een geschikte ruimte de bedrijfsvoering en de noodzakelijke modernisering belemmert.

Ten slotte stelt [appellant] dat een loods met een omvang van 100 m² geen gevolgen voor de natuur heeft.

2.5. Volgens §4.2.2 van de Interimstructuurvisie was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit hoofdlijn van beleid ten aanzien van het landelijk gebied dat wordt gestreefd naar het zuinig omgaan met de beschikbare ruimte en het daarmee tegengaan van verdere verstening. Overal in de provincie komen (voormalige) agrarische bouwblokken voor. Centraal staat het agrarisch hergebruik van vrijkomende bouwblokken boven het toestaan van nieuwe agrarische bouwblokken, aldus de Interimstructuurvisie.

De nadere concretisering van het beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit neergelegd in de Paraplunota. Volgens §4.7.1 van de Paraplunota is nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf in de Groene Hoofdstructuur (hierna: GHS) uitgesloten en in de Agrarische Hoofdstructuur (hierna: AHS)-landbouw uitsluitend toegestaan voor verplaatsing van agrarische bedrijven, indien met de verplaatsing een algemeen belang gediend is en mits door middel van onderzoek is aangetoond dat binnen een straal van 10 km van de bestaande locatie geen reële mogelijkheid bestaat om het bedrijf te hervestigen op een bestaande of voormalige agrarische bedrijfslocatie of op een niet-agrarische locatie, aldus de Paraplunota. Niet in geschil is dat deze situatie hier niet aan de orde is.

2.6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2005, nr. 200408882/1, volgt dat het "Uitbreidingsplan in hoofdzaken; herziening 1963" niet voorziet in rechtstreekse bouwmogelijkheden op het perceel. Niet in geschil is dat de bestaande veldschuur zonder de daartoe vereiste bouwvergunning is opgericht. Ten aanzien van de op de veldschuur betrekking hebbende aanschrijving onder aanzegging van bestuursdwang heeft de Afdeling in de door [appellant] aangehaalde uitspraak van 4 augustus 1998, nr. H01.97.0408, voor zover hier van belang, uitsluitend overwogen dat het college van burgemeester en wethouders onvoldoende heeft onderzocht of gebruik kon worden gemaakt van de vrijstellingsmogelijkheid in het uitbreidingsplan. Dit omdat het ten onrechte had beoordeeld of het een volwaardig agrarisch bedrijf betreft, hetgeen niet is als voorwaarde voor toepassing van de vrijstellingsmogelijkheid was bepaald. De bedoelde vrijstelling is echter nooit verleend. Het college heeft zich derhalve met juistheid op het standpunt gesteld dat het plan voorziet in de nieuwvestiging van een agrarisch bouwblok, in strijd met het destijds geldende provinciale beleid als neergelegd in de Interimstructuurvisie en de Paraplunota.

2.7. Gelet op het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, en artikel 4.2, eerste lid, van de Wro en onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wro wat betreft het begrip 'provinciale belangen', zoals uiteengezet in de uitspraak van 20 oktober 2010, nr. <a target="_blank" href="http://200910210/1/R1">200910210/1/R1</a>, ziet de Afdeling niet in dat het provinciebestuur zich niet in redelijkheid het belang van zuinig ruimtegebruik in het buitengebied en daarmee het belang van het voorkomen van een inbreuk op de kwaliteit van het buitengebied in de provincie Noord-Brabant als provinciaal belang heeft kunnen aantrekken. Hierbij acht de Afdeling van belang dat het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik en de hieruit voortvloeiende beleidslijn dat nieuwe agrarische bouwblokken in de GHS en de AHS-landbouw (in beginsel) zijn uitgesloten, onderdeel uitmaken van bestendig beleid dat in ieder geval sinds de inwerkingtreding van het Streekplan Brabant in Balans in 2002 door het provinciebestuur ongewijzigd wordt voorgestaan. Deze beleidslijn is voortgezet in de Interimstructuurvisie en de Paraplunota en is inmiddels omgezet in algemene regels in de Verordening Ruimte.

Nu niet was uitgesloten dat, zolang de Verordening Ruimte nog niet in werking was getreden, in afwijking van deze verordening en het provinciale beleid nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing kon worden opgericht, heeft het college, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro en onder verwijzing naar de voornoemde parlementaire geschiedenis inzake de totstandkoming van de Wro, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan.

2.8. De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellant] aldus dat het college voor zijn geval een uitzondering had kunnen en moeten maken. Daarvoor kan echter op zichzelf geen rechtvaardiging worden gevonden in het feit dat het gebruik van het perceel als boomkwekerij ter plaatse reeds jaren plaatsvindt en dat dit gebruik op basis van het uitbreidingsplan was toegelaten, nu daarin geen rechtstreekse bouwmogelijkheden waren opgenomen. Dat in het uitbreidingsplan een vrijstellingsmogelijkheid voor de bouw van een loods van 300 m² was opgenomen, brengt voorts niet mee dat dergelijke bouwwerken ter plaatse ook thans nog in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kunnen worden geacht, te meer omdat het uitbreidingsplan, gezien de leeftijd ervan, niet zonder meer representatief kan worden geacht voor de heersende planologische inzichten.

Voorts heeft het college in redelijkheid geen gewicht behoeven toe te kennen aan de omstandigheid dat het provinciaal beleid ook is gericht op het stimuleren van biologische landbouw die [appellant] voorstaat, noch zijn stelling dat het plan geen gevolgen heeft voor de natuurwaarden in de omgeving. Ter zitting heeft het college onweersproken gesteld dat het beleid ten aanzien van biologische landbouw niet van toepassing is op de situatie van [appellant]. Voorts zijn de gevolgen voor de natuurwaarden in de omgeving geen relevante factoren in het kader van het in geding zijnde beleid, dat immers primair is gericht op zuinig ruimtegebruik in het buitengebied.

Los van het voorgaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat vervanging en uitbreiding van de bestaande veldschuur noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering, waarbij de Afdeling mede betrekt dat hij ter zitting heeft erkend dat zijn boomkwekerij geen volwaardig agrarisch bedrijf betreft.

2.9. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van de reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011

516.