Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2792

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
200909324/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2009 heeft de deelraad het bestemmingsplan "Uitbreiding kerkgebouw Hoek van Holland" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200909324/1/R1.

Datum uitspraak: 2 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1],

2. [appellant sub 2],

3. [appellant sub 3],

4. [appellant sub 4],

allen wonend te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,

en

de raad van de deelgemeente Hoek van Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2009 heeft de deelraad het bestemmingsplan "Uitbreiding kerkgebouw Hoek van Holland" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2009, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2009, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 9 december 2010.

De deelraad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 4] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de Protestantse gemeente Hoek van Holland een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 2010, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. W. Kattouw, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, [appellant sub 2], in persoon, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. J.J. Slump, advocaat te Rotterdam, [appellant sub 4], bijgestaan door mr. J.M.S. Salomons, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de deelraad, vertegenwoordigd door mr. V. Wiegman, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen. Voorts is daar de Protestantse gemeente Hoek van Holland, vertegenwoordigd door prof. G.J. van der Ziel, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan maakt een verandering en vergroting van de Dorpskerk aan de Prins Hendrikstraat 191 te Hoek van Holland mogelijk. Hiertoe is aan het hele plangebied de bestemming "Maatschappelijk (M)" toegekend.

Formele bezwaren

2.2. [appellant sub 3] betwist de bevoegdheid van deelraad om het besluit te nemen, nu naar zijn zeggen een specifieke wettelijke grondslag voor delegatie ontbreekt.

2.2.1. Anders dan [appellant sub 3] stelt is hier geen toepassing gegeven aan de bevoegdheid neergelegd in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), maar aan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro.

Ingevolge artikel 3.1 van de Wro is de gemeenteraad bevoegd tot het vaststellen van bestemmingsplannen. Ingevolge artikel 10:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan delegatie slechts geschieden indien in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Ingevolge artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad aan het college, een door hem ingestelde bestuurscommissie en een deelraad bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

Ingevolge de ten tijde van belang geldende Deelgemeenteverordening 2002 en de bijbehorende Lijst van Bevoegdheden, zoals nadien gewijzigd bij besluit van de gemeenteraad van 6 november 2008, is de in artikel 3.1 van de Wro neergelegde bevoegdheid overgedragen aan de deelraad, voor zover gebruikmaking van die bevoegdheid nodig is ten behoeve van de realisatie van een binnen één bouwaanvraag passend project. Van een dergelijk project is hier sprake. Voorts verzet de aard van de bevoegdheid zich niet tegen delegatie. Het betoog faalt.

2.3. [appellanten sub 1] betogen dat er ten onrechte geen inspraak heeft plaatsgevonden ten behoeve van het plan.

2.3.1. Ingevolge de Wro vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Nu het bieden van inspraak geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro geregelde procedure kan, indien in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet de mogelijkheid of verplichting is opgenomen inspraak te bieden, het al dan niet schenden van deze verplichting geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en de daaruit voortvloeiende besluiten met zich brengen. Het betoog faalt.

2.4. [appellant sub 2] betoogt dat zijn zienswijze ten onrechte niet is opgenomen in de zienswijzenrapportage.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat dit betoog moet worden opgevat als een betoog tegen de wijze waarop de deelraad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld, en dat deze handelwijze in strijd zou zijn met artikel 3:46 van de Awb.

De deelraad heeft de brief van [appellant sub 2] van 30 juni 2009 opgevat als zienswijze. In deze brief is tevens verwezen naar de brief van 7 juni 2009. Hoewel de deelraad deze brief niet expliciet heeft vermeld in de zienswijzenrapportage, heeft hij voor beantwoording van de daarin vermelde bezwaren verwezen naar de beantwoording van een gelijkluidende zienswijze. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich hier niet tegen. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

2.5. Voor zover [appellant sub 3] er op wijst dat het plan ten tijde van het indienen van zijn beroepschrift nog niet ter inzage was gelegd bij de Stadswinkel Hoek van Holland, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit. Reeds om die reden kan de rechtmatigheid van het besluit hierdoor niet worden aangetast. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Inhoudelijke bezwaren

2.6. Het beroep van [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] is gericht tegen het plan.

Noodzaak

2.7. [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat de noodzaak tot uitbreiding ontbreekt. In dit kader voeren zij aan dat de Dorpskerk reeds jaren geleden samen is gegaan met de Pleinkerk vanwege een afnemend ledenaantal en dat sindsdien afwisselend in beide kerken dienst wordt gehouden. Hierbij is niet van ruimtegebrek gebleken. Nu het ledental nog steeds daalt zien zij derhalve geen behoefte aan uitbreiding.

Voorts betogen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] dat reeds in 1981 een uitbreiding heeft plaatsgevonden en dat toen is toegezegd dat geen verdere uitbreiding van het bouwblok zou worden toegestaan. [appellant sub 2] betoogt tevens dat in het plan staat dat de uitbreiding maximaal 200 m² zal bedragen, terwijl naar kerkleden toe wordt gesproken over minimaal 400 m².

[appellant sub 3] voert aan dat de deelraad onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de voorgenomen uitbreiding in het rijksbeleid past en waarom de voorgenomen uitbreiding van het gebouw ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen niet in strijd is met het regionaal structuurplan Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam (RR2020), zoals de deelraad stelt.

2.7.1. De Protestantse gemeente was tot voor kort gevestigd in de Dorpskerk aan de Prins Hendrikstraat 191 en de Pleinkerk aan de Mahusstraat 170, beide te Hoek van Holland. Vanwege verminderd kerkbezoek en de financiële situatie is de Pleinkerk inmiddels afgestoten en worden de kerkelijke activiteiten geconcentreerd in de Dorpskerk.

Ter zitting is door de Protestantse gemeente aannemelijk gemaakt dat samenvoeging van de twee kerken een intensivering van het gebruik van de Dorpskerk tot gevolg heeft en daarmee de behoefte aan uitbreiding en vernieuwing van de bestaande ruimten is ontstaan. Gelet hierop heeft de deelraad zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene verandering ter plaatse in een behoefte voorziet.

Over het betoog van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden nu ondanks een eerdere toezegging toch uitbreiding toegestaan wordt, wordt overwogen dat [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de deelraad verwachtingen zijn gewekt dat het plan niet in een uitbreiding zou voorzien. De deelraad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Dit betoog faalt. Voorts kan op grond van de verbeelding worden vastgesteld wat de oppervlakte is van de in het plan voorziene uitbreiding. Dat in de berichtgeving naar kerkleden toe een grotere oppervlakte wordt genoemd, doet daaraan niet af.

Hetgeen [appellant sub 3] aanvoert bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de voorgenomen ontwikkeling niet past binnen het rijksbeleid of in strijd is met het regionaal structuurplan RR2020. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de deelraad niet deze conclusie heeft kunnen trekken. Dit betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

2.8. [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellant sub 3] betogen dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de omwonenden, daar uitbreiding een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat met zich brengt in de vorm van aantasting van hun privacy en uitzicht, verminderde lichtinval en geluidsoverlast. De overlast zal in het bijzonder voor de familie [appellant sub 1 B] groot zijn, van wie de woning tegenover de voorziene ingang van het kerkgebouw ligt. [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 2] betogen verder dat ongemotiveerd is afgeweken van de aanbevolen richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure).

Ook vrezen [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellant sub 3] voor niet-kerkelijke activiteiten, gelet op de kosten van de uitbreiding, en daarmee voor toename van overlast. Zij achten de toezegging van de Protestantse gemeente dat deze activiteiten niet zullen plaatsvinden omdat daarvoor beroepspersoneel nodig is onvoldoende waarborg nu het plan dergelijke activiteiten naar hun mening niet uitsluit. [appellant sub 2] en [appellant sub 4] voeren in dit kader aan dat zij een maatschappelijke bestemming voor het plangebied te breed vinden.

2.8.1. In het plan is aan de in het geding zijnde gronden de bestemming "Maatschappelijk (M)" toegekend.

Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn de gronden daarmee bestemd voor maatschappelijke dienstverlening en aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeers- en groenvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge artikel 1.23 van de planregels wordt onder maatschappelijke dienstverlening verstaan het verlenen van diensten in medische, sociale, educatieve, culturele, religieuze en administratieve sfeer en andere vormen van dienstverlening, die een min of meer openbaar karakter hebben, met uitzondering van een seksinrichting.

Ingevolge artikel 1.18 van de planregels wordt onder dienstverlening verstaan het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting.

Op de verbeelding zijn meerdere maatvoeringsvlakken aangegeven met verschillende maximaal toegestane hoogtes.

De woningen van [appellant sub 1 A], [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellant sub 3] liggen aan de Midden-Scheepvaartstraat, op ongeveer 11 meter van het plangebied. De woning van [appellant sub 1 B] ligt aan de [locatie], tegenover de voorziene ingang van de kerk.

2.8.2. Binnen het maatvoeringsvlak dat grenst aan de gronden van [appellant sub 1 A], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] wordt in het plan bebouwing mogelijk gemaakt met een maximale goothoogte van 6,5 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter. Ter plaatse van dit maatvoeringsvlak (hierna: maatvoeringsvlak 1) bevindt zich thans het verenigingsgebouw Irene. Ter zitting is gebleken dat dit gebouw ter hoogte van het perceel van [appellant sub 4] ongeveer 10 meter hoog is en ter hoogte van het perceel [appellant sub 1 A] en deels van [appellant sub 4] ongeveer 3 meter hoog is. Dit laatste betreft een aanbouw. Op de verbeelding ligt het maatvoeringsvlak 2 meter buiten de bestaande zuidwest- en noordwestgevel van het gebouw.

Het plan voorziet voorts in de mogelijkheid tot opvulling van het thans nog onbebouwde middenterrein tussen de kerk en het verenigingsgebouw. Daartoe is een maatvoeringsvlak (hierna: maatvoeringsvlak 2) opgenomen met een maximale goot- en bouwhoogte van 6 meter. In het voorgaande plan was aan deze gronden de bestemming "Tuin" toegekend en gold een bebouwingsverbod.

Verder is op de overige gronden bebouwing met een maximale bouwhoogte van 3 meter toegestaan (hierna: maatvoeringsvlak 3). Op een deel van deze gronden staat een garage/berging.

2.8.3. Ten opzichte van de feitelijke situatie brengt het plan wat betreft de bouwmassa ter plaatse van maatvoeringsvlak 2 - met een maximale goot- en bouwhoogte van 6 meter - ten aanzien van de percelen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] geen grootschalige veranderingen met zich, daar de feitelijke bebouwing op dit moment reeds tot hun perceelsgrens reikt en deze blijkens de plantoelichting gehandhaafd zal worden, en dat aannemelijk is te achten dat bebouwing op het binnenterrein voor de woning van [appellant sub 4] grotendeels aan het zicht onttrokken wordt door het verenigingsgebouw. Ten aanzien van [appellant sub 3], [appellant sub 1 A] en [appellant sub 2] brengt dit plandeel wel een verandering met zich. De afstand van hun woningen tot dit plandeel is ongeveer 17 meter, thans bedraagt de afstand van hun woning tot de kerk 21 meter. Gelet op deze afstand, de toegestane bouwhoogte en de situering in het centrum van Hoek van Holland heeft de deelraad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouwmogelijkheden op dit plandeel weliswaar tot een aantasting van privacy, uitzicht en lichtinval zullen leiden, maar niet in onaanvaardbare mate. Het betoog faalt in zoverre.

Wat betreft maatvoeringsvlak 1 ter plaatse van het bestaande verenigingsgebouw, overweegt de Afdeling dat het plan hiermee een verhoging van de huidige aanbouw tot een goothoogte van 6,5 meter en bouwhoogte van 10 meter en een vergroting van het gebouw met 2 meter aan de zuidwest- en noordwestgevel toelaat. Het plan maakt hiermee meer mogelijk dan voor het huidige bouwplan noodzakelijk is. De deelraad heeft niet gemotiveerd waarom deze uitbreidingsmogelijkheden nodig zijn en evenmin aannemelijk gemaakt dat deze binnen de planperiode zullen worden benut. Verruiming van de bouwmogelijkheden brengt naar het oordeel van de Afdeling voor de omwonenden echter wel aanzienlijke veranderingen met zich, gelet op de thans aanwezige bebouwing.

Wat betreft maatvoeringsvlak 3 met de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van 3 meter overweegt de Afdeling dat het plan in zoverre eveneens meer mogelijk maakt dan voor het bouwplan nodig is. Hoewel deze uitbreidingsmogelijkheden geen grootschalige veranderingen voor de omwonenden met zich brengen, gelet op de reeds aanwezige bebouwing op de percelen in de vorm van schuurtjes en/of garages, heeft de deelraad op dit punt echter niet gemotiveerd waarom deze uitbreidingsmogelijkheden nodig zijn en evenmin aannemelijk gemaakt dat deze binnen de planperiode zullen worden benut.

Gelet op het bovenstaande heeft de deelraad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voor zover dit uitbreidingsmogelijkheden ter plaatse van maatvoeringsvlak 1 en 3 betreft geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1 A], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] met zich brengt. Het betoog slaagt in zoverre. In de hierna volgende overwegingen gaat de Afdeling uit van de bouwmassa als nodig is voor het bouwplan.

2.8.4. Ten aanzien van mogelijke geluidsoverlast voor [appellant sub 1 B] overweegt de Afdeling dat het kerkgebouw thans reeds een ingang tegenover zijn woning heeft. De deelraad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat het plan op dit punt voor [appellant sub 1 B] grootschalige veranderingen met zich brengt.

Met betrekking tot de richtafstanden genoemd in de VNG-brochure overweegt de Afdeling het volgende. In de plantoelichting staat dat de aanbevolen richtafstand van 30 meter tussen een kerkgebouw en de omliggende woningen in dit geval weliswaar niet aangehouden wordt, maar dat de richtafstand niet relevant is nu de voorziene bebouwing nergens dichterbij omliggende woningen komt dan in de huidige situatie reeds het geval is. De raad heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat geen sprake is van verslechtering van de situatie. Gelet hierop mist het betoog dat de raad ongemotiveerd van deze richtafstand is afgeweken derhalve feitelijke grondslag. Voorts heeft de deelraad het niet aannemelijk hoeven te achten dat, gelet op de ligging van het plangebied in het centrum van Hoek van Holland, door de mogelijk gemaakte ontwikkeling ten behoeve van het kerkgebouw een onaanvaardbare geluidsoverlast zal ontstaan. De deelraad heeft zich tevens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het evenmin aannemelijk is dat door de in het plan toegestane afstanden ten opzichte van sommige woningen een toename of verandering van het gebruik als gevolg van de uitbreiding onaanvaardbare overlast met zich zal brengen voor de omwonenden.

Blijkens de planregels staat het plan ter plaatse naast religieuze ook het verlenen van andere diensten toe. Naar de deelraad in dit verband stelt, is een bestemming voor alleen religieuze doeleinden te beperkend. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk, nu onder het voorgaande plan naar aard een vergelijkbare bestemming gold. Voor zover [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] vrezen dat de beoogde uitbreiding zal worden gebruikt voor het organiseren van niet-kerkgerelateerde activiteiten, zoals disco's, bruiloftsfeesten en partijen, overweegt de Afdeling dat ingevolge de planregels slechts het verlenen van diensten is toegestaan. De genoemde activiteiten kunnen naar het oordeel van de Afdeling niet als zodanig worden aangemerkt. Het betoog faalt voor het overige.

Verkeer en parkeren

2.9. Voorts vrezen [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] voor verkeer- en parkeeroverlast als gevolg van de voorziene uitbreiding. In dit kader voeren zij aan dat ter plaatse reeds sprake is van verkeersdrukte en parkeeroverlast, en daar de ingang van de kerk voorzien is in de Nieuwe Schoolstraat, een klein straatje met eenrichtingsverkeer, vrezen zij door intensivering van verkeer een toename van de overlast. Zij wijzen in dit verband ook op toekomstige bouwplannen in de nabije omgeving.

Tevens stellen zij dat het plan niet voorziet in de extra parkeerbehoefte en daarmee niet aan de parkeernorm voldaan wordt, maar dat de benodigde plaatsen ook niet op het eigen terrein gerealiseerd kunnen worden. Hoewel in de plantoelichting staat dat de nieuwbouw niet tegelijk met het kerkgebouw zal worden gebruikt en daardoor geen extra parkeerruimte nodig is, biedt het plan de genoemde garantie niet, aldus [appellanten sub 1]. Voorts betwisten [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] dat op het Scheepvaartplein vijf parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd, zoals de deelraad stelt, nu ter plaatse woningen gerealiseerd worden en ook hiervoor parkeerplaatsen nodig zijn, maar hier nog geen vastgesteld bestemmingsplan voor bestaat.

2.9.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat in de nabijheid van het plangebied wordt voorzien in de vereiste vijf extra parkeerplaatsen.

2.9.2. Het plangebied is gelegen in het centrum van Hoek van Holland. Op grond van de Integrale bouwverordening Rotterdam (1993) is dit gebied aangemerkt als parkeerzone C. Voor een kerk is binnen deze zone een parkeercapaciteit van één parkeerplaats per 15 zitplaatsen vereist. Niet in geding is dat een uitbreiding van 150 m² vijf parkeerplaatsen extra vereist. Volgens de plantoelichting is deze ruimte niet op eigen terrein aanwezig.

2.9.3. Ter zitting heeft de deelraad te kennen gegeven dat de vijf parkeerplaatsen op het Scheepvaartplein die bedoeld waren voor de voorheen aldaar gevestigde school beschikbaar zullen komen ten behoeve van het kerkgebouw.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat in de nabije omgeving van het plangebied overigens onvoldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en staat in de plantoelichting dat verwacht wordt dat een groot deel van de bezoekers per fiets of te voet zal komen. Gelet hierop heeft de deelraad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat het plan zal leiden tot toename van verkeer- en parkeeroverlast. Het betoog faalt.

Groen

2.10. [appellanten sub 1] betogen dat groen verdwijnt tengevolge van het plan, terwijl in het rijksbeleid voor meer groen en open ruimte gepleit wordt. [appellant sub 4] betoogt in dit kader dat het verdwijnen van groen niet strookt met het beleidsstreven van de deelgemeente naar leefbaarheid en veiligheid.

2.10.1. [appellanten sub 1] hebben in hun beroepschrift, noch ter zitting, aannemelijk gemaakt om welk beleid het gaat. Het betoog faalt reeds hierom.

Vooringenomenheid

2.11. Tot slot betoogt [appellant sub 3] dat het plan niet zonder vooringenomenheid tot stand is gekomen, nu tegelijk met de bekendmaking en terinzagelegging van het ontwerpplan ook de aanvraag van een sloopvergunning ten behoeve van een kerk aan de Prins Hendrikstraat 191 bekend werd gemaakt, en deze vergunning reeds werd verleend voor het verlopen van de beroepstermijn.

[appellant sub 2] betoogt in dit kader dat twee leden van de deelraad persoonlijk belang hadden bij de vaststelling van het plan, daar zij als voorzitter van de kerkenraad en als lid van de bouwcommissie betrokken zijn bij de kerk.

2.11.1. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

Ingevolge het tweede lid waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

2.11.2. De enkele omstandigheid dat een sloopvergunning verleend is ten behoeve van de uitvoering van het plan, brengt niet met zich dat de deelraad op oneigenlijke wijze van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Voorts blijkt uit het verslag van de deelraadsvergadering van 15 oktober 2009, waar het plan is vastgesteld, dat twee leden niet hebben deelgenomen aan de stemming. Mogelijk zijn dit de personen waar [appellant sub 2] op doelt. Nader onderzoek kan op dit punt echter achterwege blijven, nu zeven deelraadsleden vóór vaststelling van het plan hebben gestemd en twee deelraadsleden tegen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de desbetreffende deelraadsleden - zelfs indien zou worden vastgesteld dat zij daadwerkelijk meegestemd hebben en dat zij persoonlijk belang hadden bij de planvaststelling - geen beslissende stem in de uitkomst hebben gehad. Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

2.12. [appellant sub 2] betwist de financiële uitvoerbaarheid van het plan, daar niet is aangetoond dat de kerk voldoende financiële middelen heeft voor de uitbreiding.

2.12.1. Ter zitting heeft de Protestantse gemeente desgevraagd verklaard dat het grootste deel van de bouwkosten vanuit eigen middelen wordt voldaan, onder meer afkomstig van de verkoop van de Pleinkerk, en dat voor het overige een overbruggingsfinanciering is afgesloten. Voorts is gebleken dat de bouw zich reeds in een zeer vergevorderd stadium bevindt, zodat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

Slotconclusie

2.13. In hetgeen [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de deelraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover dit meer uitbreidingsmogelijkheden biedt dan voor het bouwplan noodzakelijk is, zoals nader aangeduid op de bij de uitspraak behorende kaart, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De beroepen zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro te worden vernietigd.

In hetgeen [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor het overige strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.14. De deelraad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten [appellanten sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] te worden veroordeeld. Wat betreft [appellant sub 2] is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de deelgemeente Hoek van Holland van 15 oktober 2009, voor zover dit plan meer mogelijk maakt dan voor het bouwplan nodig is, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de deelgemeente Hoek van Holland tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot vergoeding van bij [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro);

V. gelast dat de raad van de deelgemeente Hoek van Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), voor [appellant sub 2], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 3] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) en voor [appellant sub 4] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011

270-667.

<HR>

plankaart