Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2786

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
201006420/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel (thans: Zuidplas) [appellant] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast vóór 1 maart 2010 een zonder vergunning gebouwde berging op het voorerf van het perceel [locatie 1] in Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: het perceel) af te breken en afgebroken te houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/67
JOM 2011/220
JOM 2011/228
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/3696
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006420/1/H1.

Datum uitspraak: 2 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 juni 2010 in zaak nrs. 10/3152 en 10/3112 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel (thans: Zuidplas) [appellant] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast vóór 1 maart 2010 een zonder vergunning gebouwde berging op het voorerf van het perceel [locatie 1] in Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: het perceel) af te breken en afgebroken te houden.

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juni 2010, verzonden op 16 juni 2010, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 juli 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.E. Junte en E.R.A. Franklin LLM, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het geschil betreft een fietsenberging aan de voorzijde van de woning, met een omvang van ongeveer 2 bij 0,70 meter en een hoogte van 2 meter, buitenwerks gemeten. De berging is met een stalen constructie bevestigd aan de muur van de woning op het perceel [locatie 2].

2.2. Niet in geschil is dat de berging is opgericht zonder een daartoe noodzakelijke bouwvergunning, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. Op de gronden waarop het bouwwerk is gerealiseerd rust ingevolge het bestemmingsplan "Zuidplaspolder" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Wonen" met de nadere aanduiding "tuin 2".

Onweersproken is dat het bouwwerk niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet bereid is vrijstelling te verlenen voor het bouwwerk, waarbij het in aanmerking heeft genomen dat het bouwwerk niet in overeenstemming is met het "beleid omtrent toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO" (hierna: vrijstellingenbeleid), nu de berging voor de voorgevel is opgericht en het ook overigens niet bereid is vrijstelling te verlenen.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat een concreet zicht op legalisering bestaat. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij heeft erkend dat het beroep op het in het bestemmingsplan vervatte overgangsrecht niet kan slagen. De berging was ingevolge het ten tijde van de bouw ervan geldende bestemmingsplan toegestaan, aldus [appellant].

Voorts voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college had moeten afwijken van het vrijstellingenbeleid.

2.4.1. Het betoog met betrekking tot het overgangsrecht faalt. Ook al zou worden aangenomen dat het in geding zijnde bouwwerk al voor de in de planvoorschriften opgenomen peildatum ter plaatse aanwezig was, dan nog kan met toepassing van het overgangsrecht geen bouwvergunning voor dat bouwwerk worden verleend. Dit is immers zonder bouwvergunning opgericht. Het overgangsrecht strekt, wat daar ook van zij, niet zover dat zonder bouwvergunning gebouwde bouwwerken daarmee (alsnog) kunnen worden gelegaliseerd. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 28 november 2007 in zaak nr. 200702722/1), bestaat in het algemeen geen concreet zicht op legalisatie, indien het college niet bereid is de daarvoor vereiste vrijstelling te verlenen. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel leiden. De omstandigheid dat [appellant] niet bereid is zijn fietsen in de achtertuin te plaatsen kan niet als een dergelijke omstandigheid worden aangemerkt. Ook de toezegging van twee medewerkers van de gemeente Nieuwerker aan den IJssel, thans gemeente Zuidplas, wat daar verder ook van zij en in aanmerking genomen dat [appellant] heeft erkend dat deze niet als een aan het college toe te rekenen en rechtens te honoreren toezegging in het kader van het vertrouwensbeginsel kan worden opgevat, leidt niet tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet bereid is vrijstelling te verlenen.

De rechtbank heeft derhalve terecht geen concreet zicht op legalisatie aangenomen. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat hem een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt. Bij diverse woningen aan de Schildmos zijn vergelijkbare bouwwerken aanwezig, waartegen het college niet handhavend optreedt, aldus [appellant].

2.5.1. Niet in geschil is dat sprake is van vergelijkbare gevallen, waarbij het college bevoegd is handhavend op te treden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juni 2008, in zaak nr. 200707396/1) vergt het gelijkheidsbeginsel een consistent en doordacht bestuursbeleid. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van zijn optreden in vergelijkbare gevallen.

Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat het met betrekking tot de vergelijkbare gevallen voornemens is handhavend op te treden, het hiertoe handhavingsbeleid zal vaststellen en dat ten aanzien van dit beleid een inventarisatie heeft plaatsgevonden.

Ter zitting is vast komen te staan dat het college handhaving ten aanzien van vergelijkbare bouwwerken thans slechts overweegt naar aanleiding van bij hem ingekomen verzoeken om handhaving en dat op dit moment hieromtrent nog steeds geen beleid is vastgesteld. Voorts is vast komen te staan dat het college nog in geen enkele van de vergelijkbare gevallen heeft besloten tot handhavend optreden of zelfs maar enige voorbereidingshandeling heeft verricht. Voorts is ter zitting gebleken dat onzeker is welke prioriteit aan deze gevallen gegeven zal worden in het nieuw op te stellen handhavingsbeleid en in hoeverre het college daadwerkelijk zal besluiten tot handhaving. Gelet hierop heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat het daadwerkelijk zal gaan handhaven in vergelijkbare gevallen. Het college heeft niet kunnen verduidelijken waarom het in het geval van [appellant] over is gegaan tot handhavend optreden en waarom daarvan in de overige gevallen wordt afgezien, zodat het college de stelling van [appellant] dat sprake is van een ongelijke behandeling onvoldoende heeft weerlegd. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 23 maart 2010 van het college alsnog gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 juni 2010 in zaak nrs. 10/3152 en 10/3112;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas van 23 maart 2010, kenmerk U10.002618;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011

357-627.