Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2777

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
201009330/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "ARDO" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009330/2/R3.

Datum uitspraak: 27 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Zundert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "ARDO" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2010, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 januari 2011, waar [verzoeker] en anderen, in de persoon van [verzoeker], en de raad, vertegenwoordigd door A.J.A. Nicia en M.O.W. Simons, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Ardo B.V. (hierna: Ardo), vertegenwoordigd door R.M. Teunissen en R.H. ten Cate, bijgestaan door mr. R.Th.J. van 't Zelfde, advocaat te Breda, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet voornamelijk in uitbreidingsmogelijkheden voor Ardo, producent en verpakker van vriesverse waren, op het perceel Industrieweg 9-11 te Zundert. Onderdeel daarvan zijn een nieuw vrieshuis met een goothoogte van 30 meter, een bouwhoogte van 35 meter en een oppervlakte van 6.500 m2, de verplaatsing van de waterzuivering en de ruimtereservering voor een nieuwe kantoorlocatie.

2.3. Ardo stelt dat [verzoeker] en anderen gelet op de afstand van hun woningen tot het plangebied en het ontbreken van rechtstreeks zicht op de in het plan voorziene bebouwing geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit.

2.3.1. De voorzitter verwacht dat de Afdeling in de bodemprocedure het beroep van [verzoeker] en anderen, voor zover dat is ingediend door [3 verzoekers], niet-ontvankelijk zal achten, nu gelet op de ruime afstand van hun woningen tot het plangebied twijfel bestaat of zij als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen worden aangemerkt. De voorzitter gaat daaraan thans echter voorbij nu de overige indieners van het beroep woonachtig zijn op circa 30 meter van het plangebied en zij ondanks de aanwezigheid van zeecontainers en bomen zicht kunnen hebben op het vrieshuis. Derhalve kunnen zij voorshands als belanghebbenden worden aangemerkt en zal naar het oordeel van de voorzitter in zoverre sprake zijn van een ontvankelijk beroep.

2.4. De raad en Ardo kunnen niet worden gevolgd in hun stelling dat een spoedeisend belang bij het verzoek ontbreekt nu Ardo heeft verklaard in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure geen aanvang te zullen maken met de bouw van het vrieshuis of andere bouwwerken. Vast staat immers dat voor de gewenste uitbreiding reeds een aanvraag om bouwvergunning eerste fase is ingediend. Indien het plan in werking treedt is dat het toetsingskader voor deze aanvraag. Het spoedeisend belang is reeds om die reden aanwezig, daargelaten dat Ardo ter zitting niet bereid bleek te zijn te verklaren dat de aanvraag om bouwvergunning tweede fase niet voor de uitspraak in de bodemprocedure zal worden ingediend. Dat Ardo nog niet alle gronden in eigendom heeft maakt het vorenstaande niet anders.

2.5. [verzoeker] en anderen stellen dat het plan in strijd is met provinciaal beleid voor grote bedrijfskavels in het landelijke gebied omdat geen deugdelijke locatieafweging is gemaakt. Bovendien verdraagt de ruimtereservering voor de kantoorlocatie zich volgens hen niet met het provinciale belang van zuinig ruimtegebruik.

2.5.1. Volgens het memo van de directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving van de provincie Noord-Brabant van 27 juli 2010 moet bij een uitbreiding van een bedrijf met meer dan 5000 m2 een regionale locatieafweging worden gemaakt en is deze afweging in het plan op een goede wijze gemaakt. Voorts is in dat memo aangegeven dat in het vastgestelde plan naast een maximum aan kantoorvolume regels worden gesteld waaraan de kantoorvoorziening moet voldoen. De conclusie in het memo is dat het plan voldoet aan de voorwaarden voor provinciale medewerking en dat provinciale belangen niet worden geschaad.

Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd is met het door [verzoeker] en anderen aangehaalde provinciale beleid.

2.6. [verzoeker] en anderen stellen dat het plan leidt tot een toename van zwaar verkeer en dat de tijdelijke ontsluiting van het bedrijfsperceel onveilig is, terwijl onzeker is of de permanente ontsluiting elders zal worden gerealiseerd.

2.6.1. Blijkens de zienswijzennota zal het plan juist leiden tot afname van verkeersbewegingen omdat alle activiteiten op het terrein worden geconcentreerd en geen gebruik meer hoeft te worden gemaakt van meerdere bedrijfslocaties, hetgeen leidt tot vermindering van de onderlinge transportbewegingen.

Gelet hierop acht de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen met de door [verzoeker] en anderen gestelde gevolgen voor de verkeersveiligheid. Voorts bevatten de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de permanente ontsluiting niet zal worden gerealiseerd.

2.7. [verzoeker] en anderen hebben hun stelling dat het plan leidt tot geluid-, geur- en wateroverlast, alsmede veiligheidsrisico's niet onderbouwd, zodat vooralsnog van de juistheid van de bij het plan behorende onderzoeken naar deze aspecten moet worden uitgegaan.

Ten aanzien van de door [verzoeker] en anderen gestelde aantasting van het aanzicht van het dorp en beekdal is in de zienswijzennota overwogen dat de nieuw te realiseren bebouwing zoveel mogelijk landschappelijk zal worden ingepast door onder andere grote bomen. Blijkens pagina 11 en 12 van de plantoelichting zijn in een overeenkomst met Ardo afspraken vastgelegd over de inrichting en het beheer van het gebied en zal het van die overeenkomst deel uitmakende ontwerp-beplantingsplan voor Ardo leidraad zijn voor de ontwikkeling en realisering van de deelgebieden. Daarnaast zal de hoogte en oppervlakte van de bebouwing gecompenseerd worden door natuurontwikkeling in de beekdalzone. Voorts is de afstand van de bedrijfsbebouwing tot de beek in het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan vergroot.

Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de sociaal-economische belangen bij de uitbreiding van Ardo zwaarder wegen dan de gevolgen van de nieuwbouw voor het uitzicht.

2.8. [verzoeker] en anderen maken bezwaar tegen de naar verwachting hoge kosten van het plan, waaronder de voorbereidingskosten, planschadekosten en kosten van infrastructuur. De ter inzage gegeven anterieure exploitatieovereenkomst biedt volgens hen onvoldoende inzicht in de financiƫle aspecten.

2.8.1. Blijkens de plantoelichting is het kostenverhaal verzekerd met de exploitatieovereenkomst. Ter zitting heeft Ardo toegelicht dat de opstelling van het plan en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken door haar zijn gefinancierd. Hoewel de nieuwe ontsluitingsweg niet is gelegen in het plangebied zal Ardo daaraan financieel bijdragen. Volgens de zienswijzennota is een planschaderisicoanalyse uitgevoerd. Ter zitting heeft Ardo aangegeven voor eventueel uit te keren planschadevergoedingen op grond van de exploitatieovereenkomst volledig garant te staan.

Gelet hierop bestaat geen grond voor de verwachting dat de door [verzoeker] en anderen genoemde kosten zodanig zullen zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan zijn gemoeid, dan wel dat het plan om die reden financieel niet uitvoerbaar zou zijn.

2.9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2011

429.