Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
201005920/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2009 heeft de burgemeester een aan [wederpartij] verleende vergunning voor de exploitatie van de [horeca-inrichting] (hierna: de inrichting), gevestigd aan de [locatie] te Rotterdam, voor de duur van zes maanden ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005920/1/H3.

Datum uitspraak: 2 februari 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2010 in zaken nrs. 10/1184 en 10/1200 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

de burgemeester.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2009 heeft de burgemeester een aan [wederpartij] verleende vergunning voor de exploitatie van de [horeca-inrichting] (hierna: de inrichting), gevestigd aan de [locatie] te Rotterdam, voor de duur van zes maanden ingetrokken.

Bij besluit van 31 maart 2010 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 maart 2010 vernietigd en het besluit van 2 december 2009 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 juli 2010.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 2010, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S. de Wit, advocaat te Rotterdam, en [wederpartij], bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008 (hierna: APV), voor zover thans van belang, kan de burgemeester de exploitatievergunning tijdelijk geheel intrekken indien naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting door de aanwezigheid van de openbare inrichting nadelig wordt beïnvloed.

Met het oog op de uitvoering van de aan de burgemeester ingevolge artikel 2.3.6 van de APV toekomende bevoegdheid en de handhaving van het horecabeleid, is in de door de gemeenteraad vastgestelde Horecanota Rotterdam 2007-2011 een zogenoemd handhavingsarrangement neergelegd. In dit handhavingsarrangement, dat de burgemeester pleegt toe te passen, wordt een schietincident als een zeer ernstig incident aangemerkt, dat bij een eerste plaatsvinden leidt tot intrekking van de exploitatievergunning voor de duur van drie, zes of twaalf maanden. Uitgangspunt is volgens het handhavingsarrangement dat een sluiting van een horeca-inrichting in beginsel geldt voor een periode van zes maanden.

2.2. Het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de burgemeester gebaseerd op artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a en f, van de APV. Aan dit besluit heeft hij het zienswijzegesprek, gehouden op 15 oktober 2009 en een rapportage van de Politie Rotterdam-Rijnmond van 17 juni 2009 (hierna: de politierapportage) en de daarbij gevoegde processen-verbaal ten grondslag gelegd. Uit de politierapportage volgt onder meer dat op 10 september 2009 in de directe nabijheid van de inrichting een schietincident heeft plaatsgevonden, waarna een persoon ter behandeling van zijn verwonding in het ziekenhuis is behandeld en dat [wederpartij] direct na dit schietincident de stoep voor de inrichting heeft schoongemaakt en op deze wijze bewust sporen heeft gewist. Voorts heeft de burgemeester laten meewegen dat in de korte tijd dat [wederpartij] de inrichting exploiteert, hij reeds een aantal schriftelijke waarschuwingen voor de wijze waarop hij de inrichting exploiteert, heeft ontvangen.

2.3. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de burgemeester in het onderhavige geval niet de bevoegdheid toekwam om de exploitatievergunning voor zes maanden in te trekken. Hiertoe heeft hij overwogen dat een voldoende aannemelijke relatie tussen het schietincident en de inrichting ontbreekt en [wederpartij] geen verwijt van het schietincident kan worden gemaakt. Volgens de voorzieningenrechter is niet aangetoond of gebleken dat het slachtoffer van het schietincident in verband met een ruzie met de drie verdachten naar buiten is gegaan om aldaar de ruzie voort te zetten. Voorts heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de burgemeester zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de eerdere overtredingen een rol hebben mogen spelen bij het opleggen van een bestuurlijke maatregel. Bij verlening van de exploitatievergunning in maart 2009 heeft de burgemeester immers deze overtredingen onvoldoende gevonden om tot een bestuurlijke maatregel over te gaan.

2.4. De burgemeester kan zich niet verenigen met het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij niet bevoegd was tot intrekking van de exploitatievergunning te besluiten. Hij betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat, gelet op het feit dat de vermoedelijke dader van het schietincident een bezoeker van de inrichting is, hij zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het geopend blijven van de inrichting een gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting. De burgemeester acht hierbij van belang dat [wederpartij] na het schietincident bewust sporen heeft gewist en voorts heeft nagelaten de politie te bellen. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter volgens de burgemeester in aanmerking genomen dat [wederpartij] geen verwijt van het schietincident kan worden gemaakt, nu uit de tekst van artikel 2.3.6 van de APV en de jurisprudentie volgt dat van verwijtbaarheid van de exploitant geen sprake hoeft te zijn om tot een maatregel over te gaan. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de burgemeester de reeds eerder gegeven schriftelijke waarschuwingen aan [wederpartij] niet heeft mogen betrekken in zijn besluitvorming. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat deze waarschuwingen meewegen in de besluitvorming over de op te leggen maatregel naar aanleiding van het bewuste schietincident.

2.5. Het oordeel van de voorzieningenrechter dat de burgemeester niet de bevoegdheid toekwam de aan [wederpartij] verleende exploitatievergunning op grond van artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a, van de APV in te trekken, deelt de Afdeling niet. Anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een samenhang bestaat tussen het schietincident en de inrichting. De burgemeester heeft hierbij belang mogen hechten aan de omstandigheid dat, zoals uit een proces-verbaal van verhoor van 6 oktober 2009 volgt, [wederpartij] heeft verklaard dat voorafgaand aan het schietincident een van de vermoedelijke daders de inrichting heeft bezocht en deze verdachte enkele dagen na het schietincident een bezoek heeft gebracht aan de inrichting en [wederpartij] heeft verzocht zijn tegenover de politie afgelegde verklaring in te trekken. Ook heeft de burgemeester van belang mogen achten dat volgens dat proces-verbaal en een proces-verbaal van aangifte van 10 september 2009 zowel deze vermoedelijke dader als het slachtoffer de inrichting vaker hebben bezocht. Voorts heeft de burgemeester hierbij mogen betrekken dat [wederpartij] het schietincident, nadat dit had plaatsgevonden, niet uit eigen beweging bij de politie heeft gemeld en, zoals [wederpartij] in het proces-verbaal van verhoor van 6 oktober 2009 heeft verklaard, hij bewust sporen van het incident heeft gewist. De omstandigheid dat het slachtoffer en de vermoedelijke dader niet in de inrichting ruzie hebben gehad en het slachtoffer wellicht een zogenoemd toevallig slachtoffer is geweest, wat daar ook van zij, laat onverlet dat het schietincident in de directe omgeving van de inrichting heeft plaatsgevonden en de burgemeester dit incident, gelet op vorengenoemde omstandigheden, in relatie met de inrichting heeft mogen brengen. Ten slotte betoogt de burgemeester terecht dat de al dan niet persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant geen rol speelt bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot intrekking van de exploitatievergunning noopt. De Afdeling verwijst voor dit standpunt naar haar uitspraken betreffende de sluiting van inrichtingen (bijvoorbeeld uitspraak van 6 januari 2010, in zaak nr. 200903500/1/H3).

Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich op 10 september 2009 een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a van de APV. Hetgeen de burgemeester heeft gesteld met betrekking tot de intrekkingsgrond als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder f, van de APV, behoeft reeds daarom geen bespreking.

2.5.1. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de burgemeester bevoegd was te besluiten tot intrekking van de exploitatievergunning. Hij heeft dat overeenkomstig het handhavingsarrangement voor de duur van zes maanden gedaan. De burgemeester heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat geen aanleiding bestond om af te zien van het opleggen van een bestuurlijke maatregel. Hierbij heeft de burgemeester de reeds eerder aan [wederpartij] gegeven schriftelijke waarschuwingen in aanmerking mogen nemen.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 31 maart 2010 van de burgemeester alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2010 in zaak nr. 10/1200;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011.

176-591.