Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2766

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
201005407/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van onderscheiden dwangsommen gelast dat hij voor 1 oktober 2009 een bosplantsoen herplant op de bij dit besluit nader aangeduide locatie, dat hij niet aangeslagen beplanting in dat plantsoen binnen één jaar na de plant vervangt en dat hij vóór 1 oktober 2009 de bij dit besluit nader aangeduide eikenstructuur beschermt door het aanbrengen van een afrastering op tenminste één meter van de stam van de bomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201005407/1/H2.

Datum uitspraak: 2 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 21 april 2010 in zaken nrs. 10/460 en 545 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van onderscheiden dwangsommen gelast dat hij voor 1 oktober 2009 een bosplantsoen herplant op de bij dit besluit nader aangeduide locatie, dat hij niet aangeslagen beplanting in dat plantsoen binnen één jaar na de plant vervangt en dat hij vóór 1 oktober 2009 de bij dit besluit nader aangeduide eikenstructuur beschermt door het aanbrengen van een afrastering op tenminste één meter van de stam van de bomen.

Bij besluit van 2 februari 2010 heeft het college beslist op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, in die zin dat het besluit van 31 juli 2009 onder aanvulling van de motivering is gehandhaafd.

Bij uitspraak van 21 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2010, waar [appellant], bijgestaan door jhr. mr. E.A.C. Sandberg, advocaat te Vorden, en het college, vertegenwoordigd door R.S. Willemsen en ing. I.W. IJsebrands, beiden werkzaam bij de gemeente Berkelland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening Berkelland 2006 is het verboden zonder vergunning van het college houtopstanden te vellen of te doen vellen.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, geldt dit verbod niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet, indien het betreft populieren en wilgen als wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Bomenverordening gemeente Berkelland 2008, die gold ten tijde van het primaire besluit van 31 juli 2009, is het verboden zonder vergunning van het college houtopstanden te vellen of te doen vellen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, geldt dit verbod niet voor bomen of houtopstanden staande op erven en tuinen gelegen buiten de bebouwde kom welke niet voorkomen op de door het college vastgestelde en in werking getreden bijzondere bomenlijst als bedoeld in artikel 2.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, geldt het verbod evenmin voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet, indien het betreft populieren en wilgen als wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot.

Ingevolge artikel 11, derde lid, kan het college, indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen een door het college te stellen termijn voorzieningen te treffen waardoor de bedreiging wordt weggenomen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Bomenverordening 2009, die gold ten tijde van het besluit op bezwaar van 2 februari 2010, is het verboden zonder vergunning van het college de in het tweede lid genoemde categorieën houtopstanden te (doen) vellen of te (laten) rooien.

Het tweede lid noemt de volgende categorieën:

a. een boom of houtopstand die voorkomt op de bijzondere bomenlijst als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

b. houtopstanden welke meldingsplichtig zijn op grond van de Boswet;

c. overige landschappelijke houtopstanden.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, geldt het verbod niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet, indien het betreft populieren en wilgen als wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot.

Ingevolge artikel 14, derde lid, kan het college, indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door het college te stellen termijn voorzieningen te treffen waardoor de bedreiging wordt weggenomen.

Op de genoemde punten stemmen de Bomenverordening 2009 en de Bomenverordening gemeente Berkelland 2008 dus overeen.

2.2. Het college heeft bij besluit van 31 juli 2009 [appellant] onder oplegging van dwangsommen gelast dat hij:

a. voor 1 oktober 2009 een bosplantsoen herplant op de bij dit besluit nader aangeduide locatie;

b. niet aangeslagen beplanting in dat bosplantsoen binnen één jaar na de plant vervangt; en

c. vóór 1 oktober 2009 de bij dit besluit nader aangeduide eikenstructuur beschermt door het aanbrengen van een afrastering op tenminste één meter van de stam van de bomen.

2.3. [appellant] heeft tevergeefs betoogd dat de kapvergunningplicht niet van toepassing is op de gekapte en bedreigde bomen waarop het besluit van 31 juli 2009 betrekking heeft en dat het college derhalve niet bevoegdheid was de lasten onder dwangsom op te leggen. De Afdeling overweegt dat uit artikel 2, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Bomenverordening Berkelland 2006 volgt dat op de in 2007 gekapte berken de kapvergunningplicht van toepassing was. Voorts zijn de bedreigde eiken ingevolge artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Bomenverordening gemeente Berkelland 2008 respectievelijk van de Bomenverordening 2009 eveneens vergunningplichtig. Het betoog slaagt derhalve niet.

2.4. Met betrekking tot onderdeel b van het besluit van 31 juli 2009 inzake de plicht tot vervanging van niet aangeslagen beplanting, waarover het besluit op bezwaar van 2 februari 2010 niet geheel duidelijk is, is namens het college ter zitting bevestigd dat het besluit op bezwaar zo moet worden begrepen dat dit onderdeel is herroepen.

2.5. Het college heeft aan het in bezwaar gehandhaafde onderdeel c van de last onder dwangsom, strekkende tot het aanbrengen van een afrastering ter bescherming van de eikenstructuur, ten grondslag gelegd dat negen eiken in hun voortbestaan bedreigd worden. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op het onderzoek van de bij de gemeente werkzame adviseur groen, natuur- en landschapsontwikkeling en op diens conclusie dat het dichttrappen door vee van de bodem tussen het wortelgestel niet alleen de noodzakelijke lucht uit de grond wordt getrapt maar ook aanwezige bacteriën en schimmels worden beschadigd, waardoor de symbiose wordt verstoord. Volgens deze deskundige worden de bomen ook bedreigd door het aanvreten van hun wortels en stammen. Daarnaast heeft het college G.J. Cruijssen, inspecteur en handhaver Boswet en Natuurbeschermingswet van de provincie Gelderland, om advies gevraagd. Hij onderschrijft de conclusie dat de bomen ernstig in hun voortbestaan worden bedreigd.

2.6. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten gezien om [appellant] te volgen in zijn betoog dat moet worden getwijfeld aan de deskundigheid van deze functionarissen en aan de juistheid en volledigheid van de verstrekte adviezen. Dat één van hen in dienst is van de gemeente, levert op zichzelf niet een dergelijk aanknopingspunt op, aldus de voorzieningenrechter, en [appellant] heeft ook geen deskundigenbericht overgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich dan ook in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voortbestaan van de eiken ernstig wordt bedreigd. Dat [appellant], naar hij ter zitting heeft gesteld, verschillende deskundigen heeft geraadpleegd en dat die hebben verklaard dat geen sprake is van een ernstige bedreiging, is zonder schriftelijke inbreng van die deskundigen, onvoldoende voor een ander oordeel, aldus de voorzieningenrechter.

2.7. [appellant] heeft in hoger beroep op 1 juni 2010 het rapport van ANDE(R)S Boomtechnisch Advies van 27 mei 2010 overgelegd. Anders dan het college meent, is de inbreng van dit stuk aanvaardbaar, aangezien het dient ter nadere toelichting van een tijdig voorgedragen beroepsgrond.

2.8. [appellant] betoogt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven aangezien in het door hem overgelegde rapport van ANDE(R)S Boomtechnisch Advies is geconcludeerd dat geen sprake is van een ernstige bedreiging van de negen eiken.

2.8.1. Het rapport van ANDE(R)S Boomtechnisch Advies is gebaseerd op een bezoek ter plaatse door H. Schoenmakers van dat bureau. Hij heeft geconcludeerd dat de eiken een redelijk goede conditie hebben. Koeien zullen rondom de bomen lopen en in de schaduw gaan liggen, hetgeen natuurlijk is. Aangezien de eiken geen grote nadelige invloed hebben ondervonden van de landweg inclusief het beschadigen van wortels door vroegere trekkers en machines, en eiken diep wortelen, zal de beweiding geen extra negatieve invloed op de bomen hebben en zeker niet op de korte tot middellange termijn (vijf tot vijftien jaar), aldus Schoenmakers. Hij komt tot de slotsom dat de vitaliteit onder de huidige omstandigheden - zonder afrastering in het weiland - voldoende is, te weten minimaal vijftien jaar, dat zij daarmee niet direct (binnen enkele tot tien jaar) in hun voortbestaan worden bedreigd.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat in het rapport van Schoenmakers de conclusie dat de beweiding geen extra negatieve invloed op de bomen zal hebben aangezien de landweg geen grote nadelige invloed heeft gehad op de bomen die diep wortelen, onvoldoende is gemotiveerd. Dat beweiding leidt tot een natuurlijke situatie, doet niet af aan de conclusie van het college dat de wortelaanzetten door het vee aantoonbaar zijn dan wel worden beschadigd en dat wonden een blijvende invalspoort zijn voor ziekten en aantastingen hetgeen een ernstige bedreiging is voor de conditie van de bomen. Voorts heeft het college met juistheid opgemerkt dat in het rapport van Schoenmakers is voorbijgegaan aan de verstoring dan wel verdichting van de toplaag van de grond door het vee en de aanwezigheid van fors dood hout in de boomkronen, wat kan duiden op problemen op de groeiplaats.

Gelet hierop kan het door [appellant] overgelegde rapport niet tot het oordeel leiden dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voortbestaan van de eiken ernstig wordt bedreigd.

2.9. Voor zover het hoger beroep ook is gericht tegen de aangevallen uitspraak over onderdeel a van de dwangsomaanschrijving inzake de herplant, moet worden vastgesteld dat [appellant] geen argumenten heeft ingebracht waarom het oordeel van de voorzieningenrechter daarover onjuist zou zijn, zodat het reeds daarom moet worden verworpen.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011

47-609.