Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2751

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
02-02-2011
Zaaknummer
201003903/1/H1 en 201003909/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2010:BL8505, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2008 (hierna: besluit A) heeft het college aan de Tubbergse Onderwijs Federatie vrijstelling van het bestemmingsplan "Geesteren en Alberen" (hierna: het bestemmingsplan) verleend voor het aanleggen van parkeerplaatsen op de hoek van de Kapittelhuisstraat en De Venmoat en aan De Hagen en het uitbreiden van basisschool Kadoes aan De Weer 11 te Albergen (hierna onderscheidenlijk: de school en het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003903/1/H1 en 201003909/1/H1.

Datum uitspraak: 2 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen (hierna: het college), appellant,

tegen de afzonderlijke uitspraken van de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) van 10 maart 2010 in de zaken nrs. 09/311; 09/325; 08/777; 08/832; 08/944; 08/945 en 08/946 in de gedingen tussen:

[wederpartij A], [wederpartij B], [wederpartij C], [wederpartij D], allen wonend te [woonplaats], gemeente Tubbergen, en de stichting Woningstichting Tubbergen, gevestigd te Tubbergen (hierna: de woningstichting),

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2008 (hierna: besluit A) heeft het college aan de Tubbergse Onderwijs Federatie vrijstelling van het bestemmingsplan "Geesteren en Alberen" (hierna: het bestemmingsplan) verleend voor het aanleggen van parkeerplaatsen op de hoek van de Kapittelhuisstraat en De Venmoat en aan De Hagen en het uitbreiden van basisschool Kadoes aan De Weer 11 te Albergen (hierna onderscheidenlijk: de school en het perceel).

Bij besluit van 2 juli 2008 (hierna: besluit B) heeft het haar bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vergroten van de school.

Bij besluit van 10 februari 2009 (besluit C) heeft het college, voor zover thans van belang, de door de woningstichting, [wederpartij A], [wederpartij D] en [wederpartij C] tegen die besluiten gemaakte bezwaren, voor zover daarbij vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor het uitbreiden van de school, ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 10 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door de woningstichting en [wederpartij A] tegen besluit C en de door de woningstichting, [wederpartij A], [wederpartij B], [wederpartij C] en [wederpartij D] tegen besluit A ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en het college opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraken is overwogen. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2010, hoger beroep ingesteld.

De woningstichting en [wederpartij A] hebben elk een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft het college opnieuw vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het aanleggen van parkeerplaatsen op de hoek van de Kapittelhuisstraat en De Venmoat en aan De Hagen.

Bij besluit van die dag heeft het voorts de door de woningstichting, [wederpartij A], [wederpartij D] en [wederpartij C] tegen de besluiten A en B gemaakte bezwaren, voor zover daarbij vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor het uitbreiden van de school, opnieuw ongegrond verklaard.

Bij brief van 4 augustus 2010 heeft [wederpartij B] beroepsgronden aangevoerd tegen het besluit van 20 juli 2010, waarbij het college vrijstelling voor het aanleggen van parkeerplaatsen heeft verleend.

Bij brief van 10 augustus 2010 heeft [wederpartij C] dat gedaan tegen het besluit van 20 juli 2010, waarbij het college vrijstelling voor het aanleggen van parkeerplaatsen heeft verleend.

Bij brief van 16 augustus 2010 heeft de woningstichting dat gedaan tegen de beide besluiten van 20 juli 2010.

Bij brief van 17 augustus 2010 heeft [wederpartij D] dat gedaan tegen het besluit van 20 juli 2010, waarbij het college vrijstelling voor het aanleggen van parkeerplaatsen heeft verleend.

De woningstichting heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 18 november 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S. Grendelman en ing. J. Beekman, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, de woningstichting, vertegenwoordigd door mr. E.W. Roessingh, advocaat te Hengelo, en [wederpartij C], bijgestaan door A.C. [wederpartij C], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De woningstichting betoogt dat het college geen belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep, nu het bij de besluiten van 20 juli 2010 met inachtneming van hetgeen in de door hem aangevallen uitspraken is overwogen nieuwe besluiten heeft genomen.

2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juni 2008 in zaak nr. 200707044/1), heeft een bestuursorgaan, indien de rechtbank een besluit van hem heeft vernietigd, in beginsel belang bij door hem ingesteld hoger beroep, indien het een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van hetgeen in de door hem aangevallen uitspraak is overwogen. Dat het college inmiddels op 20 juli 2010 nieuwe besluiten heeft genomen, leidt niet tot het oordeel dat het geen belang heeft bij de door hem ingestelde hoger beroepen, nu het daarmee kan bereiken dat met de vernietiging van de door hem aangevallen uitspraken aan deze besluiten de grondslag komt te ontvallen.

2.2. Tegen het gedeelte van besluit A waarbij vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend voor het vergroten van de school kon, tezamen met de voor de vergroting van de school bij besluit B verleende bouwvergunning, bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld.

Het onderdeel van besluit A, waarbij vrijstelling voor het aanleggen van parkeerplaatsen en de daarmee samenhangende herinrichting van de openbare ruimte is verleend, is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Daartegen kon beroep bij de rechtbank worden ingesteld.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Geesteren en Albergen" rusten op het perceel de bestemmingen "Maatschappelijke doeleinden" en "Groen" en rusten op de gronden waarop de beoogde parkeerplaatsen zijn voorzien, voor zover thans van belang, de bestemmingen "Wonen", "Groen" en "Tuin".

Ingevolge artikel 7.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de als "Maatschappelijke doeleinden" aangewezen gronden bestemd voor instellingen en voorzieningen op medisch, sociaal-cultureel, educatief of religieus gebied, dan wel op het gebied van openbaar bestuur met bijbehorende bouwwerken, voorzieningen waaronder om te parkeren en al dan niet bebouwde gronden.

Ingevolge artikel 7.2, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, is bouwen uitsluitend toegestaan ten dienste van die doeleinden en mogen gebouwen uitsluitend worden gebouwd binnen de bouwvlakken.

Ingevolge artikel 4.1, voor zover thans van belang, zijn de als "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden.

Ingevolge artikel 14.1, voor zover thans van belang, zijn de als "Groen" aangewezen gronden bestemd voor plantsoenen, groenstroken, en overige aanplanten.

Ingevolge artikel 6.1, voor zover thans van belang, zijn de als "Tuin" bestemde gronden aangewezen voor tuin met erf.

2.4. De beoogde uitbreiding van de school is in strijd met de bestemming "Groen" en artikel 7.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, nu de uitbreiding deels is voorzien buiten de op de plankaart weergegeven bouwvlakken. Verder is de beoogde aanleg van parkeerplaatsen in strijd met de bestemmingen "Wonen", "Groen" en "Tuin".

Om die uitbreiding en aanleg toch mogelijk te kunnen maken, heeft het college daarvan krachtens artikel 19, tweede lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

Ingevolge die bepaling kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen, onder welke omstandigheden vooraf een verklaring dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben vereist is. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing, aldus de bepaling.

2.5. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het de gevraagde vrijstellingen krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO, zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar mocht verlenen. Volgens hem valt de beoogde uitbreiding van de school en de aanleg van de parkeerplaatsen onder de door gedeputeerde staten van Overijssel in de nota "Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen" vastgestelde lijst van categorieën van gevallen (hierna: de lijst).

2.5.1. Dat betoog faalt. In de lijst is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld: "Verder moet een verklaring van geen bezwaar worden aangevraagd voor (nieuwbouw)projecten aan de rand van een kern, binnen nieuwe locaties in het landelijk gebied (uitbreidingslocaties) alsmede voor (nieuwbouw)projecten, behoudens een incidenteel woningbouwproject (een enkele woning) in alle in het streekplan vermelde kleine kernen."

Uit de plaatsing van het woord nieuwbouw tussen haakjes moet worden afgeleid dat een verklaring van geen bezwaar moet worden verkregen voor projecten die zijn beoogd in alle in het streekplan vermelde kleine kernen. Voor het betoog van het college dat de woorden die tussen haakjes zijn geplaatst de betekenis van het toegelichte woord beperken kan geen steun worden gevonden in de lijst.

Niet in geschil is dat de beoogde uitbreiding van de school en de aanleg van de parkeerplaatsen (hierna: de projecten) voorzien zijn in een kleine kern, vermeld in het streekplan "Overijssel 2000+". Voor het mogen verlenen van de gevraagde vrijstellingen krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO was daarom vooraf een verklaring van geen bezwaar vereist. Nu gedeputeerde staten van Overijssel geen zodanige verklaring hebben afgegeven, heeft de rechtbank terecht het college niet gerechtigd geacht om de gevraagde vrijstellingen te verlenen.

2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.7. De woningstichting betoogt dat de besluiten van 20 juli 2010 geen besluiten zijn, als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, zodat zij thans niet ter toets staan.

2.7.1. Dit betoog faalt. Indien hangende hoger beroep tegen de vernietiging van een besluit door het desbetreffende bestuursorgaan een nieuw besluit wordt genomen, waarmee het beoogt aan de uitspraak van de rechtbank uitvoering te geven, ontstaat ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19, gelezen in verbinding met artikel 6:24, van de Awb voor degene die beroep bij de rechtbank heeft ingesteld, doch geen hoger beroep, van rechtswege beroep tegen dit besluit. Dit geldt ook indien, zoals in dit geval, uitsluitend het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld. De Woningstichting, [wederpartij B], [wederpartij A], [wederpartij C] en [wederpartij D] worden daarom geacht beroep tegen de besluiten van 20 juli 2010 te hebben ingesteld. Dat beroep is thans aan de orde.

2.8. [wederpartij D] betoogt dat het college in strijd met artikel 3:45, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld door in het besluit van 2 juli 2008, voor zover daarbij vrijstelling voor de aanleg van parkeerplaatsen is verleend, te vermelden dat tegen dat besluit bezwaar kon worden gemaakt, terwijl tegen dat besluit, voor zover dat was voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, beroep open stond.

2.8.1. Dat betoog faalt. Het beroep betreft de besluiten van 20 juli 2010. Dat het besluit van 2 juli 2008, naar gesteld, een onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting bevat, kan niet tot gegrondverklaring van dat beroep leiden.

2.9. De woningstichting betoogt dat het college de besluitvorming omtrent de aanvraag om bouwvergunning van de Tubbergse Onderwijs Federatie ten onrechte in twee procedures heeft gesplitst en zij daardoor niet in de gelegenheid is geweest om tegen het besluit van 2 juli 2008, voor zover daarbij vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend voor de aanleg van parkeerplaatsen, bezwaar te maken. Volgens haar dient het college ten aanzien van het besluit van 20 juli 2010 alsnog de mogelijkheid daartoe te bieden.

2.9.1. Ook dat betoog faalt. Het beroep betreft de besluiten van 20 juli 2010. Dat de woningstichting, naar gesteld, geen bezwaar tegen besluit A, voor zover daarbij voor de beoogde aanleg van parkeerplaatsen vrijstelling is verleend, heeft kunnen maken, kan niet tot gegrondverklaring van dat beroep leiden.

2.10. De woningstichting betoogt verder dat het college niet gerechtigd was krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling voor de beoogde uitbreiding van de school en de aanleg van de parkeerplaatsen te verlenen, omdat deze werkzaamheden in strijd zijn met de lijst.

Zij voert daartoe aan dat de beoogde herinrichting van de openbare ruimte onevenredige hinder voor de bij haar in eigendom zijnde vier seniorenwoningen aan De Weer 1, 3, 5 en 7 oplevert.

Voorts is één project ten onrechte in drie procedures is geknipt, te weten de procedure die betrekking heeft op het uitbreiden van de school, de procedure die betrekking heeft op de aanleg van parkeerplaatsen en de procedure die betrekking heeft op het vaststellen van het nieuwe bestemmingsplan "Geesteren en Albergen, partiële herziening noodlokalen Kadoes" om de bouw van noodlokalen op het perceel mogelijk te maken, aldus de woningstichting.

2.10.1. In de lijst is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld. "Van de in de lijst genoemde mogelijkheden mag alleen gebruik worden gemaakt indien het project geen onevenredige afbreuk doet aan of onevenredige hinder/beperkingen oplevert voor aangrenzende of nabij gelegen functies of bestemmingen. (…) Verder is cumulatieve toepassing per categorie voor een project, het zogeheten "knippen" van een project, niet toegestaan. Een combinatie van meerdere categorieën voor een project is wel mogelijk, mits wordt voldaan aan de gestelde eisen."

Onder categorie II A2 van de lijst is vermeld: "Bijzondere doeleinden: (bouw)projecten (waaronder wijziging van het gebruik) voor lokale educatieve, sociale en/of medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve en welzijnsvoorzieningen alsmede overige maatschappelijke voorzieningen met bijbehorende voorzieningen als wegen en groen, dit met uitzondering van projecten op een bedrijfsterrein en mits het gaat om projecten die behoren tot categorie 1 en 2 of projecten die qua aard en milieuhinder vergelijkbaar zijn met deze categorieën, dit zoals bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de VNG."

Onder categorie II A6 van de lijst is vermeld: "Infrastructuur: (Bouw)projecten voor aanleg van nieuwe en aanpassing van bestaande weg- , water-, parkeer- en groenvoorzieningen, mits deze activiteiten kleinschalig (beperkt van omvang) zijn en niet samenhangen met een planmatige stads- en/of dorpsuitbreiding."

2.10.2. Zoals hierna onder 2.12.1. wordt uiteengezet, kan in hetgeen de woningstichting heeft aangevoerd geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de beoogde uitbreiding van de school en de herinrichting van de openbare ruimte voor de bewoners van de seniorenwoningen zodanige hinder oplevert, dat het college in verband daarmee geen gebruik heeft mogen maken van de in de lijst van categorieën van gevallen neergelegde mogelijkheden.

2.10.3. Verder stelt de woningstichting tevergeefs dat het college bij het verlenen van vrijstelling voor de beoogde uitbreiding van de school en de aanleg van de parkeerplaatsen een project heeft geknipt, als bedoeld in de lijst. De beoogde uitbreiding van de school en de aanleg van de parkeerplaatsen kunnen onder onderscheidenlijk de categorieën II A2 en II A6 van de lijst worden gebracht. Er doet zich derhalve geen situatie voor, waarbij cumulatieve toepassing is gegeven aan een categorie, als bedoeld in de lijst. Voor zover de woningstichting naar de besluitvorming die betrekking heeft op het vaststellen van het nieuwe bestemmingsplan heeft verwezen, kan dit evenmin leiden tot het ermee door haar beoogde doel, reeds omdat thans slechts de rechtmatigheid van de besluiten van 20 juli 2010 ter beoordeling voorligt.

2.11. De woningstichting betoogt voorts dat het college de gevraagde vrijstellingen in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen, nu de seniorenwoningen als gevolg daarvan niet meer aan senioren kunnen worden verhuurd. Zij voert daartoe aan dat de vier seniorenwoningen door de uitvoering van hetgeen waarvoor vrijstelling is verleend los komen te staan van de andere woningen en de bewoners van de seniorenwoningen dagelijks zullen worden geconfronteerd met rondom die woningen optredende bewegingen van schoolkinderen en verkeer, lawaai en andere vormen van hinder. Voorts worden, doordat vier voor de seniorenwoningen gelegen parkeerplaatsen zullen worden opgeheven, die woningen voor senioren niet of slecht bereikbaar, aldus de woningstichting

2.11.1. In hetgeen de woningstichting aldus heeft aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de beoogde uitbreiding van de school en de herinrichting van de openbare ruimte zo ernstige hinder opleveren, dat het college de gevraagde vrijstellingen in verband daarmee in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college onweersproken heeft gesteld dat de afstand tussen de seniorenwoningen en de beoogde uitbreiding van de school, ondanks de realisering van de uitbreiding van de school en de parkeerplaatsen, aan de aanbevolen minimale afstand, vermeld in de VNG-brochure "bedrijven en milieuzonering", voldoet.

Voorts heeft de woningstichting niet aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van de verleende vrijstellingen zodanige bewegingen van schoolkinderen en verkeer rondom de seniorenwoningen zullen plaatsvinden, dat dit ernstige hinder voor de bewoners van die woningen oplevert. Ten slotte kan het betoog van de woningstichting met betrekking tot de vier voor de seniorenwoningen gelegen op te heffen parkeerplaatsen niet slagen, reeds omdat de verleende vrijstellingen daarop geen betrekking hebben.

2.12. [wederpartij C] betoogt dat het college in redelijkheid geen vrijstelling voor de beoogde aanleg van de parkeerplaatsen heeft kunnen verlenen. Hij voert daartoe aan dat het ten onrechte heeft aangenomen dat voor het halen en brengen van leerlingen van de school behoefte bestaat aan 50 parkeerplaatsen, nu de parkeerstrook aan De Hagen in de huidige situatie niet als zodanig wordt gebruikt en bij andere scholen in de gemeente voor het halen en brengen van leerlingen op zijn hoogst 24 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Voorts voert hij aan dat het aanleggen van een parkeerstrook geschikter is voor het halen en brengen van leerlingen, dan dat van het beoogde parkeerterrein aan De Hagen. Ten slotte betoogt hij dat de aanleg van het parkeerterrein aan De Hagen een onevenredige inbreuk op de groene uitstraling van de wijk ten gevolge heeft, nu een aantal bomen zal worden gekapt.

2.12.1. Het college heeft zich, onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing van het project, neergelegd in de notitie "Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van uitbreiden basisschool 'Kadoes' te Albergen en herinrichting openbare ruimte" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing), op het standpunt gesteld dat voor het halen en brengen van kinderen van en naar de school 50 parkeerplaatsen nodig zijn, ongeacht de reguliere behoefte aan parkeerplaatsen. Het heeft zich daarbij gebaseerd op de parkeercijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Crow), zoals die zijn overgenomen in de Aanbevelingen Stedelijke Verkeervoorzieningen 2004 (ASVV 2004). In het aangevoerde bestaat geen grond voor het oordeel dat het college bij zijn besluitvorming daarvan niet heeft mogen uitgaan. Dat de parkeerstrook aan De Hagen in de huidige situatie, naar gesteld, niet voor het halen en brengen van leerlingen wordt gebruikt, maakt dat niet anders, nu ouders hun kinderen ergens anders kunnen ophalen en brengen dan op deze parkeerstrook. De stelling van [wederpartij C] dat bij andere scholen in de gemeente Tubbergen op zijn hoogst 24 parkeerplaatsen voor het halen en brengen van leerlingen beschikbaar zijn, kan evenmin leiden tot het oordeel dat het college geen tekort van 45 parkeerplaatsen bij de school mocht aannemen. Omdat op grond van de parkeercijfers van het Crow in de bestaande situatie een overschot van 5 reguliere parkeerplaatsen bestaat, heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de aanleg van 45 parkeerplaatsen voor het halen en brengen van leerlingen in de nabijheid van de school noodzakelijk is, teneinde het bestaande tekort aan parkeerplaatsen voor het halen en brengen aan te vullen.

Voorts kan het betoog van [wederpartij C] dat het aanleggen van een extra parkeerstrook aan De Hagen voor het halen en brengen van leerlingen geschikter is dan de aanleg van de beoogde parkeerterreinen, niet leiden tot het ermee door hem beoogde doel, reeds omdat het college had te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling voor het project, zoals die daarvoor was aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat is niet gesteld.

Ten slotte kan in hetgeen [wederpartij C] heeft aangevoerd geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de aanleg van de parkeerplaatsen een zodanige inbreuk op de groene uitstraling van de wijk ten gevolge heeft, dat het college in verband daarmee in redelijkheid de gevraagde vrijstelling niet heeft kunnen verlenen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, naar zijdens het college ter zitting onweersproken is gesteld, voor de verwijdering van de zich op de projectlocatie bevindende bomen kapvergunning is verleend, waarbij de desbetreffende belangen zijn afgewogen.

2.13. Ook [wederpartij D] betoogt dat het college in redelijkheid geen vrijstelling voor de beoogde aanleg van de parkeerplaatsen heeft kunnen verlenen.

Hij voert daartoe aan dat te weinig parkeerplaatsen worden aangelegd om ruimte te kunnen bieden aan het verwachte aantal voertuigen waarmee scholieren worden gehaald en gebracht. Verder voert hij daartoe aan dat voor de aanleg van de beoogde parkeerterreinen slechts locaties zijn onderzocht in de directe omgeving van de school, hetgeen in strijd is met het beleid, neergelegd in de op 11 maart 2008 vastgestelde beleidsnotitie "Bouwen en parkeren" (hierna: de beleidsnotitie). Voorts worden de beoogde parkeerplaatsen aangelegd, zonder dat een deugdelijk communicatieplan is vastgesteld. De aanleg van de parkeerplaatsen levert ook een onevenredige aantasting van waardevolle groenstructuren en groenelementen op, aldus [wederpartij D].

2.13.1. [wederpartij D] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat te weinig parkeerplaatsen worden aangelegd om ruimte te kunnen bieden aan het verwachte aantal voertuigen waarmee scholieren worden gehaald en gebracht. In de ruimtelijke onderbouwing van de projecten, neergelegd in de nota "Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van uitbreiden basisschool 'Kadoes' te Albergen en herinrichting openbare ruimte", staat dat naar verwachting dagelijks 68 voertuigen van het parkeerterrein op de hoek van de De Venmoat en de Kapittelhuisstraat gebruik zullen maken en 64 voertuigen van het parkeerterrein aan De Hagen. Nu valt aan te nemen dat van elk van de beoogde 45 parkeerplaatsen meer keren per dag door verschillende voertuigen gebruik kan worden gemaakt, heeft het college aannemelijk gemaakt dat in de aanleg van voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien.

2.13.2. Verder kan in hetgeen [wederpartij D] heeft aangevoerd geen grond worden gevonden dat de locaties van de beoogde parkeerterreinen in strijd zijn met de beleidsnotitie. Volgens de beleidsnotitie dient bij de bouw van een school binnen een straal van 200 m in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Aangezien niet in geschil is dat de beoogde parkeerplaatsen zich binnen die afstand van de school bevinden, zijn de desbetreffende vrijstellingen reeds daarom niet in strijd met de beleidsnotitie verleend.

2.13.3. Voorts faalt ook het betoog van [wederpartij D] dat ten onrechte niet is voorzien in een deugdelijk communicatieplan waarin de beoogde gebruikers van de parkeervoorzieningen worden geïnformeerd over de herinrichting van de openbare ruimte. Voor zover hij hiermee beoogt te betogen dat de leerlingen, door het ontbreken van een communicatieplan, elders dan op de daarvoor bedoelde parkeerplaatsen worden gehaald en gebracht, waardoor een gevaarlijke verkeerssituatie ontstaat, wordt overwogen dat die situatie niet het gevolg is van de verleende vrijstelling.

2.13.4. Verder kan in hetgeen [wederpartij D] heeft aangevoerd geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de aanleg van de parkeerplaatsen een zodanige aantasting oplevert van waardevolle groenstructuren en groenelementen, dat het college in verband daarmee in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat, naar zijdens het college ter zitting onweersproken is gesteld, voor de verwijdering van de zich op de projectlocatie bevindende bomen, kapvergunning is verleend, waarbij de desbetreffende belangen zijn afgewogen.

2.13.5. Ten slotte heeft [wederpartij D] niet aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van de aanleg van de beoogde parkeerterreinen, anders dan het college stelt, verkeersonveilige situaties zullen ontstaan. Het college heeft gesteld dat de twee beoogde parkeerterreinen de verkeersveiligheid rondom de school zullen bevorderen, nu daarmee wordt voorkomen dat ouders hun kinderen zullen afzetten op locaties die daarvoor uit oogpunt van verkeersveiligheid niet geschikt zijn. Dat heeft [wederpartij D] niet gemotiveerd bestreden.

2.14. [wederpartij B] betoogt tevergeefs dat het college in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen voor de aanleg van de parkeerplaatsen die zijn voorzien aan de noordzijde van De Hagen tegenover zijn woning, nu de verleende vrijstellingen geen betrekking hebben op deze parkeerplaatsen.

2.15. De conclusie is dat de beroepen van de woningstichting, [wederpartij A], [wederpartij B], [wederpartij C] en [wederpartij D] tegen de besluiten van 20 juli 2010 ongegrond zijn.

2.16. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.2 februari 2011

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraken;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen tot vergoeding van bij de Woningstichting Tubbergen in verband met de behandeling van de hoger beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 921,85 (zegge: negenhonderdeenentwintig euro en vijfentachtig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen tot vergoeding van bij [wederpartij A] in verband met de behandeling van de hoger beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. verklaart de beroepen van [wederpartij A], [wederpartij B], [wederpartij C], [wederpartij D] en de Woningstichting Tubbergen tegen de besluiten van het college van 20 juli 2010 ongegrond;

IV. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen griffierecht ten bedrage van € 896,00 (zegge: achthonderdzesennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011

543.