Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2540

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
201009155/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aghanistan / provincie Kapisa / geen situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn

Uit deze overweging kan worden afgeleid dat het EHRM in dit arrest de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan niet heeft aangemerkt als een waarbij er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat burgers die naar dit land worden teruggestuurd louter vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Uit het ambtsbericht, het rapport van 'the Secretary-General pursuant to paragraph 40 of resolution 1917 (2010)' van 16 juni 2010 en het rapport van 'The Afghanistan NGO Safety Office' van juli 2010, blijkt niet van dusdanige veiligheidsincidenten dat tot een ander oordeel inzake de intensiteit van het geweld in Afghanistan moet worden gekomen dan het EHRM in voormeld arrest heeft gegeven. Weliswaar dateert het besluit van 13 augustus 2010 van ná dat arrest, doch niet is gebleken dat in die tussentijd een zodanige verslechtering van de veiligheidssituatie in de provincie Kapisa heeft plaatsgevonden dat daaromtrent ten tijde van het besluit van 13 augustus 2010 anders moet worden geoordeeld. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat het standpunt van de minister dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, de toetsing in rechte kan doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009155/1/V2.

Datum uitspraak: 25 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 10 september 2010 in zaak nrs. 10/28729 en 10/28730 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2010 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen alsmede geweigerd om hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 september 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen als eerste, derde en vierde grief is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.2. In de tweede grief klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij met de door hem ingebrachte stukken, waaronder het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2010 (hierna: het ambtsbericht), niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 13 augustus 2010 sprake was van een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van

29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn). Aldus heeft de voorzieningenrechter, volgens de vreemdeling, miskend dat uit de door hem ingebrachte stukken blijkt dat in Afghanistan wel sprake is van een uitzonderlijke situatie, als in die bepaling bedoeld. Voorts heeft de voorzieningenrechter bovenvermelde overweging onvoldoende gemotiveerd, aldus de vreemdeling.

2.2.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van

25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2/V2; www.raadvanstate.nl, kan uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 in zaak C-465/07 (JV 2009/111), gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 20 mei 2010 tot wijziging van de Vw 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure (Stb. 2010, 202), voorzag reeds in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag bood voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008 in zaak nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/329) - ook zag op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Thans is de uitzonderlijke situatie, beschreven in voormeld artikel van de richtlijn, uitdrukkelijk opgenomen in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000.

2.2.2. De minister heeft zich in het besluit van 13 augustus 2010 en het daarin ingelaste voornemen daartoe, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de

Vw 2000 geen aanspraak op bescherming kan ontlenen. Aan dit standpunt heeft hij ten grondslag gelegd dat uit informatie uit gezaghebbende en objectieve bronnen, waaronder het ambtsbericht, blijkt dat geen sprake is van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Afghanistan aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld. Gelet op de jurisprudentie van het EHRM zal de vorenbedoelde uitzonderlijke situatie zich slechts bij zeer uitzonderlijke omstandigheden (een 'most extreme case of general violence') voordoen en het EHRM heeft het bestaan van een dergelijke situatie nog nooit aangenomen, aldus de minister.

2.2.3. Niet in geschil is dat de vreemdeling afkomstig is uit de provincie Kapisa.

2.2.4. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat hij, indien hij moet terugkeren naar Afghanistan, in het bijzonder de provincie Kapisa, daar louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op de ernstige schade, beschreven in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000. Ter staving van zijn betoog heeft hij verwezen naar het ambtsbericht, het 'Report of the Secretary-General pursuant to paragraph 40 of resolution 1917 (2010)' van 16 juni 2010 en naar een rapport van The Afghanistan NGO Safety Office, getiteld 'ANSO Quarterly data report Q.2 2010' van juli 2010.

2.2.5. In het ambtsbericht, dat de periode van april 2009 tot en met juni 2010 beslaat, wordt, voor zover thans van belang, in paragraaf 2.6 het volgende vermeld:

'Gewelddadigheden in Afghanistan breidden zich gedurende de verslagperiode uit van het zuiden en oosten van Afghanistan naar provincies die tot voorheen als rustig bekend stonden, in zowel west-, noord-, noordoost- als centraal Afghanistan. Sommige regio’s zijn stabieler dan andere, maar bomaanslagen en ontvoeringen kunnen overal in Afghanistan plaatsvinden. Tezamen bestrijken de IAG (Illegal Armed Groups) heel Afghanistan; er is geen plek waar zij niet voor problemen kunnen zorgen, al verschilt de kans met een IAG geconfronteerd te worden per regio. De meeste IAG bevinden zich in het zuiden, zuidoosten en het noordoosten van Afghanistan.'

In paragraaf 2.6.5 wordt, voor zover thans van belang, onder het kopje 'Centraal (Parwan, Wardak, Pansjir, Logar, Kapisa, Bamyan, Daikundi, Ghazni, Kaboel)' het volgende vermeld:

'OMF (Opposing Militant Forces) slaagden er deze periode in hun activiteiten in de rond Kaboel gelegen provincies Kapisa en Logar uit te breiden. Zo hadden OMF een sterke aanwezigheid in de Pashtun gemeenschappen in het etnisch gemengde Kapisa. In de provincies Ghazni en Wardak domineerden zij alleen in die delen waar geen Hazara’s wonen. In de provincies Parwan en Pansjir is het overwegend rustig gebleven gedurende de verslagperiode. Ook in de overwegend door Hazara’s bevolkte provincies Bamyan en Daikundi bleef het over het algemeen rustig.'

2.2.6. Het EHRM heeft in het arrest van 20 juli 2010 in zaak nr. 23505/09, N. tegen Zweden (JV 2010/373) in rechtsoverweging 52 het volgende overwogen:

'Whilst being aware of the reports of serious human rights violations in Afghanistan, as set out above, the Court does not find them to be of such a nature as to show, on their own, that there would be a violation of the Convention if the applicant were to return to that country. The Court thus has to establish whether the applicant's personal situation is such that her return to Afghanistan would contravene Article 3 of the Convention.'

2.2.7. Uit deze overweging kan worden afgeleid dat het EHRM in dit arrest de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan niet heeft aangemerkt als een waarbij er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat burgers die naar dit land worden teruggestuurd louter vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Uit het ambtsbericht, het rapport van 'the Secretary-General pursuant to paragraph 40 of resolution 1917 (2010)' van 16 juni 2010 en het rapport van 'The Afghanistan NGO Safety Office' van juli 2010, blijkt niet van dusdanige veiligheidsincidenten dat tot een ander oordeel inzake de intensiteit van het geweld in Afghanistan moet worden gekomen dan het EHRM in voormeld arrest heeft gegeven. Weliswaar dateert het besluit van 13 augustus 2010 van ná dat arrest, doch niet is gebleken dat in die tussentijd een zodanige verslechtering van de veiligheidssituatie in de provincie Kapisa heeft plaatsgevonden dat daaromtrent ten tijde van het besluit van 13 augustus 2010 anders moet worden geoordeeld. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat het standpunt van de minister dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, de toetsing in rechte kan doorstaan. De grief faalt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter w.g. Van Loo

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011

418-643.

Verzonden: 25 januari 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser