Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
200908509/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van mei 2009 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister) het "Tracébesluit Sporen in Arnhem" (hierna: het Tracébesluit) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908509/1/M2.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van mei 2009 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister) het "Tracébesluit Sporen in Arnhem" (hierna: het Tracébesluit) vastgesteld.

Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het college besloten om ter uitvoering van het Tracébesluit Sporen in Arnhem een bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een keerwand met bordes ter plaatse van het perceel langs de Noordelijke Parallelweg tussen de Bovenbrugstraat en de Frombergstraat. Dit besluit is op 8 oktober 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2010, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Stryczek en J.M. Elbrecht, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn als belanghebbenden de minister, vertegenwoordigd door mr. H.A.J. Gierveld, mr. A. Dane, ir. L.C.M. Postma, mr. J.R.M. van der Poel, drs. ing. R.G.P. Vermeulen, ir. A.F.A. Verhaaren, ing. J.W. van den Brink en ing. A. de Pree, en Prorail B.V., vertegenwoordigd door ir. M. Molag, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] voert aan dat het Tracébesluit niet voorziet in de keerwand waarvoor bij het bestreden besluit een bouwvergunning is verleend. Hij voert hiertoe aan dat de enkele aanduiding van de keerwand op de bij het Tracébesluit behorende kaart geen juridische grondslag biedt voor het plaatsen van de keerwand. Daarnaast stelt hij dat uit een vergelijking van de bij de aanvraag om bouwvergunning behorende tekening met de bij het Tracébesluit behorende kaart blijkt dat de keerwand buiten de spoorzone wordt geplaatst, terwijl uit het Tracébesluit volgt dat keerwanden binnen de spoorzone dienen te worden geplaatst. Voorts voert hij aan dat ook wanneer de keerwand gelegen zou zijn binnen de spoorzone het Tracébesluit hierin niet voorziet, omdat in het Tracébesluit is bepaald dat keerwanden binnen een bebouwingsvlak dienen te liggen en de keerwand, gelet op de bij het Tracébesluit behorende kaart, daar niet binnen ligt. Tot slot voorziet het Tracébesluit volgens hem niet in de keerwand, omdat dit besluit niet voorziet in het slopen van de reeds aanwezige keerwand.

2.1.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet (oud), voor zover hier van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld dan wel met een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 15, zesde lid, van de Tracéwet (oud), voor zover hier van belang, geldt voor zover het tracébesluit en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, het tracébesluit als projectbesluit als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

2.1.2. In artikel 3, tweede lid, van het Tracébesluit, voor zover hier van belang, is bepaald dat het Tracébesluit voorziet in het aanleggen van keerwanden in het kader van de in dit lid genoemde werkzaamheden. Voorts is bepaald dat de ligging van de sporen en de aanpassing en uitbreiding daarvan zijn weergegeven op de kaarten behorende bij het Tracébesluit. Op de legenda van de kaart behorende bij het Tracébesluit is vermeld dat de blauwe zigzaggende lijn, die onder meer is ingetekend ter plaatse van het perceel langs de Noordelijke Parallelweg tussen de Bovenbrugstraat en de Frombergstraat, een keerwand betreft.

Anders dan [appellant] stelt is de keerwand niet slechts aangeduid op de kaart behorende bij het Tracébesluit, maar ziet ook artikel 3, tweede lid, van het Tracébesluit op het aanleggen van keerwanden. De beroepsgrond mist daarom in zoverre, wat daar verder ook van zij, feitelijke grondslag.

2.1.3. In artikel 1 van het Tracébesluit, voor zover hier van belang, is bepaald dat onder bouwwerk mede wordt verstaan kunstwerken en onder kunstwerken mede wordt verstaan keerwanden. Verder is bepaald dat onder spoorwegwerken mede worden verstaan alle in de gebruiksfase ten behoeve van de sporen noodzakelijk bouwwerken en voorzieningen, waaronder kunstwerken. Onder spoorzone wordt in dit artikel verstaan de op de kaart als zodanig aangeduide gronden, waarop spoorwegwerken worden gerealiseerd.

In artikel 4, eerste lid, van het Tracébesluit is bepaald dat spoorwegwerken uitsluitend worden gerealiseerd binnen de spoorzone.

In artikel 4, tweede lid, van het Tracébesluit is bepaald dat kunstwerken worden gebouwd binnen het daarvoor op de detailkaarten aangeduide bebouwingsvlak. Voorts bepaalt dit lid, voor zover hier van belang, dat in tabel 1 de te realiseren kunstwerken staan weergegeven. In tabel 1 worden geen keerwanden vermeld.

2.1.4. Het college heeft ter zitting opgemerkt dat de bij het Tracébesluit behorende kaart is vergeleken met de tekening behorende bij de aanvraag om bouwvergunning. Het college heeft daarbij geen afwijkingen geconstateerd en vastgesteld dat de keerwand waarvoor een bouwvergunning is verleend is gelegen binnen de op de bij het Tracébesluit behorende kaart weergegeven spoorzone. Het college heeft bij de uitgevoerde vergelijking rekening gehouden met de onnauwkeurigheid welke optreedt wanneer sprake is van een schaal van 1:2000, de schaal die is toegepast voor de bij het Tracébesluit behorende kaart.

2.1.5. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting komt de Afdeling het door het college ingenomen standpunt juist voor. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de keerwand waarvoor een bouwvergunning is verleend buiten de spoorzone is gelegen.

2.1.6. Uit artikel 4, tweede lid, van het Tracébesluit volgt dat slechts voor kunstwerken die zijn weergegeven in tabel 1 geldt dat zij dienen te worden gebouwd binnen het daarvoor op de kaart behorende bij het Tracébesluit weergegeven bebouwingsvlak. Keerwanden zijn niet vermeld in tabel 1, zodat hiervoor niet het vereiste geldt dat zij in een bebouwingsvlak dienen te worden gebouwd. Gelet hierop is er in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het Tracébesluit niet in de keerwand voorziet.

2.1.7. Dat in het Tracébesluit de sloop van de reeds bestaande keerwand niet is opgenomen betekent niet dat niet in de nieuw te bouwen keerwand is voorzien.

De beroepsgrond faalt.

2.2. [appellant] voert aan dat de keerwand voor zijn woning aan de [locatie] ten onrechte niet in overeenstemming met de bij het Tracébesluit behorende Nota van Antwoord wordt bekleed met trillingsreducerend materiaal. In de Nota van Antwoord die is opgesteld naar aanleiding van de over het ontwerp-tracébesluit naar voren gebrachte zienswijzen is volgens [appellant] opgemerkt dat een trillingsreducerende dieptewand voor de woning [locatie] komt te liggen. Uit de bouwtekening behorende bij de aanvraag om bouwvergunning blijkt volgens hem echter dat ter plaatse van zijn woning op de keerwand geen trillingsreducerend materiaal wordt aangebracht.

2.2.1. In het voorwoord bij het Tracébesluit is opgemerkt dat alleen het Tracébesluit en bijlage I met de vastgestelde hogere waarden en bijlage II met de detail- en overzichtkaarten juridisch bindend zijn voor het project Sporen in Arnhem. In het Tracébesluit noch in de detail- en overzichtkaarten is vermeld dat trillingsreducerend materiaal dient te worden aangebracht ter plaatse van de woning van [appellant]. Gelet hierop is het bestreden besluit, voor zover hierin niet zou zijn bepaald dat trillingsreducerend materiaal dient te worden aangebracht op de keerwand ter plaatse van de woning [locatie], niet in strijd met het Tracébesluit.

De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant] voert aan dat de vergunning had dienen te worden geweigerd, omdat het rijksmonument Beaulieuvilla inclusief het aan de voorzijde hiervan geplaatste gietijzerenhek door de aanleg van de keerwand beschadigd raakt. Hij voert hiertoe aan dat het gietijzerenhekwerk reeds is beschadigd vanwege de verwijdering hiervan in verband met werkzaamheden ter uitvoering van het bestreden besluit. Daarnaast wijst hij er op dat het plaatsen van groutankers in verband met de aanleg van de keerwand het rijksmonument kunnen beschadigen. Dat, zoals het college stelt, de groutankers niet zichtbaar zijn betekent niet dat zij geen schade kunnen toebrengen, aldus [appellant].

2.3.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet (oud) mag slechts en moet een bouwvergunning worden geweigerd indien voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet) of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet is het verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning, een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

2.3.2. De Beaulieuvilla en het hierbij behorende hekwerk zijn een beschermd monument in de zin van de Monumentenwet.

2.3.3. Het college stelt zich op het standpunt dat de Beaulieuvilla en het hierbij behorende hekwerk door de aanleg van de keerwand niet zullen worden beschadigd. Het college voert hiertoe aan dat weliswaar groutankers in de tuin van de Beaulieuvilla worden aangebracht in verband met de aanleg van de keerwand, maar dat deze op ruime afstand van het pand worden geplaatst, zodat het aanbrengen van de groutankers geen gevaar oplevert voor het pand. Daarnaast merkt het college op dat het monumentale hekwerk niet is verwijderd in verband met de aanleg van de keerwand, maar in verband met het aanbrengen van riolering.

2.3.4. Uit de stukken is gebleken dat de groutankers niet onder dan wel tegen de Beaulieuvilla worden geplaatst. Voorts blijkt uit de aanvraag om bouwvergunning niet dat het hekwerk dient te worden verwijderd in verband met het aanbrengen van de groutankers. Het standpunt van het college komt de Afdeling daarom niet onjuist voor. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van de aanleg van de keerwand de Beaulieuvilla dan wel het hierbij behorende hekwerk wordt beschadigd of dat zich een andere omstandigheid ten opzichte hiervan voordoet zoals genoemd in artikel 11, eerste en tweede lid, van de Monumentenwet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet geen aanleiding geeft om de bouwvergunning te weigeren.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

375-578.