Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2123

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201000105/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2009, nr. 12, heeft de raad het bestemmingsplan "Fiets- voetpad Grosthuizen-Oudendijk" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/122
TBR 2011/45 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2011/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000105/1/R1.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Koggenland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2009, nr. 12, heeft de raad het bestemmingsplan "Fiets- voetpad Grosthuizen-Oudendijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2010, beroep ingesteld.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 201004686/1/H2 ter zitting behandeld op 1 december 2010, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door R. van der Woude en J.J.M. Sjerps, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging van gronden met hoofdzakelijk een agrarisch gebruik naar een gebruik voor verkeers- en verblijfsdoeleinden. Binnen deze doeleinden zal een fiets-/voetpad tussen de dorpen Grosthuizen en Oudendijk door de polder Beschoot gerealiseerd worden. In het zuiden sluit het pad aan op de hoger gelegen Dorpsweg.

2.2. [appellante] betoogt dat het bestemmingplan niet is vastgesteld nu sprake is van een principebesluit tot aanleg van een fiets-/voetpad.

2.3. Uit het raadsbesluit van 12 oktober 2009 volgt dat de raad in zijn vergadering van 12 oktober 2009 heeft besloten tot vaststelling van het bestemmingsplan. Dat in de reactienota van een principebesluit wordt gesproken maakt dat niet anders.

2.4. [appellante] betoogt in haar nadere stuk dat niet de juiste verbeelding bij het ontwerp ter inzage heeft gelegen.

2.5. De raad heeft ter zitting aangevoerd dat in de periode van de terinzageligging van het ontwerpbestemmingsplan de daarbij behorende verbeelding met daarbij ook ander kaartmateriaal ter inzage heeft gelegen.

[appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is geweest.

2.6. Voorts betoogt [appellante] dat niet duidelijk is welke functie de hoorzitting van de raadscommissie Grondgebied op 15 september 2009 had in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan. Daarbij voert [appellante] aan dat geen sprake was van een gedachtewisseling zoals is voorgeschreven in de Inspraakverordening.

2.7. De raad heeft er voor gekozen om onder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) indieners van een zienswijze in de gelegenheid te stellen hun zienswijze in de raadscommissie Grondgebied toe te lichten, waarbij de leden van de raadscommissie inhoudelijke vragen kunnen stellen. De vergadering van de raadscommissie is evenwel niet bedoeld voor het voeren van een inhoudelijke discussie, aldus de raad.

2.8. Aangezien er geen wettelijke verplichting voor het houden van een hoorzitting inzake ingebrachte zienswijzen bestaat en de hoorzitting van de raadscommissie Grondgebied nadrukkelijk niet bedoeld is voor het voeren van een discussie, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in dit opzicht onzorgvuldig is voorbereid. De verwijzing door [appellante] naar de Inspraakverordening maakt dit niet anders, reeds nu de Inspraakverordening niet van toepassing is op het horen door de raadscommissie.

2.9. [appellante] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Ten aanzien van dit betoog overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.10. [appellante], die aan de [locatie] woont ter hoogte van de voorziene aansluiting van het fiets-/voetpad op de hoger gelegen Dorpsweg, betoogt dat geen economische of sociale banden tussen beide dorpen bestaan die het pad noodzakelijk maken. Voorts voert [appellante] aan dat de geraamde kosten van de aanleg van het pad, ongeveer € 666.000,00, in geen verhouding staan tot de beoogde doelen. Daarbij wijst [appellante] erop dat de subsidieaanvraag van € 243.600,00 door het provinciebestuur is afgewezen. Voorts is niet duidelijk waarom de gemeente een strook grond met een breedte van 15 m heeft gekocht voor de realisering van het fiets-/voetpad. Volgens [appellante] is voor de realisering van het pad minder grond nodig. [appellante] is het niet eens met de reactie van de raad op de zienswijze dat de breedte nodig is voor het onderhoud van het pad. Daarbij voert [appellante] aan dat zware constructies voor de bruggen overbodig zijn en zij verwacht dat de strook dan ook voor een ander doel dient dan alleen voor de realisering van een fiets-/voetpad.

2.10.1. De raad wil het fiets-/voetpad aanleggen ter verbetering van de verkeersveiligheid voor schoolgaande kinderen uit Oudendijk en voor de uitbreiding van het aanbod van recreatieve voorzieningen. Hij heeft daarvoor de benodigde middelen ter beschikking gesteld. Bij het beschikbaar stellen van het benodigde krediet is niet gesproken over de breedte van het pad.

Verder stelt de raad zich op het standpunt dat voor het onderhoud van het fiets-/voetpad zwaar materieel noodzakelijk kan zijn en dat de fundering van het pad daarop berekend moet zijn. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de fundering en de constructies voor de bruggen noodzakelijk zijn voor hulpverleningsdiensten zodat zij, indien nodig, gebruik kunnen maken van het fiets-/voetpad. Voorts stelt de raad dat, gelet op de dwarsprofielen, er geen ruimte is voor een ander gebruik.

2.10.2. Ingevolge artikel 3 van de planregels zijn de op de verbeelding voor "Verkeer - Verblijfsgebied (V-VB)" aangewezen gronden bestemd voor:

a. voet- en fietspad;

b. groenvoorzieningen;

c. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;

d. bruggen en/of (doorvaarbare) duikers;

e. nutsvoorzieningen en verkeersmeubilair

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Uit de verbeelding volgt dat een fiets-/voetpad met een lengte van ongeveer 2.200 m wordt aangelegd. Voorts volgt uit de verbeelding dat de breedte van het pad varieert van ongeveer 10 m tot ongeveer 15 m. Op de verbeelding zijn voorts twee dwarsprofielen aangegeven. Uit de dwarsprofielen volgt een totale breedte, inclusief sloten en bermen, van ongeveer 10 m met een variabel deel tot ongeveer 12 m. Voorts volgt uit de dwarsprofielen een breedte van 2,5 m voor het fiets-/voetpad zelf.

2.10.3. Gelet op het standpunt van de raad dat het fiets-/voetpad gerealiseerd zal worden ter verbetering van de recreatieve voorzieningen en de bereikbaarheid van Grosthuizen voor schoolgaande kinderen uit Oudendijk heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een voldoende noodzaak voor een pad tussen beide dorpen.

Voor zover [appellante] betoogt dat niet duidelijk is waarom een strook van 15 m is aangekocht oordeelt de Afdeling dat het bestemmingsplan ter beoordeling voorligt en niet de aankoop van de gronden. Gelet op de dwarsprofielen wordt een breedte van het fiets-/voetpad, inclusief sloten en bermen, van 10 m tot ongeveer 12 m beoogd. Niet in geschil is dat de aanleg binnen de op de verbeelding als zodanig bestemde gronden mogelijk is.

Voor zover [appellante] betoogt dat het plan door het ontbreken van een subsidie van € 234.600,00 niet financieel uitvoerbaar is overweegt de Afdeling dat de plantoelichting vermeldt en ter zitting door de raad is bevestigd dat het plan volledig door en voor rekening van de gemeente wordt uitgevoerd. Overigens is ter zitting door de raad gesteld dat inmiddels een provinciale subsidie van € 217.000,00 ten behoeve van de aanleg van het fiets-/voetpad aan de gemeente is toegekend.

Ten aanzien van hetgeen [appellante] heeft gesteld over het gebruik van het pad overweegt de Afdeling dat de gronden gelet op artikel 3 van de planregels voor het fiets-/voetpad zullen worden gebruikt. Het plan laat een structureel ander gebruik niet toe, behoudens de andere in artikel 3 genoemde doeleinden. Gelet op het onderhoud van het fiets-/voetpad en het eventuele gebruik van het pad door hulpverleningsdiensten overweegt de Afdeling dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voorziene wijze van fundering van het pad en de voorziene constructies van de bruggen niet noodzakelijk zijn voor het fiets-/voetpad. Overigens overweegt de Afdeling dat het door [appellante] gestelde over de fundering en de constructies uitvoeringsmaatregelen betreffen en dat deze niet in het bestemmingsplan geregeld worden.

2.11. [appellante] betoogt verder dat het fiets-/voetpad niet op de in het plan vastgelegde plaats dient te ontsluiten op de Dorpsweg. [appellante] voert aan dat het alternatief dat zij heeft voorgesteld, een aansluiting 300 m oostelijk van haar woning, alleen is afgewezen omdat de daarvoor benodigde gronden niet konden worden verworven, terwijl de alternatieve ligging ten opzichte van het huidige plan financiële voordelen met zich brengt. Voorts heeft de alternatieve ligging van het fiets-/voetpad een vrije ontsluiting op de dijk.

[appellante] stelt dat door de ontsluiting van het fiets-/voetpad op de in het plan vastgelegde plaats aan de Dorpsweg voetgangers en fietsers in haar tuin en in een deel van haar woning kunnen kijken.

Verder voert [appellante] aan dat de ontsluiting op de Dorpsweg ter hoogte van haar woning technische problemen oplevert. In verband met het hoogteverschil is een plateau nodig. Volgens [appellante] is ten onrechte geen plateau op de verbeelding ingetekend. Ook stelt [appellante] dat schoolgaande kinderen door het nieuwe fiets-/voetpad gebruik moeten maken van een wegdeel dat over een afstand van 350 m als aanwijsbaar onveilig kan worden gekwalificeerd. Daarbij voert [appellante] aan dat de Dorpsweg over de afstand van de huizenstrook aan de waterkant door de eigenaren van die woningen gebruikt wordt voor het parkeren van hun auto's. Hierdoor zal het volgens [appellante] lastig zijn om op de Dorpsweg te komen. De verkeersproblematiek wordt verergerd omdat bij de toegang tot het fiets-/voetpad zal worden geparkeerd. Daarnaast stelt [appellante] dat ondanks de maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, motorvoertuigen geregeld met een snelheid van 70 kilometer per uur over de Dorpsweg rijden.

2.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de keuze voor het tracé mede afhankelijk is geweest van de mogelijkheden tot verwerving van de benodigde gronden. De raad voert aan dat één van de eigenaren geen medewerking heeft willen verlenen aan de verkoop van een gedeelte van zijn perceel dat van belang was voor het alternatief. Om deze reden heeft de raad daarvan afgezien.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de technische invulling van de aansluiting tot de uitvoering van het bestemmingsplan behoort.

Ten aanzien van de verkeersveiligheid stelt de raad dat een extern bureau een onderzoek heeft uitgevoerd waaruit volgt dat de gevolgen van de aansluiting van het fiets-/voetpad op de Dorpsweg beperkt zijn. De meetresultaten geven wel aanleiding tot aandacht voor de rijsnelheid ter plaatse van de nieuwe aansluiting. Volgens het onderzoek zullen de omwonenden, die voornamelijk gebruik maken van de weg, na een korte gewenningsperiode op de hoogte zijn van de nieuwe ontsluiting en daarmee rekening gaan houden.

2.11.2. In de plantoelichting staat dat bij de aansluiting een sluis zal worden geplaatst om onjuist gebruik van het pad tegen te gaan. Voorts staat in de plantoelichting dat de sluis bij de opgang van de Dorpsweg op een plateau wordt geplaatst. Hierdoor wordt aan fietsers en voetgangers de mogelijkheid geboden om op het kruisende verkeer te wachten.

2.11.3. Naar aanleiding van het ontwerp van de raad voor een fiets-/voetpad tussen de woonkernen Grosthuizen en Oudendijk is een verkeerstechnische rapportage opgesteld. Deze rapportage, neergelegd in de notitie "Verkeersadvies aansluiting fietspad op Dorpsweg Oudendijk" van 23 april 2010, is uitgevoerd door Grontmij. In het onderzoek is ingegaan op onderwerpen als verkeersveiligheid, comfort (onbelemmerde doorgang en verharding) en aantrekkelijkheid (sociale veiligheid). De Dorpsweg is een erftoegangsweg met een maximale snelheid van 30 kilometer per uur en een lage intensiteit. Hierdoor is de oversteekbaarheid voor het langzaam verkeer volgens de resultaten uit de verkeerstechnische rapportage geen knelpunt.

Ten aanzien van de rijsnelheid volgt uit de notitie dat de snelheid naar verwachting op een acceptabel niveau zal komen te liggen. Verder heeft Grontmij enkele aanbevelingen gedaan, waaronder het plaatsen van verkeersborden en het voorzien van de aansluiting aan de Dorpsweg van openbare verlichting. Voorts volgt uit de notitie dat de gevolgen van de aansluiting van het fiets-/voetpad op de Dorpsweg beperkt zijn.

2.11.4. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan een afweging dient te maken van alle belangen die daarbij betrokken zijn. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Anders dan [appellante] betoogt, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad het alternatief van [appellante] verder had moeten onderzoeken. Nu één van de eigenaren geen medewerking aan de verkoop van voor het alternatief van belang zijnde gronden heeft willen verlenen, heeft de raad in redelijkheid de afweging kunnen maken om niet voor het alternatief te kiezen.

Gelet op artikel 3 van de planregels zijn de gronden waarbinnen het fiets-/voetpad gerealiseerd wordt, bestemd als "Verkeer - Verblijfsgebied (V-VB)". De aanleg van een plateau is binnen deze bestemming mogelijk. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet nodig is het plateau binnen dit bestemmingsvlak gedetailleerd te bestemmen. Het gemeentebestuur kan ten aanzien van de verdere inrichting en het gebruik van het fiets-/voetpad verkeersmaatregelen nemen. Overigens heeft de raad aangegeven dat de technische invulling van de ontsluiting en de daarbij behorende voorzieningen na overleg met de omwonenden zullen worden uitgewerkt.

Voor zover [appellante] betoogt dat de ontsluiting van het fiets-/voetpad op de Dorpsweg leidt tot een inbreuk op haar privacy overweegt de Afdeling dat niet is uit te sluiten dat door de aanleg van het fiets-/voetpad het woon- en leefklimaat van [appellante] in enige mate wordt aangetast. Gelet op de afstand van ongeveer 15 m tussen de woning en de beoogde aansluiting van het fiets-/voetpad alsmede gelet op het beoogde gebruik heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat het fiets-/voetpad zal leiden tot een ernstige inbreuk op haar privacy. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, van de planregels mogelijk is om op de als "Verkeer - Verblijfsgebied (V-VB)" bestemde gronden nabij de woning van [appellante] groenvoorzieningen te realiseren. De raad heeft ter zitting toegezegd dat in overleg met [appellante] in de aanleg van afschermende beplanting zal worden voorzien.

Ten aanzien van hetgeen [appellante] heeft aangevoerd inzake de verkeersveiligheid overweegt de Afdeling als volgt. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet kan worden uitgegaan van de uitkomsten van het onderzoek van Grontmij. Nu uit het onderzoek volgt dat de gevolgen van de nieuwe aansluiting beperkt zijn en verkeersmaatregelen mogelijk zijn en, zoals ter zitting is bevestigd, zullen worden getroffen, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet voor een verkeersonveilige situatie behoeft te worden gevreesd.

2.12. [appellante] betoogt dat in artikel 1 van de planregels overbodige begrippen, zoals bebouwing, bouwen en gebouw, staan. Voorts is hetgeen in artikel 2.1 van de planregels staat over de bouwhoogte en de inhoud van een bouwwerk niet nodig. Voorts betoogt [appellante] dat hetgeen in de artikelen 3.3 en 3.4 van de planregels staat overbodig is voor de realisering van een fiets/-voetpad. Deze regels zijn alleen van belang als het bestemmingsplan om meer dan een fiets-/voetpad zou gaan. Hetzelfde geldt volgens [appellante] voor artikel 5. Wat betreft artikel 6 van de planregels heeft het college van burgemeester en wethouders een te ruime bevoegdheid gekregen. [appellante] betoogt dat deze bevoegdheid enkel zou mogen gelden voor onderwerpen van ondergeschikte betekenis waarvoor nadere regels vereist zijn. Verder betoogt [appellante] dat uit de planregels inzake het overgangsrecht volgt dat het fiets-/voetpad ook blijft opengesteld voor landbouwvoertuigen en andere gemotoriseerde voertuigen.

2.12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de desbetreffende planregels zijn vastgesteld om enerzijds ongewenste ontwikkelingen te kunnen voorkomen en anderzijds gewenste ontwikkelingen in de toekomst mogelijk te kunnen maken. De raad voert aan dat de bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders betrekking hebben op het verlenen van ontheffingen en/of het stellen van nadere eisen, hetgeen in een bestemmingsplan gebruikelijk is. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het landbouwverkeer ingevolge artikel 7 van de planregels gebruik mag maken van de gronden zolang het fiets-/voetpad nog niet gerealiseerd is.

2.12.2. In artikel 1 van de planregels worden omschrijvingen gegeven van onder meer de begrippen bebouwing, bouwen, bouwwerk en gebouw.

In artikel 2.1 wordt de wijze van meten uitgewerkt.

Ingevolge artikel 3 zijn de aangewezen gronden met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied (V-VB)" bestemd voor voet-/en fietspad, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen, bruggen en nutsvoorzieningen.

Ingevolge artikel 3.2.1 zijn op deze gronden geen gebouwen toegestaan.

Ingevolge artikel 3.3 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering en afmetingen van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien dit noodzakelijk is:

a. ter bescherming van de beleving en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;

b. ten behoeve van de bereikbaarheid van hulpdiensten;

c. ter bescherming van de verkeersveiligheid;

d. ter bescherming van de milieusituatie.

Ingevolge artikel 3.4 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van de regels van het plan voor:

a. afwijkingen van de aangegeven maten, met een maximum van 10%;

b. een afwijking op ondergeschikte punten van de begrenzing van de bestemming, indien dit in het belang is van het verkeer of noodzakelijk is voor een behoorlijke inrichting van het terrein, dan wel de noodzaak daartoe blijkt bij uitzetting van het plan in het terrein, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 3 m.

In artikel 5 worden de voorschriften van de Bouwverordening voor het grootste gedeelte buiten toepassing gesteld.

Ingevolge artikel 6 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen ten aanzien van:

a. het oprichten van bouwwerken ten algemene nutte, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, bemalingsinrichtingen en gasdrukregel- en meetstations, mits de inhoud van elk van deze gebouwtjes niet meer zal bedragen dan 50 m³ en de hoogte ervan niet meer zal bedragen dan 4 m;

b. overschrijdingen van de bestemmingsgrenzen, zoals aangegeven op de verbeelding, met ten hoogste 1,5 m door ondergeschikte bouwonderdelen;

c. het overschrijden van de bepalingen inzake de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met niet meer dan 20%.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

2.12.3. De planregels dienen te strekken tot een goede ruimtelijke ordening. Uit de plantoelichting volgt dat de planregels waaronder de artikelen 1 en 2, onder meer bedoeld zijn als juridisch kader voor de bouw van twee bruggen. Verder kunnen ingevolge artikel 6 bouwwerken van algemeen nut worden gerealiseerd. Hierdoor en gelet op het uitgangspunt van de raad dat de planregels nodig zijn om eventuele ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan en eventuele gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken heeft de raad in redelijkheid de desbetreffende planregels nodig kunnen achten. Wat betreft artikel 5 overweegt de Afdeling dat door het grotendeels uitsluiten van de aanvullende werking van de Bouwverordening geen ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt.

2.12.4. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels van bij het plan aan te geven regels ontheffing kan verlenen.

2.12.5. In het bestemmingsplan is aan de gronden voor het fiets-/voetpad één bestemming toegekend. De grenzen van deze bestemming vormen tegelijkertijd de grenzen van het plangebied. Artikel 3.4, onder b, en artikel 6, onder b, van de planregels maken het mogelijk om af te wijken van de plangrens. Hiermee wordt in feite beoogd het gebruik van buiten het plan begrepen gronden te regelen. Artikel 3.1 van de Wro waarin onder meer is bepaald dat de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven, biedt daarvoor echter geen grondslag. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan op deze punten is vastgesteld in strijd met artikel 3.1 van de Wro. Het beroep is op deze punten gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover dit betreft artikel 3.4, onder b, en artikel 6, onder b, van de planregels.

2.12.6. In de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wro (Kamerstukken II 2002/03, 28 916, nr. 3, blz. 96 en 97) is wat betreft de ontheffingsbevoegdheid van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, onder meer aangegeven dat deze binnenplanse ontheffingsbevoegdheid is ontleend aan artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Zoals de Afdeling eerder ten aanzien van artikel 15 van de WRO heeft overwogen (uitspraak van 3 juni 1996, in zaak nr. H01.95.0265 (BR 1996, p. 897), wordt blijkens de geschiedenis van de totstandkoming met deze bepaling beoogd het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Nu wat betreft de toepassingsmogelijkheden van de binnenplanse ontheffing geregeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro geen wijziging is beoogd ten opzichte van de binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid geregeld in artikel 15 van de WRO ziet de Afdeling aanleiding in overeenkomstige zin te oordelen over de toepassing van de binnenplanse ontheffingsbevoegdheid.

Ten aanzien van de overige ontheffingsbevoegdheden overweegt de Afdeling dat de raad, mede inachtgenomen de aard van de desbetreffende bouwmogelijkheden, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bij deze bevoegdheden gaat om mogelijkheden om op ondergeschikte delen van het plan af te wijken.

2.12.7. Wat betreft de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen overweegt de Afdeling dat hierdoor beperkingen aan bouwmogelijkheden kunnen worden gesteld. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hierdoor kan worden benadeeld.

2.12.8. Het overgangsrecht in artikel 7 is gericht op het beëindigen van het bestaande gebruik. Het wordt in een bestemmingsplan opgenomen zodat de bestaande gebruiker die gerechtvaardigde rechten en belangen heeft, het gebruik kan voortzetten totdat de gegeven bestemming wordt verwezenlijkt. Zodra het fiets-/voetpad is verwezenlijkt, zal het pad voor regulier gemotoriseerd verkeer gesloten worden. Voor de vrees van [appellante] dat het fiets-/voetpad blijft opengesteld voor landbouwvoertuigen en andere gemotoriseerde voertuigen, bestaat geen grond.

2.13. Voorts betoogt [appellante] dat op de verbeelding een deel van de plangrens over haar tuin is ingetekend. Daarbij betoogt [appellante] dat aan de noordzijde van haar huis een stukje braakliggende gemeentegrond buiten de begrenzing van het bestemmingsplan is gevallen. Dit stukje heeft een agrarische bestemming en dient volgens [appellante] te worden opgenomen in het bestemmingsplan.

2.13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat per abuis op de verbeelding de plangrens over een deel van de tuin van [appellante] is gelegd. Volgens de raad heeft dit geen gevolgen voor [appellante], nu het bestaande gebruik voortgezet kan worden.

Ten aanzien van het stukje braakliggende grond stelt de raad zich op het standpunt dat het de agrarische bestemming zal behouden. Voorts zal het stukje grond in beginsel eigendom blijven van de gemeente.

2.13.2. Nu de raad zich wat betreft het plan voor zover dit is ingetekend over een deel van de tuin van [appellante] op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellante] is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.13.3. Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing ter plaatse van het stukje braakliggende grond strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het stukje grond eigendom is van de gemeente en dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de grond vanwege mogelijke samenhang met het fiets-/voetpad bij het bestemmingsplan had moeten worden betrokken.

2.14. In hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor het overige strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.15. De raad dient ten aanzien van [appellante] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Koggenland van 12 oktober 2009, nr. 12, voor zover het betreft:

a. artikel 3.4, onder b, en artikel 6, onder b, van de planregels;

b. het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied (V-VB)", zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Koggenland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 32,65 (zegge: tweeëndertig euro en vijfenzestig cent);

V. gelast dat de raad van de gemeente Koggenland aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bechinka

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

371-675.

<HR>

plankaart