Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2114

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201005349/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2009 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de overtreding bestaande uit de in afwijking van de bouwvergunning verrichte bouwwerkzaamheden ten behoeve van aanbouw aan de woning op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te Uddel (hierna: het perceel) onmiddellijk stop te zetten.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Woningwet 43
Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken
Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken 2
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6684
JOM 2011/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005349/1/H1.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 28 april 2010 in zaak nr. 09/1281 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2009 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de overtreding bestaande uit de in afwijking van de bouwvergunning verrichte bouwwerkzaamheden ten behoeve van aanbouw aan de woning op het perceel plaatselijk bekend [locatie] te Uddel (hierna: het perceel) onmiddellijk stop te zetten.

Bij besluit, verzonden op 24 juli 2009, heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 juni 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. L. Bolier, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. W.M. van de Zedde, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb), voor zover thans van belang, wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet aangemerkt het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van één bouwlaag bij een bestaande woning of bestaand woongebouw, dat of die strekt tot vergroting van het woongenot, mits voldaan wordt aan de in dit artikellid beschreven kenmerken.

2.2. Bij besluit van 25 april 2007 heeft het college aan [appellante] onder nummer 07-6564, bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning en het verplaatsen van een bakhuisje. Vast staat dat bij een controle op 14 januari 2009 door een ambtenaar van de gemeente Apeldoorn is geconstateerd dat werd gebouwd in afwijking van deze bouwvergunning. De in bezwaar gehandhaafde bouwstop heeft betrekking op een aanbouw die werd gebouwd op een stuk open ruimte onder het dakoverstek van de vergunde woning waardoor een met de woning één geheel vormende dichte ruimte is ontstaan (hierna: de aanbouw) en een aan deze aanbouw gebouwde berging (hierna: het bijgebouw).

2.3. [appellante] betoogt de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was ten aanzien van het bijgebouw een bouwstop op te leggen, nu het bijgebouw een vergunningvrij bouwwerk is in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, van het Bblb. Volgens haar werd het bijgebouw bij een bestaande woning opgericht, nu de woning voor de aanvang van de bouw van het bijgebouw reeds was voltooid.

2.3.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2008 (in zaak nr. 200801404/1) is sprake van een bestaande woning of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van het Bblb, als het bijgebouw wordt opgericht na voltooiing van die woning of dat bouwwerk.

2.3.2. In het door een ambtenaar van de gemeente op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 16 januari 2009 staat onder meer:

"Op woensdag 14 januari 2009 is er door mij een bouwcontrole uitgevoerd op voornoemd perceel. Geconstateerd werd dat de indeling van de woning nogal afweek van de verleende vergunning 07-6564. Tevens was men bezig met twee uitbouwen aan de woning die niet op de vergunningtekening stonden. (…) Op bijlage 1 is de situatie aangegeven zoals de vergunning is verleend. Op bijlage 2 is in kleur aangegeven hoe de [belanghebbende] dit heeft bedacht. (…) Voor de woning is afgesproken dat hij zo snel mogelijk een gewijzigde tekening zal indienen. Of deze gewijzigde tekening ook vergund kan worden, is nu nog niet duidelijk."

Uit het proces-verbaal moet worden afgeleid dat de woning ten tijde van de bouwstop was voltooid. De bij het proces-verbaal behorende foto's van de woning van 15 januari 2009 bevestigen dat. Dat de woning in afwijking van de bouwvergunning was gerealiseerd, maakt niet dat de woning niet voltooid was. Hieruit volgt dat het bijgebouw gebouwd werd bij een bestaande woning als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van het Bblb en voor het bouwen daarvan geen bouwvergunning vereist was. Het college was dan ook niet bevoegd de in het besluit op bezwaar gehandhaafde bouwstop voor het bijgebouw op te leggen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het opleggen van een bouwstop wat betreft de aanbouw zinledig was, nu deze op het moment van het opleggen van de bouwstop volledig was gerealiseerd.

2.4.1. Ook dit betoog slaagt. Uit het proces-verbaal en de daarbij behorende foto's van 15 januari 2009 moet worden afgeleid dat de aanbouw was voltooid. De verwijzing in het proces-verbaal naar de twee uitbouwen waarmee men bezig was en die niet op de vergunningtekening stonden, ziet, gelet op de foto's en bijlage 1 met daarop de vergunde situatie, juist op het bakhuis en het bijgebouw en niet op de aanbouw. Nu ten tijde van het opleggen van de bouwstop niet meer werd gebouwd aan de aanbouw omdat die reeds was voltooid, kon het college in het besluit op bezwaar de opgelegde bouwstop ook op dit punt niet handhaven. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingediende beroep gegrond verklaren en het besluit, verzonden op 24 juli 2009, wegens strijd met artikel 100d van de Woningwet vernietigen. Het besluit van 14 januari 2009 dient te worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, verzonden op 24 juli 2009.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 28 april 2010 in zaak nr. 09/1281;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 24 juli 2009, kenmerk PD/JAV/WZ 2009-029128;

V. herroept het besluit van 14 januari 2009, kenmerk 2009-001580;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00 (zegge: vijftienhonderdenachttien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

414-669.