Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2101

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201005335/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2009 heeft de burgemeester bepaald dat de demonstratie die HVP op 31 maart 2009 wenste te houden op de locatie Churchillplein 10 te Den Haag diende te worden gehouden op het Malieveld in Den Haag.

Wetsverwijzingen
Wet openbare manifestaties
Wet openbare manifestaties 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005335/1/H3.

Datum uitspraak: 26 januari 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging het Haags Vredes Platform en de Stop de NAVO Coalitie (hierna tezamen en in enkelvoud: HVP), beide gevestigd te Den Haag,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 april 2010 in zaak nr. 09/5483 in het geding tussen:

HVP

en

de burgemeester van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2009 heeft de burgemeester bepaald dat de demonstratie die HVP op 31 maart 2009 wenste te houden op de locatie Churchillplein 10 te Den Haag diende te worden gehouden op het Malieveld in Den Haag.

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft de burgemeester het door HVP daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door HVP daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heef HVP bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2010, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2010, waar HVP, vertegenwoordigd door [secretaris], en mr. M.J.F. Stelling, advocaat te Zeist, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.S. Imanse en P.M. Verhoef, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.

Ingevolge het tweede lid kan zij, daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Ingevolge artikel 13 heeft een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties kan de burgemeester naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.

2.2. Het Anti-Imperialisme Platform (hierna: AIP) heeft bij fax van 12 maart 2009 een demonstratie aangemeld, die onder meer door HVP zou worden gehouden op 31 maart 2009 in het kader van de op die dag georganiseerde The Hague Conference on Afghanistan. Daarbij heeft het AIP te kennen gegeven de demonstratie bij voorkeur op het Churchillplein 10 te Den Haag te houden. De burgemeester heeft bepaald dat de demonstratie op het Malieveld in Den Haag diende te worden gehouden.

2.3. De rechtbank heeft het beroep van HVP niet¬-ontvankelijk verklaard omdat zij met haar beroep niet meer kon bereiken dat zij op 31 maart 2009 op het Churchillplein 10 te Den Haag mocht demonstreren. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de wens om een principiële uitspraak te verkrijgen geen procesbelang oplevert en het niet aannemelijk is dat een geschil als in deze zaak aan de orde zich op korte termijn en tussen deze partijen opnieuw zal voordoen.

2.4. HVP betoogt dat de rechtbank artikel 13 van het EVRM heeft geschonden door haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens HVP heeft zij in beroep betoogd dat de burgemeester artikel 10 van het EVRM heeft geschonden. Reeds door vaststelling van een schending van een bepaling van het EVRM wordt bijgedragen aan de bescherming van het betreffende mensenrecht en aan rechtsherstel en daarom had de rechtbank haar beroep tegen het besluit van de burgemeester van 16 juni 2009 inhoudelijk moeten behandelen. Dat zij een voorlopige voorziening heeft aangevraagd tegen het besluit van de burgemeester maakt het voorgaande niet anders, nu in die procedure veeleer een belangenafweging en geen rechtmatigheidstoets heeft plaatsgevonden, aldus HVP.

2.4.1. Het betoog faalt. Uit de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak Salah Sheekh tegen Nederland, arrest van 11 januari 2007, nr. 1948/04 (AB 2007, 76), kan worden afgeleid dat in beginsel aan de vereisten van artikel 13 van het EVRM is voldaan wanneer een vermeende schending van het EVRM is voorgelegd aan de voorzieningenrechter en hij daarover tijdig een beslissing heeft genomen. HVP heeft de mogelijkheid gehad om een rechterlijk oordeel te verkrijgen over het besluit van de burgemeester dat de demonstratie die zij op 31 maart 2009 wenste te houden op de locatie Churchillplein 10 te Den Haag diende te worden gehouden op het Malieveld in Den Haag. Hiertoe kon zij na het indienen van een bezwaarschrift de voorzieningenrechter verzoeken een voorlopige voorziening te treffen. Van deze mogelijkheid heeft HVP ook gebruik gemaakt. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 30 maart 2009 materieel getoetst of de door de burgemeester opgelegde beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd was. Artikel 13 van het EVRM is dan ook niet geschonden door het beroep van HVP nadien wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk te verklaren.

Het ter zitting gedane beroep op de uitspraak van het EHRM in de zaak Hasan en Chaush tegen Bulgarije, arrest van 26 oktober 2000, nr. 30985/96 (AB 2001, 183) leidt niet tot een ander oordeel, omdat in die zaak het Hooggerechtshof van Bulgarije weigerde de door Hasan en Chaush aangebrachte zaak te beoordelen omdat de ministerraad van Hongarije ter zake volledige beslissingsvrijheid genoot terwijl in deze zaak, zoals hiervoor uiteen is gezet, wel de mogelijkheid bestond om een rechterlijk oordeel te verkrijgen over het besluit van de burgemeester.

Artikel 13 van het EVRM staat er niet aan in de weg dat wordt geëist dat een appellerende partij nog enig reëel belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. HVP kon, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, met haar beroep niet meer bereiken dat zij alsnog op 31 maart 2009 op het Churchillplein 10 te Den Haag mocht demonstreren. Daarnaast heeft de rechtbank terecht overwogen dat een belang gelegen kan zijn in de omstandigheid dat een soortgelijk geschil zich tussen dezelfde partijen in de toekomst kan voordoen en daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2009 in zaak nr. 200806587/1 (www.raadvanstate.nl). HVP heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat eenzelfde uitzonderlijk evenement als de The Hague Conference on Afghanistan in de nabije toekomst wederom zal worden georganiseerd en dat daarbij eveneens dezelfde maatregelen zullen worden genomen. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat het verkrijgen van een principiële uitspraak geen procesbelang oplevert.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011.

176-622.