Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2100

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201005275/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2008 heeft het bestuur een aanvraag van [appellante] om toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005275/1/H2.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 4 mei 2010 in zaak nr. 09/1860 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, hierna: het bestuur).

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2008 heeft het bestuur een aanvraag van [appellante] om toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 19 maart 2009 heeft het het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2010, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2010, waar het bestuur, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam in dienst van de raad voor rechtsbijstand, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb), wordt rechtsbijstand niet verleend, indien het een belang betreft, waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling, van wie, onderscheidenlijk waarvan, de werkzaamheden niet binnen de werkingssfeer van deze wet vallen.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, kan het bestuur de toevoeging weigeren, indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar zijn oordeel eenvoudig kan worden afgehandeld.

Voor de toepassing van onder meer voormeld artikel 12 heeft het bestuur beleidsregels gepubliceerd in het Handboek Toevoegen, uitgave april 2007 (hierna: het Handboek).

Volgens aantekening 31 bij artikel 12 van de Wrb van het Handboek vloeit de uitsluitingsgrond uit de voormelde bepaling voort uit de doelstelling van de wet. Die strekt er volgens die aantekening toe een voorziening te bieden voor bijstand van juridische aard. In een aantal gevallen zal volgens de aantekening weliswaar sprake zijn van een probleem, waarvoor de rechtzoekende hulp nodig heeft, doch in het kader van deze wet zal beoordeeld moeten worden of de noodzaak bestaat om juridische bijstand te verlenen. Het niet spreken van de Nederlandse taal, het niet beschikken over juridische kennis of de gezondheid van rechtzoekende maakt niet dat noodzaak tot het verlenen van juridische bijstand bestaat. Is juridische bijstand niet geïndiceerd, dan dient de aanvraag te worden afgewezen, waarbij rechtzoekende zonodig gewezen kan worden op andere meer geëigende vormen van hulpverlening zoals maatschappelijk werk, slachtofferhulp of het bureau sociaal raadslieden, aldus deze passage.

2.2. [appellante] heeft een klacht ingediend dat de politie is tekort geschoten in haar dienstverlenende taak. In verband hiermee heeft zij om de toevoeging verzocht.

2.3. Aan de afwijzing heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat zich naar zijn oordeel geen zo complexe aangelegenheid voordoet, dat een noodzaak tot het verlenen van juridische bijstand bestaat.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het bestuur zich op het standpunt mocht stellen dat zij geacht moet worden zonder hulp van een advocaat een klacht over politieoptreden in te kunnen dienen, heeft miskend dat hiervoor, gezien de feitelijke en juridische complexiteit, juridische bijstand noodzakelijk is.

Voorts heeft de rechtbank volgens haar, door haar betoog dat het bestuur het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, miskend dat de toevoegingen met de kenmerken 4GS4853, 4EQ0667, 4FY5254 en 4HS7739 een klacht over politieoptreden betreffen en de toevoeging met kenmerk 4EQ0667 ook dezelfde zaakscode heeft.

2.4.1. Dat betoog faalt. De Wrb strekt er toe een voorziening te bieden voor juridische bijstand. Het was aan het bestuur om te beoordelen of daartoe noodzaak bestaat. Het in beroep aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen grond gegeven voor het oordeel dat het bestuur zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de klacht van [appellante] over het politieoptreden niet feitelijk en/of juridisch zo complex is, dat zij haar belangen in deze niet zelf kan behartigen. Dat [appellante], als gesteld, niet over juridische kennis beschikt, is daarvoor niet voldoende.

Het betoog van [appellante] inzake schending van het gelijkheidsbeginsel faalt evenzeer. De door haar in dit verband vermelde toevoegingen betreffen een geval waarin dwangmiddelen zijn toegepast. Die situatie doet zich hier niet voor.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

85-616.