Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201003681/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2010, nr. V200901251, heeft de raad het bestemmingsplan "Ei van Drunen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4700
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003681/1/R3.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], en andere,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Heusden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2010, nr. V200901251, heeft de raad het bestemmingsplan "Ei van Drunen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante] en andere bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 14 april 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2010, waar [appellante] en andere, vertegenwoordigd door mr. T. Stegers, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de raad, vertegenwoordigd door ing. J.P. Burgs, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Met het plan is beoogd een planologisch-juridisch kader te bieden voor het realiseren van een aansluiting van de A59 op de Spoorlaan.

2.2. De raad betwist dat [appellante] en andere als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, omdat het voorliggende plan niet voorziet in hetgeen [appellante] en andere wensen te voorkomen, namelijk dat de afslag 41 komt te vervallen. Nu voor de afsluiting van afslag 41 nadere besluitvorming is vereist kunnen [appellante] en andere niet als belanghebbenden worden aangemerkt, aldus de raad.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2.2. Blijkens de plantoelichting wordt met de nieuwe aansluiting van de A59 op de Spoorlaan de afsluiting van afslag 41, die op korte afstand daarvan ligt, in de toekomst mogelijk gemaakt. De afslag 41 kan niet vervallen als voorliggend plan geen stand houdt. [appellante] en andere hebben bedrijven op het industrieterrein De Meeuwaert, dat vanaf de A59 het snelst te bereiken is via afslag 41. Gelet hierop hebben [appellante] en andere een belang dat rechtstreeks bij de afsluiting van afslag 41 en dus ook bij het bestreden besluit is betrokken, zodat zij als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt. Dat voor het afsluiten van de afslag 41 nadere besluitvorming is vereist, is hier niet van doorslaggevende betekenis.

2.3. [appellante] en andere komen in beroep tegen het plan en voeren daartoe aan dat bij het plangebied ten onrechte het industrieterrein De Meeuwaert niet is betrokken gelet op de planologische samenhang. Die samenhang is volgens hen gelegen in de omstandigheid dat door realisering van het plan de bestaande ontsluiting van genoemd industrieterrein, afslag 41, overbodig wordt en zal komen te vervallen.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan de afsluiting van afslag 41 niet mogelijk maakt. Nu het plan in ruimtelijk opzicht geen invloed heeft op genoemd industrieterrein heeft de raad geen aanleiding gezien om dat terrein bij het plangebied te betrekken.

2.3.2. Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

Ter verbetering van de verkeersafwikkeling in de directe omgeving van Drunen wordt met het voorliggende plan een aansluiting van de A59 op de Spoorlaan mogelijk gemaakt. De relatie tussen het industrieterrein De Meeuwaert enerzijds en het plangebied anderzijds is niet zodanig dat beide gebieden in één bestemmingsplan geregeld dienen te worden. De gevolgen van het voorliggende plan kunnen immers voldoende beoordeeld worden. Ook de omstandigheid dat zonder de nieuwe aansluiting op de A59 de eventuele afsluiting van afslag 41 niet mogelijk is, maakt niet dat deze afslag en het nabijgelegen industrieterrein in dit plan hadden moeten worden opgenomen. De door [appellante] en andere in het beroepschrift genoemde uitspraak van de Afdeling van 22 april 1991, BR 1991, 609 gaat over de ruimtelijke samenhang tussen de beoogde ontwikkeling en de gevolgen daarvan voor het leefgebied van een aantal amfibieën. Deze samenhang kan niet worden gelijkgesteld met de door [appellante] en andere gestelde samenhang tussen het industrieterrein De Meeuwaert en het plangebied in voorliggend plan. Ook de door [appellante] en andere in het beroepschrift genoemde uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 1991, BR 1992, 390 ziet op een andere situatie, omdat in die zaak het bestemmingsplan, door het mogelijk maken van een sportveld, zelf voorziet in het verdwijnen van een bestaande ontsluiting.

In hetgeen [appellante] en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

2.4. Voorts stellen [appellante] en andere dat de raad bij de vaststelling onvoldoende rekening heeft gehouden met de verkeerskundige gevolgen van het plan voor genoemd industrieterrein. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe ontsluiting, sluipverkeer en de verkeersveiligheid.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het vele sluipverkeer door de kernen bij de aansluiting Drunen/Elshout door realisatie van een nieuwe aansluiting tot een minimum kan worden beperkt. Bij de opstelling van het plan is uitgegaan van een verkeersberekening voor het jaar 2020. Verder komt uit het verkeersmodel uit de Corridorstudie A59, dat ten grondslag ligt aan het verkeerstechnisch ontwerp, naar voren dat alle verkeersbewegingen goed verwerkt kunnen worden. Daarbij is eveneens rekening gehouden met de verkeersbewegingen van het industrieterrein De Meeuwaert. Het is niet te verwachten dat gebruik van de rotondes tot verkeersonveilige situaties zal leiden, aldus de raad.

2.4.2. Uit de Corridorstudie komt naar voren dat de A59 aanpassing behoeft om de verwachte stijging van de verkeersdruk te kunnen verwerken. Hiervoor is het volgens de Corridorstudie noodzakelijk een nieuwe infrastructuur aan te leggen die de doorstroming van het verkeer kan garanderen. Met name het reconstrueren van de aansluitingen op de A59 is cruciaal, in combinatie met een verbetering van het onderliggende wegennet. Onderdeel van deze aanpassingen is een nieuwe aansluiting op Heusden die vanuit Drunen is te bereiken en het mogelijk laten vervallen van onder andere de afslag 41. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat gelet op de uitkomsten van de Corridorstudie, bezien in het licht van hetgeen [appellante] en andere hebben aangevoerd, de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verkeersproblemen niet te verwachten zijn. Het betoog faalt.

2.5. [appellante] en andere betogen dat een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden door geen rekening te houden met de extra om te rijden kilometers en de daarmee gepaard gaande schade die het afsluiten van de afslag 41 met zich brengt. In dat verband stellen [appellante] en andere dat alternatieven voor het afsluiten van de afslag 41, die de nieuwe afslag overbodig maken, onvoldoende zijn onderzocht.

2.5.1. Zoals reeds onder 2.3.2 overwogen, voorziet het voorliggende plan niet in het afsluiten van de afslag 41. De schade die [appellante] en andere stellen te zullen leiden als gevolg van die afsluiting kan dan ook in deze procedure niet aan de orde komen. Ten aanzien van mogelijke alternatieven wordt overwogen dat uit het "Studieontwerp aansluiting N267" van 20 september 2010 naar voren komt dat alternatieve oplossingen en diverse routes van en naar het industrieterrein De Meeuwaert zijn onderzocht. Verder komt uit de brief van 12 mei 2009 van het college van gedeputeerde staten naar voren dat de door [appellante] en andere aangedragen alternatieven zijn besproken, maar dat hiertegen verkeerskundige, ruimtelijke en technische bezwaren zijn. Niet gebleken is dat het studieontwerp zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich hierop niet heeft kunnen baseren. Het betoog faalt.

2.6. In hetgeen [appellante] en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover betwist strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

350-661.