Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2093

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201000560/1/T1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Museum De Locht" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4687
JOM 2011/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000560/1/T1/R3.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Horst aan de Maas,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Museum De Locht" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 21 december 2009, gericht aan het college van gedeputeerde staten van Limburg en aldaar ingekomen op 24 december 2009, beroep ingesteld. Het college heeft het beroepschrift op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar de Afdeling.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Stichting Museum "De Locht" (hierna: de stichting) en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en ing. J.A.M. Stultiens, en de raad, vertegenwoordigd door mr. L.L.W. Peeters en K.M. van Rijsewijk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter] en [directeur], als belanghebbende gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Het plan maakt de uitbreiding van museum De Locht, de bouw van twee woningen aan de Broekhuizerdijk en van twee woningen aan de Koppertweg, de wijziging tot burgerwoning van een agrarische bedrijfswoning aan de Broekhuizerdijk en de aanleg van een fietspad langs de Broekhuizerdijk mogelijk. Wat betreft het museum voorziet het plan in een plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" waarop bouwvlakken zijn aangegeven ter plaatse van de bestaande museumgebouwen en in een ten oosten en ten zuiden van die gebouwen gesitueerd nieuw bouwvlak dat ingevolge de daarop aangebracht aanduiding voor maximaal 45% mag worden bebouwd.

2.3. [appellant] exploiteert een veehouderij op een ongeveer 30 meter ten zuiden van het plangebied gelegen perceel.

2.4. De raad heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit het uitgevoerde geuronderzoek blijkt dat de ingevolge het plan nieuw te bouwen woningen gerealiseerd worden in een gebied waar een redelijk goed woon- en leefklimaat gegarandeerd is en dat voor de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten wordt voldaan aan de geurnormen voor het buitengebied. Nu die objecten niet in de geurcontour van de veehouderij van [appellant] liggen, vormt het plan geen extra belemmering voor zijn bedrijf.

2.5. [appellant] voert aan dat de raad bij de vaststelling van de geurcirkel van zijn bedrijf ten onrechte is uitgegaan van de huidige emissiepunten in plaats van van de rand van het bouwvlak.

2.5.1. Niet in geschil is dat het bedrijf van [appellant] zich bevindt in de directe nabijheid van de bebouwde kom van Melderslo en dat daar reeds van een wat geur betreft overbelaste situatie sprake is. Ter zitting is komen vast te staan dat [appellant] in verband daarmee wellicht nieuwe stallen aan de kant van de bebouwde kom en het plangebied kan realiseren, maar geen nieuwe emissiepunten. Dit brengt met zich dat [appellant] niet over uitbreidingsmogelijkheden beschikt die wel tot aantasting van het woon- en leefklimaat binnen het plangebied zouden kunnen leiden maar niet tot een verdere overschrijding van de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) ter plaatse van de nabijgelegen bebouwde kom. Dat bedrijfsuitbreiding mogelijk is met toepassing van technieken waardoor de emissie wordt beperkt, zoals [appellant] stelt, vormt geen grond voor een ander oordeel. Zoals [appellant] ter zitting heeft toegelicht, doelt hij hiermee op de zogenoemde 50/50 regeling uit artikel 3, vierde lid, van de Wgv. Ingevolge die bepaling wordt, indien de geurbelasting groter is dan toegestaan (zoals voor het bedrijf van [appellant] het geval is), het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, een omgevingsvergunning verleend voor zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voor zover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand. Dit brengt met zich dat bij gebruikmaking van deze regeling de door het bedrijf van [appellant] veroorzaakte geurbelasting zal worden gereduceerd, zodat het niet kan gaan om een uitbreidingsmogelijkheid die het woon- en leefklimaat in het plangebied ongunstig zou beïnvloeden. De raad hoefde in de eventuele uitbreidingsmogelijkheden van [appellant] dan ook geen aanleiding te zien bij de bepaling van de geurcirkel uit te gaan van de grens van het bouwvlak van [appellant]. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] voert aan dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de omgeving van het plangebied moet worden aangemerkt als buitengebied en niet als bebouwde kom. Hij betoogt dat door de bebouwing die het plan mogelijk maakt, wordt bewerkstelligd dat aaneengesloten bebouwing ontstaat, zodat een andere geurnorm van toepassing is.

2.6.1. Het begrip bebouwde kom kan volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wgv worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur (Kamerstukken II 2005-2006, 30 453, nr. 3, blz. 17 en 18), een en ander zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 25 november 2009 in zaak nr. 200902261/1/M2 en de uitspraak van 30 juni 2010 in zaak nr. 200901350/1/R3).

2.6.2. Het plangebied ligt aan de oostzijde van Melderslo tussen de Broekhuizerdijk, de Koppertweg en de Blaktweg. Ten westen van de Koppertweg bevindt zich de kern van Melderslo met aaneengesloten woonbebouwing. Niet in geschil is dat deze bebouwing als bebouwde kom moet worden aangemerkt. Ten oosten van de Koppertweg bevindt zich verspreide woonbebouwing, waaraan ingevolge het plan in de noordwestelijke hoek van het plangebied twee woningen zullen worden toegevoegd op een perceel van ongeveer 30 meter breed. Tevens zullen twee woningen worden gerealiseerd op een perceel van ongeveer 30 meter breed aan de Broekhuizerdijk, die het plangebied aan de noordzijde begrenst. Ten noorden en ten zuiden van het plangebied liggen wegen met verspreide lintbebouwing en agrarische bedrijven. Het landschap ten oosten van het plangebied wordt gedomineerd door kassen. Uit de door de raad ter zitting overgelegde luchtfoto's blijkt dat de bebouwingsstructuur ten oosten van de Koppertweg aanzienlijk minder dicht is dan die ten westen van die weg. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plangebied niet als bebouwde kom dient te worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat zich ten oosten van de Koppertweg, tussen deze weg en het plangebied, verspreide woonbebouwing bevindt waaraan ingevolge het plan enkele woningen zullen worden toegevoegd, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat het plangebied wordt omgeven door op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur.

Het betoog van [appellant] faalt.

2.7. [appellant] voert aan dat niet alleen het entreegebouw maar alle te realiseren museumgebouwen moeten worden aangemerkt als geurgevoelige objecten als bedoeld in de Wgv en dat uit de door hem overgelegde geurberekeningen blijkt dat, hiervan uitgaande, de geurnormen uit die wet worden overschreden, zodat hij door het plan in zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd.

2.7.1. Ingevolge artikel 1 van de Wgv, voor zover hier van belang, wordt in deze wet onder een geurgevoelig object verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of [op] een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

2.7.2. Ingevolge artikel 4.1.1 van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor een museum met daaraan ondergeschikt horeca en detailhandel, met bijbehorende gebouwen. Blijkens de door de stichting overgelegde stukken wordt onder meer beoogd het museum uit te breiden met een separaat aspergemuseum en champignonmuseum, en met een nieuw te ontwikkelen glastuinbouwmuseum. Het museum is van april tot en met oktober dagelijks geopend van 11.00 uur tot 17.00 uur en van november tot en met maart gedurende drie middagen per week. Daarnaast is het museum blijkens de stukken alle overige uren en dagen geopend ten behoeve van groepen. Bij het museum zijn ruim 180 vrijwilligers werkzaam en per jaar wordt het museum thans door ongeveer 25.000 personen bezocht. In de toelichting bij het plan wordt als uitgangspunt genomen dat het museum jaarlijks 40.000 bezoekers zal trekken. Ter zitting heeft de stichting toegelicht dat de uitbreiding van het museum nodig is om het bezoekersaantal op peil te houden en mogelijk te verhogen. De bezoekers worden ontvangen in het entreegebouw dat ingevolge het plan op het noordelijke deel van het nieuwe bouwvlak gerealiseerd zal worden. Daarna gaan zij naar de museumgebouwen en de tuin waarin deze gebouwen zijn gelegen, al dan niet onder begeleiding van een gids. Voorts worden in het museum regelmatig demonstraties gegeven van oude ambachten. De vrijwilligers worden ingezet volgens een rooster.

Op grond hiervan is de Afdeling van oordeel dat de ingevolge het plan te realiseren tentoonstellingsgebouwen - waarvan niet in geschil is dat ze zijn bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf - moeten worden aangemerkt als geurgevoelige objecten als bedoeld in artikel 1 van de Wgv omdat ze op een met permanent verblijf vergelijkbare wijze zullen worden gebruikt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 september 2010 in zaak nr. 200909701/1/R1), uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1 van de Wgv valt af te leiden dat niet alleen een permanent verblijf beschermingswaardig is. Volgens de memorie van toelichting leidt ook een korte verblijfsduur tot bescherming, voor zover sprake is van een ten minste regelmatig verblijf. Omdat de mens beschermingswaardig is, is het niet relevant of het verblijf wordt uitgeoefend door hetzelfde individu of door verschillende mensen. Dat heeft als consequentie dat, voor zover de totale verblijfsduur overeenkomt, de kortdurende aanwezigheid door meerdere mensen is gelijkgesteld met de langdurige aanwezigheid door één of enkele mensen (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3, blz. 17). De raad kan dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat alleen het entreegebouw van het museum als geurgevoelig object moet worden aangemerkt omdat alleen daar de gehele dag een museummedewerker aanwezig is. Gelet op de hiervoor vermelde bezoekersaantallen en openingstijden is immers aannemelijk dat in de tentoonstellingsgebouwen regelmatig en op een met permanent verblijf vergelijkbare wijze bezoekers en vrijwilligers zullen verblijven.

2.7.3. Niet in geschil is dat het plangebied is gelegen in een concentratiegebied als bedoeld in de Wgv. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, dient er van te worden uitgegaan dat het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom en dat de geurbelasting van het bedrijf van [appellant] dient te worden berekend aan de hand van de bestaande emissiepunten.

2.7.4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wgv wordt een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom, meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht (hierna: OU). Ter zitting heeft de raad desgevraagd medegedeeld dat hij geen verordening heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 6 van de Wgv.

2.7.5. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft [appellant] bij zijn beroepschrift berekeningen overgelegd van de geurbelasting van zijn bedrijf op de in het plangebied gelegen geurgevoelige objecten. Ter zitting heeft de raad met betrekking tot een beperkt aantal van de in de berekeningen van [appellant] opgenomen rekenpunten een eigen berekening overgelegd die is gebaseerd op de gegevens uit de milieuvergunningen van [appellant]. De raad heeft daarbij toegelicht dat de uitkomsten van zijn berekeningen en de berekeningen van [appellant] die zijn gebaseerd op de bestaande emissiepunten met elkaar overeenkomen, behoudens een verwaarloosbaar verschil van 0,1 OU op een enkel rekenpunt. Gelet daarop kan voor de beoordeling van het betoog van [appellant] vooralsnog worden uitgegaan van de uitkomsten van de berekeningen van [appellant] die zijn gebaseerd op de bestaande emissiepunten. Uit die berekeningen blijkt dat de geurbelasting ten gevolge van het bedrijf van [appellant] op de meetpunten gelegen ter plaatse van de in het noordelijk deel van het plangebied te realiseren woningen tussen de 3,77 en de 4,61 OU zal bedragen. Ter plaatse van het entreegebouw van het museum is een geurbelasting van 5,29 OU berekend en ter plaatse van de uiterste zuidkant van het nieuwe bouwvlak van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" een geurbelasting van 15,66 OU.

2.7.6. In de toelichting bij het plan staat dat het plan geen extra belemmering voor het bedrijf van [appellant] vormt omdat wordt voldaan aan de vereiste geurnorm. Uit het voorgaande volgt echter dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat de door zijn bedrijf veroorzaakte geurbelasting op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk", voor zover dat is gelegen ten zuiden van de reeds bestaande museumgebouwen, de norm van artikel 3 van de Wgv zal overschrijden. In het verweerschrift heeft de raad gesteld dat uit de door hem uitgevoerde berekeningen volgt dat op de bouwgrens van het bestemmingsvlak "Maatschappelijk" aan de geurnorm van 14 OU kan worden voldaan. Uit de door de raad ter zitting overgelegde berekeningen kan echter niet worden afgeleid dat het in de berekeningen van [appellant] opgenomen meetpunt 23, waarop voormelde geurbelasting van 15,66 OU is berekend, daarin is meegenomen. Gelet daarop heeft de raad zijn standpunt dat [appellant] door het plan niet zal worden belemmerd in zijn bedrijfsvoering onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond van [appellant] is in zoverre terecht voorgedragen en het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8. [appellant] voert aan dat in het plangebied, gelet op de door zijn bedrijf veroorzaakte geurbelasting, geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

2.8.1. In de toelichting bij het plan staat dat met onderzoek is aangetoond dat de nieuw te bouwen woningen gerealiseerd worden in een gebied waar een redelijk woon- en leefklimaat gegarandeerd is en dat het percentage geurgehinderden dermate laag is dat de milieukwaliteit als redelijk goed aangemerkt kan worden. Voorts staat in de toelichting dat uit de berekening blijkt dat voor de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten wordt voldaan aan de geurnorm voor het buitengebied.

Volgens het bij het plan behorende rapport "Onderzoek 'omgekeerde werking' in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij", gedateerd 17 maart 2008, van Van Dun Advies B.V. is ter plaatse van de ingevolge het plan te realiseren woningen, gelet op de verhouding tussen de voorgrond- en de achtergrondbelasting, de voorgrondbelasting maatgevend en bedraagt het aantal geurgehinderden, bij de gemeten voorgrondbelasting van 4,8 OU, 12%. Op grond hiervan wordt onder verwijzing naar de door het RIVM bij haar milieurapportages gehanteerde milieukwaliteitscriteria, de milieukwaliteit als redelijk goed aangemerkt. Nu de in dit rapport berekende geurbelasting ter plaatse van de ingevolge het plan te realiseren woningen in hoge mate overeenkomt met de door [appellant] overgelegde meetresultaten en [appellant] de uitgangspunten en conclusies van dit rapport als zodanig niet gemotiveerd heeft weerlegd, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de te realiseren woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal worden gerealiseerd.

Dit laat onverlet dat de raad zijn ter zitting ingenomen standpunt dat ook ter plaatse van het entreegebouw van het museum, waar volgens de berekening van [appellant] de geurbelasting 5,29 OU zal bedragen en volgens de ter zitting door de raad overgelegde berekening een geurbelasting van 6,6 OU te verwachten is, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal worden gerealiseerd, niet nader heeft onderbouwd. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 januari 2010 in zaak nr. 200807852/1/R2), indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm wordt overschreden, dit niet met zich brengt dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Evenmin kan indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele norm niet wordt overschreden, er zonder meer van worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Dit brengt mee dat de raad inzichtelijk had moeten maken in hoeverre ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Dit geldt te meer voor de overige bouwvlakken met de bestemming "Maatschappelijk", nu de raad geen onderzoek heeft verricht naar de daar te verwachten geurbelasting en blijkens de door [appellant] overgelegde gegevens de geurbelasting ter plaatste van het meest zuidelijke bouwvlak aanzienlijk hoger is dan de 4,8 OU waarop de raad zijn standpunt dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, heeft gebaseerd. De beroepsgrond van [appellant] is in zoverre terecht voorgedragen en het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.9. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

De raad dient hiertoe een deugdelijke motivering aan het besluit van 10 november 2009 ten grondslag te leggen, in die zin dat zo nodig op grond van nader onderzoek, inzichtelijk wordt gemaakt op grond waarvan de raad zich op het standpunt stelt dat het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" geen extra belemmering vormt voor het bedrijf van [appellant] en dat in dat plandeel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd, dan wel dat besluit voor zover het betrekking heeft op dat deel van het plangebied, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend gemaakt te worden.

2.10. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Horst aan de Maas op om binnen vier maanden na de verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in 2.9 is overwogen:

1. het besluit van 10 november 2009, zonder kenmerk, waarbij het bestemmingsplan "Museum De Locht" is vastgesteld, zo nodig mede op basis van nader onderzoek, alsnog toereikend te motiveren dan wel dat besluit voor zover het betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling; in het laatste geval dient het nieuwe besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend gemaakt te worden;

2. de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Mathot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

413.