Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2090

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201008988/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Oss - 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008988/2/R3.

Datum uitspraak: 21 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B], beiden wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker sub 2]),

3. [verzoeker sub 3A] en [verzoekster sub 3B], wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker sub 3]),

4. [verzoekster sub 4A] en [verzoeker sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker sub 4]) gevestigd dan wel wonend te [plaats],

en

de raad van de gemeente Oss,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Oss - 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2010, [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2010, [verzoeker sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2010, en [verzoeker sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2010, heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2010, heeft [verzoeker sub 3] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 4] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 22 december 2010, waar [verzoeker sub 1], in persoon, en bijgestaan door mr. drs. J.M. Stedelaar, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3], van wie [verzoeker sub 2A], [verzoeker sub 2B] en [verzoekster sub 3B] in persoon, en bijgestaan door mr. B. de Jong, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. van den Broek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. [verzoeker sub 4] is niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het verzoek van [verzoeker sub 4]

2.2. Het perceel van [verzoeker sub 4] is in het thans voorliggende plan bestemd als "Agrarisch". In het hiervoor geldende plan was de bestemming van het perceel eveneens "Agrarisch".

2.3. [verzoeker sub 4] voert aan dat het gedeelte van haar perceel aan de [locatie] te [plaats], waarop een timmer- en bouwbedrijf was gevestigd, ten onrechte geen bedrijfsbestemming heeft gekregen. Zij voert aan dat hoewel zij inmiddels door omstandigheden gedwongen is haar bedrijfsactiviteiten gefaseerd te beëindigen, er nog veel machines en materieel op het perceel aanwezig zijn.

2.4. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening een bedrijfsbestemming wordt toegekend aan het deel van het perceel waarop de machines en materieel aanwezig zijn, ten einde te voorkomen dat het college van burgemeester en wethouders van Oss tot handhavend optreden over kan en zal gaan.

[verzoeker sub 4] is niet gebaat bij schorsing van enig deel van het bestreden besluit, nu daarmee niet het door haar gewenste resultaat kan worden bereikt, aangezien de geldende bestemming eveneens "Agrarisch" is. Een voorlopige voorziening die zou voorzien in de door [verzoeker sub 4] gewenste bedrijfsbestemming acht de voorzitter te verstrekkend, aangezien ook met de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure een dergelijke bestemming niet kan worden bewerkstelligd. Gelet hierop dient het verzoek van [verzoeker sub 4] te worden afgewezen.

Het verzoek van [verzoeker sub 1]

2.5. Het plan voorziet voor zover hier van belang in de toekenning van de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie" met de aanduiding "sr-bbr - specifieke vorm van recreatie-bierbrouwerij" aan het perceel Oijense Bovendijk 61, voor zover dat perceel binnen het plangebied ligt.

2.6. [verzoeker sub 1] voert aan dat het plan dagrecreatieve voorzieningen in de specifieke vorm van recreatie-bierbrouwerij zonder enige nadere beperking mogelijk maakt op het perceel. De aanduiding "sr-bbr" is ten onrechte niet nader in de planregels omschreven en aldus ontstaat voor omwonenden een rechtsonzekere situatie, aldus [verzoeker sub 1]. Inmiddels is reeds een aanvang gemaakt met de aanleg van 32 parkeerplaatsen ten behoeve van de illegaal in gebruik zijnde bierbrouwerij-horecagelegenheid. Hierdoor zal, naar [verzoeker sub 1] vreest, de reeds door hem ten gevolge van de illegale bedrijfsactiviteiten reeds ondervonden verkeers-/parkeer- en geluidsoverlast toenemen.

2.6.1. De raad erkent dat het parkeren aan de Kasteeldijk door bezoekers van de bierbrouwerij leidt tot parkeerhinder voor onder meer [verzoeker sub 1]. Hij betoogt dat met de toegekende bestemming is beoogd te voorzien in parkeergelegenheid ten behoeve van de bierbrouwerij. Volgens hem is het toekennen van de nieuwe bestemming geen verslechtering ten opzichte van het voorgaande plan, nu hierin de bestemming "Verkeersdoeleinden" voor het betreffende perceelsgedeelte was opgenomen. Deze bestemming maakt het al mogelijk dat ter plaatse wordt geparkeerd, aldus de raad.

2.6.2. Ingevolge artikel 10.1 van de planregels is op het betreffende perceel uitsluitend dagrecreatie toegestaan in de vorm van "specifieke vorm van recreatie-bierbrouwerij" met bijbehorende voorzieningen.

2.7. Niet in geschil is dat de nieuwe bestemming is opgenomen ten behoeve van een nog te legaliseren bedrijf gelegen in de gemeente Lith, waartoe een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure moet worden doorlopen. Naar ter zitting door de raad is gesteld, wordt op dit moment aan de voorbereiding van een bestemmingsplan ter legalisering van de bierbrouwerij gewerkt. Bij die procedure wordt ook het onderhavige perceelsgedeelte betrokken, hetgeen door de fusie van de beide gemeentes per 1 januari 2011 mogelijk is. Bij deze stand van zaken ziet de voorzitter aanleiding na afweging van de betrokken belangen het verzoek om schorsing van het bestreden besluit in zoverre in te willigen. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de geldende bestemming van het perceel volgens de raad aan het parkeren op dit gedeelte van het perceel niet in de weg staat en dat voorshands niet geheel inzichtelijk is gemaakt of de voor het perceelsgedeelte in het plan opgenomen bestemmingsregeling niet meer activiteiten ter plaatse mogelijk maakt dan de door de raad beoogde parkeervoorziening.

De verzoeken van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3]

2.8. Het plan maakt voor zover hier van belang woningbouw mogelijk op een perceel aan de Kortstestraat te Berghem. Het perceel ligt ten westen van de woning van [verzoeker sub 2] op het perceel Kortstestraat 4 en ten oosten van een kampeerboerderij. Ten zuiden van deze drie percelen ligt het perceel van [verzoeker sub 3], waarop een agrarische bestemming rust.

2.9. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] kunnen zich niet verenigen met het toekennen van een woonbestemming aan het perceel aan de Kortstestraat. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] voeren hiertoe in de eerste plaats aan dat volgens de Structuurvisie bebouwingsconcentraties Buitengebied Oss - 2010 (hierna: de structuurvisie) en volgens het provinciale beleid verstening in het buitengebied moet worden voorkomen en dat er in het buitengebied in principe geen nieuwe burgerwoningen mogen worden gerealiseerd. Zij wijzen er op dat in de structuurvisie vervatte zogeheten "Buitengebied in Ontwikkeling - regeling" is bepaald dat een financiële bijdrage moet worden geleverd van € 140.000, indien nieuwe bouwmogelijkheden binnen bebouwingsconcentraties in het buitengebied worden geboden. Volgens de structuurvisie moet dit bedrag voor de vaststelling van het plan in een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer zeker zijn gesteld en moet het bedrag zijn overgemaakt aan de gemeente. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] betogen dat hiervan niet is gebleken en dat derhalve geen woonbestemming aan het perceel had mogen worden toegekend.

2.9.1. Naar ter zitting door de raad is verklaard, maakt de storting van de verplichte bijdrage in het gemeentelijk landschapsfonds deel uit van de door de gemeente met de initiatiefnemer gesloten overeenkomst. Of het bedrag daadwerkelijk is gestort, kan in het kader van de vraag of het plandeel zich verhoudt met een goede ruimtelijke ordening niet aan de orde komen.

2.10. Verder voeren [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] aan dat een nieuwe woning niet past in de gemeentelijke ontwikkelingsvisie en het landschapsbeleid, volgens welk beleid de openheid van het landschap moet worden gewaarborgd, lintbebouwing niet mag worden dichtgebouwd en niet op oude akkers mag worden gebouwd.

2.10.1. De raad heeft betoogd dat in de ontwikkelingsvisie voor het gebied Kleine Koolwijk/Duurenseind waarin het betreffende perceel ligt, een streefbeeld is vastgesteld. Onderdeel van dit streefbeeld is een kaart waarop diverse bebouwingsclusters en doorzichtslijnen zijn opgenomen. Uitgangspunt volgens de ontwikkelingsvisie is dat de doorzichtslijnen niet worden onderbroken en dat bebouwing enkel plaatsvindt binnen de bebouwingsclusters. De raad wijst er op dat het betreffende perceel in de reeds bestaande bebouwingscluster nabij het kruispunt van de Deursenseweg en de Kortstestraat ligt en dat het perceel niet in een doorzichtlijn ligt. Daarom levert een woonbestemming ter plaatse geen aantasting van bestaande landschappelijke kwaliteiten en ook geen strijd met het gemeentelijke beleid op, volgens de raad. In hetgeen [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben aangevoerd, ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt hebben kunnen stellen.

2.11. Verder betoogt [verzoeker sub 3] dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of op de projectlocatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. [verzoeker sub 3] voert in dit kader aan dat op zijn perceel een kersenboomgaard zal worden aangelegd, en dat geen rekening is gehouden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Hij wijst er op dat voor spuitzones rond boomgaarden en kwekerijen een minimale afstand van 50 meter dient te worden aangehouden, en dat de afstand van de boomgaard tot het perceel minder dan 25 is.

2.12. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker sub 3] reeds beperkt wordt in zijn mogelijkheden om een kersenboomgaard aan te leggen door de nabijgelegen kampeerboerderij en de woning van [verzoeker sub 2], aangezien deze eveneens binnen een afstand van 50 meter rond de aan te leggen kersenboomgaard liggen. Het toekennen van een woonbestemming tussen de woning van [verzoeker sub 2] en de kampeerboerderij zal derhalve geen extra beperking voor [verzoeker sub 3] opleveren en gelet op de in verband met de bestaande bebouwing in acht te nemen spuitzone kan ook in de nieuw op te richten woning, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gewaarborgd. Naar het oordeel van de voorzitter heeft de raad zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

2.13. Ook in de overige gronden die [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat te verwachten is dat het bestreden besluit in zoverre in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. De voorzitter ziet daarom geen aanleiding om de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

2.14. Ten aanzien van [verzoeker sub 1] dient de raad op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [verzoeker sub 4] en [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Oss van 1 juli 2010, voor zover het betreft de bestemming "recreatie-dagrecreatie" met de aanduiding "sr-bbr - specifieke vorm van recreatie-bierbrouwerij", op het perceel Oijense Bovendijk 61;

II. wijst de verzoeken van [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B], [verzoeker sub 3A] en [verzoekster sub 3B] en [verzoekster sub 4A] en [verzoeker sub 4B] af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Oss tot vergoeding van bij [verzoeker sub 1] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Oss aan [verzoeker sub 1] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Helvoort

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011

361.