Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2086

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201005693/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2008 heeft de Belastingdienst de aan [wederpartij] voor het jaar 2006 toegekende zorgtoeslag definitief op nihil gesteld en het aan hem voor dat jaar uitgekeerde voorschot ten bedrage van € 403,00 van hem teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005693/1/H2.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) van 19 april 2010 in zaak nr. 10/82 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2008 heeft de Belastingdienst de aan [wederpartij] voor het jaar 2006 toegekende zorgtoeslag definitief op nihil gesteld en het aan hem voor dat jaar uitgekeerde voorschot ten bedrage van € 403,00 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 16 september 2009 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 april 2010, verzonden op 29 april 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst bij faxbrief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 juni 2010.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 21 december 2010.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 12 november 2007 heeft de Belastingdienst een gezamenlijke aanspraak op zorgtoeslag voor het jaar 2006 van [wederpartij] en diens partner definitief vastgesteld.

2.2. Aan het besluit van 29 juni 2008 heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat [wederpartij] voor het jaar 2006 geen aanspraak heeft op zorgtoeslag, nu hem en zijn partner gezamenlijk reeds zorgtoeslag is toegekend.

2.3. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij] en zijn partner gezamenlijk aanspraak op zorgtoeslag hebben en deze toeslag is toegekend, zodat de zorgtoeslag voor [wederpartij] terecht op nihil is gesteld. Voorts heeft zij volgens de dienst miskend dat van het horen van [wederpartij] mocht worden afgezien.

2.3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: de Wzt), heeft, indien de normpremie voor een verzekerde in het berekeningsjaar minder bedraagt dan de standaardpremie in dat jaar, die verzekerde aanspraak op een zorgtoeslag ter grootte van dat verschil. Voor een verzekerde met een partner wordt daarbij tweemaal de standaardpremie in aanmerking genomen; in dat geval worden de verzekerde en zijn partner voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), is, voor zover thans van belang, de partner van de belanghebbende degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor het berekeningsjaar kiest voor kwalificatie als partner van de belanghebbende.

2.3.2. Het betoog slaagt. In de gemeentelijke basisadministratie waren [wederpartij] en zijn partner van 1 augustus 2005 tot 26 mei 2009 op hetzelfde adres ingeschreven en uit de aanslagen inkomstenbelasting 2006 en 2007 valt af te leiden dat zij in die jaren elkaars fiscaal partner waren. Onder die omstandigheden heeft de Belastingdienst de partner terecht aangemerkt als partner in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awir.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wzt, worden [wederpartij] en zijn partner geacht gezamenlijk één aanspraak op zorgtoeslag te hebben. Nu de Belastingdienst bij besluit van 12 november 2007 een gezamenlijke aanspraak op zorgtoeslag voor het jaar 2006 aan [wederpartij] en zijn partner heeft toegekend, heeft hij de aan [wederpartij] voor dat jaar afzonderlijk toegekende zorgtoeslag terecht op nihil gesteld en het voorschot voor dat jaar teruggevorderd. Onder die omstandigheden heeft de Belastingdienst voorts, lettend op de naar voren gebrachte bezwaren, van het horen van [wederpartij] daarop mogen afzien.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] tegen het besluit van 16 september 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het door de Belastingdienst/Toeslagen ingestelde hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 april 2010 in zaak nr. 10/82;

III. verklaart het in die zaak door [wederpartij] ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

85-616.