Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201005166/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2009 heeft het college geweigerd vrijstelling te verlenen voor het legaliseren van de op het perceel [locatie] te Minnertsga gerealiseerde uitrit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4705
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005166/1/H1.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 11 mei 2010

in zaak nr. 09/2423 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van het Bildt.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2009 heeft het college geweigerd vrijstelling te verlenen voor het legaliseren van de op het perceel [locatie] te Minnertsga gerealiseerde uitrit.

Bij besluit van 24 september 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2010, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door W. Bosma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De uitrit, die sinds 1998 aanwezig is, dient ter ontsluiting van het ter plaatse gevestigde [schildersbedrijf] aan de zijde van de Rispinge.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Minnertsga" rust op de gronden waarop de uitrit is aangelegd de bestemming "Groenvoorzieningen".

Ingevolge artikel 10, onder A, sub 4, van de het bestemmingsplan mogen op deze gronden paden en andere verhardingen worden gerealiseerd.

2.3. Anders dan [appellant] betoogt is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat de uitrit niet in strijd is met het bestemmingsplan. Ingevolge artikel 10, onder A, sub 4, van het bestemmingsplan mag op het perceel een verharding worden gerealiseerd. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking mogen nemen dat in het bestemmingsplan niet is voorgeschreven dat de verharding ten dienste moet staan van groen, en dat volgens het college is beoogd met verhardingen ook uitritten in te sluiten.

2.4. Hetgeen [appellant] verder in dit verband heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunt voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Het college heeft dan ook terecht het verzoek van [appellant] om een vrijstellingsprocedure op te starten, teneinde de in zijn visie illegale uitrit te legaliseren, afgewezen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

202.