Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2080

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201005060/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college geweigerd [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de geplaatste erfafscheiding van 1,60 meter hoog aan de achterkant van het perceel [locatie] te Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005060/1/H1.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 april 2010 in zaak nr. 09/4214 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel, thans gemeente Zuidplas.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het college geweigerd [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de geplaatste erfafscheiding van 1,60 meter hoog aan de achterkant van het perceel [locatie] te Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2010, verzonden op 7 maart 2010 (lees: 7 april 2010) heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 juni 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2010, waar [appellant], in persoon, is verschenen. Het college, vertegenwoordigd door A. Polak, werkzaam bij de gemeente, is ter zitting telefonisch gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Zuidplaspolder" rust op het perceel de bestemming "Verblijfsgebied" (VG).

2.2. De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3. Anders dan [appellant] betoogt is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat niet kan worden gezegd dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling te weigeren.

2.3.1. Het college heeft terecht in aanmerking genomen dat het bouwplan tevens in strijd is met het vastgestelde maar nog niet in werking getreden bestemmingsplan "Zuidplaspolder 2008". Het antwoord op de vraag van [appellant] of de bestemming "Verkeer en Verblijf" in het bestemmingsplan "Zuidplaspolder 2008" anders zou zijn gelegd indien destijds bekend was geweest dat de te bebouwen grond zijn eigendom is, heeft de rechtbank terecht in het midden gelaten nu tegen dit bestemmingsplan ten tijde van belang beroep kon worden ingesteld.

2.3.2. Anders dan [appellant] betoogt is de rechtbank voorts op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het college het negatieve welstandsadvies aan de weigering om vrijstelling te verlenen ten grondslag heeft mogen leggen. [appellant] heeft daartegenover geen andersluidend advies van een deskundige persoon of instantie overgelegd.

2.4. Verder heeft de rechtbank het gelijkheidsbeginsel terecht niet geschonden geacht. In dit verband heeft het college naar aanleiding van de opmerking van [appellant] dat er in zijn omgeving meer hekwerken staan waarvoor geen bouwvergunning is verleend, verklaard dat daartegen handhavend zal worden opgetreden indien zou blijken dat van een illegale situatie sprake is. Hetgeen [appellant] in dit verband verder heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

202.