Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2072

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201010477/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2010, kenmerk 37-7C, heeft het college het wijzigingsplan "Vleeskalverhouderij Vissersweg Meijel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/5024
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010477/2/R1.

Datum uitspraak: 20 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2010, kenmerk 37-7C, heeft het college het wijzigingsplan "Vleeskalverhouderij Vissersweg Meijel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 30 november 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2010, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 januari 2011, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door P.M. van Herk en M.A.M. Jonkers, beiden werkzaam bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Administratiefrechtelijk Adviesbureau A.R.D. b.v., en het college, vertegenwoordigd door drs. A.P. Langerak, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door ir. E. van Veldhuizen, werkzaam bij Ever Advies, en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het wijzigingsplan voorziet voor [vergunninghoudster] in de mogelijkheid een vleeskalverhouderij op te richten aan de Vissersweg tussen de nummers 4 en 10 in Meijel. [vergunninghoudster] exploiteert reeds een veehouderij aan de Bloemendaalseweg in Meijel.

2.3. Ter zitting heeft [vergunninghoudster] toegezegd dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen pas zal worden ingediend nadat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. [verzoeker] en anderen hebben aangegeven te vrezen dat de gronden in de nabije toekomst zullen worden verkocht, zodat aan de toezegging van [vergunninghoudster] in dat geval geen betekenis toekomt. De voorzitter acht deze vrees niet op voorhand van iedere grond ontbloot, nu uit het bedrijfsontwikkelingsplan blijkt dat [vergunninghoudster] de vleeskalverhouderij in de nabije toekomst wil overdragen aan de dochter van [eigenaren]. Gelet hierop acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig, zodat zal worden beoordeeld of aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. [verzoeker] en anderen voeren onder meer aan dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), omdat de vestiging van de vleeskalverhouderij zal leiden tot een toename van de ammoniakdepositie op het Natura 2000-gebied "De Groote Peel". Het college heeft ten onrechte de verwachte ammoniakdepositie van de nieuwe vleeskalverhouderij gesaldeerd met een afname van de ammoniakdepositie bij het huidige bedrijf van [vergunninghoudster] aan de Bloemendaalseweg. Voorts is voor de saldering een onjuiste methode toegepast, aldus [verzoeker] en anderen.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in het kader van de Nbw 1998 saldering van ammoniak op grond van artikel 19kd van die wet plaatsvindt waardoor per saldo geen toename van ammoniakdepositie zal plaatsvinden.

2.4.2. In de plantoelichting staat dat de voorziene vleeskalverhouderij een depositie van 1,20 mol/ha/jaar zal veroorzaken. Deze toename wordt echter gesaldeerd met een afname van de depositie veroorzaakt door de veehouderij van [vergunninghoudster] op de bestaande bedrijfslocatie aan de Bloemendaalseweg. De depositie zal daar door toepassing van chemische luchtwassers op de Groote Peel afnemen met 1,26 mol/ha/jaar. Om deze saldering te borgen zal de milieuvergunning op de locatie Bloemendaalseweg wordt gereviseerd, aldus de plantoelichting. Ter zitting heeft [vergunninghoudster] aangegeven dat de milieuvergunning voor de bestaande bedrijfslocatie nog niet is gereviseerd en dat op de bestaande bedrijfslocatie een afname van de ammoniakdepositie zal plaatsvinden door geen vleesvarkens meer te houden.

2.4.3. Gelet op artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 dient het college bij de vaststelling van het onderhavige wijzigingsplan rekening te houden met de gevolgen die het wijzigingsplan kan hebben voor het Natura 2000-gebied "De Groote Peel". Nog daargelaten de vraag of saldering op de in de plantoelichting beschreven wijze is toegestaan, is, zoals reeds in de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 21 december 2010, in zaak nr. 200907569/3/R2 is overwogen, de werking van artikel 19kd van de Nbw 1998 in het eerste lid van dat artikel beperkt tot besluiten over het toepassen van artikel 19c, en het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van die wet. Nu besluiten tot het vaststellen van een plan als bedoeld in artikel 19j van de Nbw 1998 niet in het eerste lid van artikel 19kd van de Nbw 1998 zijn genoemd, ziet de voorzitter voorshands geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de in dat artikel opgenomen regeling ook van toepassing moet worden geacht op besluiten als bedoeld in artikel 19j van de Nbw 1998. Gelet hierop dienen de gevolgen die het wijzigingsplan kan hebben door het veroorzaken van ammoniakdepositie nog altijd bij de beoordeling zoals bedoeld in artikel 19j te worden betrokken. Nu het college dit heeft nagelaten, betwijfelt de voorzitter dan ook of het bestreden besluit in de hoofdzaak in stand zal blijven. De voorzitter ziet daarom aanleiding om de hierna beschreven voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas van 14 september 2010, kenmerk 37-7C;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas tot vergoeding van bij [verzoeker] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas aan [verzoeker] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2011

533-668.