Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2065

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201005425/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2008 heeft het college [appellante] gelast de uitbreiding van een bijgebouw, de sanitaire voorzieningen in dat bijgebouw, het hondenhok en de berging met luifel op het perceel plaatselijk bekend als [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 40.000 ineens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005425/1/H1.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 april 2010 in zaak nr. 09/1580 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2008 heeft het college [appellante] gelast de uitbreiding van een bijgebouw, de sanitaire voorzieningen in dat bijgebouw, het hondenhok en de berging met luifel op het perceel plaatselijk bekend als [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 40.000 ineens.

Bij besluit van 9 maart 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dat ziet op het hondenhok, de last in zoverre ingetrokken, het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard, de last gehandhaafd en de dwangsom op € 30.000 ineens gesteld.

Bij uitspraak van 23 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 augustus 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2010. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat dat de uitbreiding van het bijgebouw en de berging met luifel zijn gerealiseerd zonder een daartoe vereiste bouwvergunning.

Het betoog van [appellante] dat de sanitaire voorzieningen in het bijgebouw als vergunningvrij kunnen worden aangemerkt, kan niet slagen. Daartoe wordt overwogen dat de getroffen sanitaire voorzieningen niet kunnen worden aangemerkt als veranderingen van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk, reeds omdat met deze voorzieningen het bijgebouw geschikt is gemaakt voor gebruik als woning en daarmee de functie van dat gebouw is veranderd. Dat [appellante] stelt het bijgebouw niet te gebruiken als woning en daarnaast bereid is de sanitaire voorzieningen uit het bijgebouw te verwijderen, maakt niet dat daarmee de voorzieningen vergunningvrij zijn. Niet in geschil is dat de sanitaire voorzieningen zijn geplaatst zonder bouwvergunning.

Gelet op het vorenstaande kon het college ter zake handhavend optreden.

2.2. Voor zover [appellante] betoogt dat het bijgebouw niet wordt gebruikt ten behoeve van wonen, wordt overwogen dat dit niet aan de last ten grondslag is gelegd en dat het betoog reeds daarom niet kan slagen.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen concreet zicht op legalisering bestond voor de berging met luifel, omdat een dergelijk bouwwerk reeds op het perceel stond en enkel verplaatst is en van een nieuw kap is voorzien. Een daartoe strekkende aanvraag om bouwvergunning heeft zij inmiddels ingediend.

2.4.1. Nu [appellante] deze aanvraag om bouwvergunning eerst na het besluit op bezwaar heeft ingediend, kan deze hoger beroepsgrond, wat daarvan ook zij, reeds om die reden niet slagen.

2.5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat handhavend optreden zodanig onevenredig is dat het college hiervan had behoren af te zien. Daartoe voert zij aan dat de uitbreiding van het bijgebouw met 40 m2 slechts een kleine afwijking betreft van het ingevolge het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken toegestane vergunningvrij bouwen van bijgebouwen tot maximaal 30 m2. Daarnaast stelt zij dat de uitbreiding van het bijgebouw een positief effect heeft op de omgeving en strekt ter vergroting van het woongenot. Volgens [appellante] wordt met de uitbreiding van het bijgebouw en de berging met luifel voorts de leefbaarheid van de woonomgeving niet aangetast en zijn deze bouwwerken vanaf de openbare weg niet te zien. Zij stelt in dat kader dat in de omgeving van het perceel andere percelen zijn gelegen die aanzienlijk kleiner zijn dan haar perceel en dat die voor het grootste gedeelte zijn bebouwd. Ook betoogt zij dat zij bereid is ter compensatie de bebouwing op haar perceel aan de [locatie 2] te slopen, indien zij de bebouwing op het perceel [locatie 1] mag behouden. Tot slot betoogt [appellante] dat omtrent de uitbreiding van het bijgebouw en de oprichting van de berging met luifel niet wordt geklaagd en dat ten gevolge daarvan geen overlast wordt ondervonden.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat handhavend optreden niet zodanig onevenredig is dat het college daarvan had behoren af te zien. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de overtredingen niet van geringe aard en omvang zijn. Dat - wat daar ook van zij - de uitbreiding van het bijgebouw, met de daarin aangebrachte sanitaire voorzieningen, een positief effect heeft op de omgeving, dat het strekt ter vergroting van het woongenot, dat de leefbaarheid van de woonomgeving niet wordt aangetast, dat de bouwwerken niet vanaf de openbare weg kunnen worden gezien alsmede het ontbreken van klachten en het aanbod van [appellante] om in ruil voor legalisering elders bouwwerken te slopen betekent niet dat het college de belangen van [appellante] zwaarder had moeten laten wegen dan het algemeen belang dat met handhaving is gediend.

Het betoog faalt.

2.6. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de hoogte van de opgelegde dwangsom disproportioneel hoog is.

2.6.1. In het door [appellante] aangevoerde is geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door het college vastgestelde dwangsom van € 30.000 in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de geschonden norm. De rechtbank heeft daarbij terecht de beoogde werking van de dwangsom, te weten een prikkel om aan de last te voldoen, in aanmerking genomen.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

414-669.