Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2063

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201005177/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 januari 2004 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor een dakkapel, een balkon, een berging en een overkapping van 22 m² op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005177/1/H1.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 maart 2010 in zaak nr. 09/1889 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2004 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor een dakkapel, een balkon, een berging en een overkapping van 22 m² op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 juli 2009 heeft het college, voor zover hier van belang, opnieuw op het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar beslist, dit bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en het besluit van 5 januari 2004, onder wijziging van de motivering, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 31 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 juli 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2010, hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2010, waar [appellanten], en het college, vertegenwoordigd door B.C. Star, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [belanghebbende A].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "De Easte" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woonhuizen klasse B".

Ingevolge artikel 4, lid A, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor woningen met de daarbij behorende bijgebouwen, tuinen en/of erven, andere bouwwerken en andere werken.

Ingevolge artikel 4, lid B, onder 2, van de planvoorschriften mogen de hoofdgebouwen uitsluitend binnen de als zodanig op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken worden gebouwd.

Ingevolge artikel 4, lid B, onder 9, aanhef en sub b, van de planvoorschriften mogen bij ieder hoofdgebouw ten behoeve van het wonen twee bijgebouwen worden gebouwd, waarvan niet meer dan één vrijstaand met een maximale oppervlakte van 30m2, mits de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen ten hoogste 60 m2 zal bedragen, echter met inachtneming van de volgende beperkingen:

1. de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen niet meer zal bedragen dan 80% van de oppervlakte van het hoofdgebouw;

2. de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen niet meer zal bedragen dan 30% van de oppervlakte van het bouwperceel, exclusief de oppervlakte van het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 4, lid D, onder 3, van de planvoorschriften kan het college vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid B onder 9 dat slechts één bijgebouw vrijstaand mag worden gebouwd en toestaan dat beide bijgebouwen vrijstaand worden gebouwd, onverminderd het overige bepaalde in lid B onder 9.

2.2. Vanaf 2001 exploiteerde [vergunninghouder] op het perceel het [atelier]. Het perceel met een zich daarop bevindend woonhuis met dakkapel, een aangebouwde atelierruimte met balkon, een berging en twee overkappingen van respectievelijk 12 m² en 22 m² is op 1 juli 2004 door [vergunninghouder] aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] verkocht.

Bij besluit van 6 oktober 1997 heeft het college bouwvergunning verleend voor voornoemde atelierruimte. Het onderhavige bouwplan voorziet, voor zover thans van belang, in het legaliseren van de voorts op het perceel gebouwde dakkapel, het balkon, de berging en de overkapping van 22 m².

Niet in geschil is dat de berging en de overkapping van 22 m² als vrijstaande bijgebouwen, als bedoeld in artikel 4, lid B, onder 9, aanhef en sub b, van de planvoorschriften, moeten worden aangemerkt. Het college heeft teneinde bouwvergunning te verlenen krachtens artikel 4, lid D, onder 3, van de planvoorschriften vrijstelling verleend ten aanzien van het aantal vrijstaande bijgebouwen.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was krachtens artikel 4, lid D, onder 3, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen, nu het bouwplan in strijd is met de ingevolge artikel 4, lid B, onder 9, aanhef en sub b, van de planvoorschriften maximaal toegestane gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen. Daartoe voeren zij aan dat niet slechts de berging en de overkapping, maar ook de aangebouwde atelierruimte, gelet op het bedrijfsmatige gebruik dat daarvan wordt gemaakt, en het balkon moeten worden aangemerkt als bijgebouw. Het bedrijfsmatige gebruik van de atelierruimte is voorts in strijd met de op het perceel rustende bestemming, aldus [appellanten]. De rechtbank heeft, gelet hierop, volgens hen, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten onrechte in stand gelaten, nu zij hiermee, zonder dat zij die bevoegdheid heeft, vrijstelling van het bestemmingsplan heeft verleend.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de voormalige atelierruimte als bijgebouw moet worden aangemerkt.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 april 2009 (zaak nr. 200806538/1/H2) overwogen dat de rechtbank in haar uitspraak van 14 juli 2008 terecht heeft overwogen dat het college op goede gronden heeft gesteld dat de voormalige atelierruimte als uitbreiding van het hoofdgebouw moet worden beschouwd, nu tussen de voormalige atelierruimte en het woonhuis een directe verbinding is aangebracht. In hetgeen [appellanten] aanvoeren wordt geen aanleiding gezien thans anders te oordelen dan in die uitspraak is geschied. De voormalige atelierruimte moet, reeds gelet op de bouwkundige hoedanigheid daarvan, worden aangemerkt als onderdeel van het hoofdgebouw. De voormalige atelierruimte is ook gelegen in het voor hoofdgebouwen op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak. Het door [appellanten] gestelde gebruik van de voormalige atelierruimte, wat daar verder van zij, wijzigt de bouwkundige hoedanigheid daarvan niet. De rechtbank heeft evenzeer terecht geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het balkon, dat is verbonden aan de voormalige atelierruimte, als een deel van een bijgebouw moet worden aangemerkt, nu ook dit deel uitmaakt van de woning.

Nu de berging en de overkapping tezamen een oppervlakte hebben van 40 m², was het college bevoegd vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 4, lid D, onder 3, van de planvoorschriften.

2.3.2. Ingevolge artikel 8:73, derde lid, van de Awb kan de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid als bedoeld in voormeld artikel. Het bouwplan heeft geen betrekking op de voormalige atelierruimte. Met het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 2 juli 2009 is, anders dan [appellanten] betogen, dan ook geen vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor bedrijfsmatig gebruik van de voormalige atelierruimte.

Het betoog faalt.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat de berging gedeeltelijk op hun perceel staat, geen grond is om de bouwvergunning te weigeren.

2.4.1. Het college heeft, blijkens het besluit van 5 januari 2004, de overkapping van 22 m² aangemerkt als tweede vrijstaande bijgebouw en daarvoor vrijstelling verleend. De vrijstelling is daarom verleend ten behoeve van deze overkapping. De berging, waarvan een strook met een lengte van 6 meter en een breedte oplopend tot 30 centimeter zich op het perceel van [appellanten] bevindt, is, gelet hierop, niet in strijd met het bestemmingsplan. Er doen zich voorts geen andere weigeringsgronden als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet voor. Uit het limitatief-imperatieve stelsel van dit artikel volgt dat geen plaats is voor een afweging van belangen. Bij het ontbreken van de in artikel 44 van de Woningwet genoemde weigeringsgronden dient de bouwvergunning te worden verleend en spelen overwegingen van privaatrechtelijke aard derhalve geen rol. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de omstandigheid dat de berging deels op het perceel van [appellanten] staat geen grond is om de bouwvergunning te weigeren.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

17-580.