Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP2058

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
201003945/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Waterskibaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4701
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003945/1/R1.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

de raad van de gemeente Heerhugowaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Waterskibaan" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 19 april 2010. [appellant sub 2] heeft bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd met het hoger beroep in zaak nr. 201002915/1/H1 behandeld op 20 december 2010, waar [appellant sub 1] in persoon, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Opmeer, en het college, vertegenwoordigd door S.M.C. Smit-Praat, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft het hoger beroep en het beroep vanwege de onderlinge samenhang gevoegd behandeld.

2.2. Het plan voorziet in een kabelskibaan in de waterplas ten westen van Plandeel 2, "het Vierkant", van het plangebied van het bestemmingsplan "Heerhugowaard-Zuid" te Heerhugowaard.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat de omwonenden van het plangebied ten onrechte eerst na de besluitvorming zijn gehoord.

2.3.1. [appellant sub 1] is in de gelegenheid geweest zijn zienswijze tegen het bestemmingsplan in te dienen. Van die gelegenheid heeft [appellant sub 1] gebruik gemaakt. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de besluitvorming op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

2.4. [appellant sub 1] voert voorts aan dat hij veel overlast verwacht van de kabelskibaan en het bijbehorende restaurant.

2.4.1. Ingevolge artikel 3.1 van de regels behorende bij het bestemmingsplan, zijn de op de verbeelding voor Water aangewezen gronden bestemd voor:

a. waterberging;

b. waterhuishouding;

c. waterlopen;

d. intensieve waterrecreatie;

e. een kabelskibaan;

met daarbij behorende:

f. bouwwerken geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers, paalconstructies, kabelconstructies, steigers en een startplatform;

g. gebouw;

h. kunstobjecten.

2.4.2. Hetgeen [appellant sub 1] betoogt ten aanzien van zijn vrees voor overlast veroorzaakt door het restaurant, valt buiten het kader van dit geding en kan derhalve thans niet aan de orde komen, aangezien de horecagelegenheid waar [appellant sub 1] op doelt onder het bestemmingsplan "Heerhugowaard-Zuid" valt en niet onder het in het onderhavige geding aan de orde zijnde plan. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat hij vreest voor overlast van de kabelskibaan, faalt dit betoog reeds wegens gebrek aan nadere onderbouwing.

2.5. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat het gemeentebestuur hem en andere bewoners van de [locatie] geen toestemming heeft verleend om woningen te laten bouwen aan de [locatie], terwijl het gemeentebestuur zelf wel een groot pand laat bouwen dat wat vormgeving betreft in strijd is met het landelijke karakter van de omgeving.

2.5.1. De raad heeft zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 1] doelt op een locatie buiten het kader van het in de onderhavige procedure aan de orde zijnde bestemmingsplan, zodat het betoog reeds daarom faalt.

2.6. [appellant sub 1] voert verder aan dat het recreatie- en natuurgebied wordt vercommercialiseerd zodat, in strijd met de ecologische uitgangspunten, de rust wordt verstoord. Het gebied wordt deels ontoegankelijk voor zwemmers, kanoërs en windsurfers.

2.6.1. De gronden ter plaatse van de kabelskibaan zijn bestemd voor intensieve vormen van recreatie. De gebruiksmogelijkheden van de totale waterplas in relatie tot de kabelskibaan zijn beschreven in de plantoelichting. Daarin is in het kader van de afweging van de belangen van overige watersportgebruikers vermeld dat een deel van het water voor het gebruik van de kabelskibaan weliswaar zal worden afgeschermd, maar dat voldoende water overblijft voor de overige watersportgebruikers. Uit de in de plantoelichting vermelde belangenafweging kan worden afgeleid dat de komst van de kabelskibaan geen of nauwelijks een belemmering vormt voor zwemmers, kanoërs en windsurfers. Voorts is in de plantoelichting vermeld dat het plangebied geen deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur en buiten de ecologische verbindingszones valt. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voorgaande onjuist is.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kabelskibaan past in het ecologische karakter van het gebied. Voor het oordeel dat, zoals [appellant sub 1] betoogt, ten gevolge van vercommercialisering van de recreatiemogelijkheden enkele ondernemers het recreatiegebied in handen krijgen, is evenmin plaats.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.7. [appellant sub 2] voert ten eerste aan dat de realisatie van de kabelskibaan een onevenredige inbreuk op zijn woongenot tot gevolg zal hebben. Volgens [appellant sub 2] zal de kabelskibaan zorgen voor geluidsoverlast en vermindering van de privacy. Ook uit het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van 9 juni 2009 ten aanzien van het bestemmingsplan "Heerhugowaard-Zuid" kan worden afgeleid dat de kabelskibaan een grote impact kan hebben op nabijgelegen woningen van derden, aldus [appellant sub 2].

2.7.1. In de plantoelichting is vermeld dat een kabelskibaan niet is vermeld in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-Brochure). De raad heeft om die reden gebruik gemaakt van de Standaard Bedrijfs Indeling (hierna: SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Hierin worden waterskiverenigingen als concrete instelling genoemd. De SBI-Code die hierbij behoort is opgenomen in bijlage 1 van de VNG-Brochure ("richtafstandenlijsten voor milieubelastende activiteiten"). Uitgaande van de VNG-brochure bedraagt de gewenste afstand tussen woningen en de voorgenomen activiteit 50 meter. De kabelskibaan ligt volgens de plantoelichting op een afstand van 63 meter tot de gevel van de dichtstbijzijnde woning. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de gewenste afstand in acht is genomen. In de VNG-brochure is verder vermeld dat de aanbevolen afstand in principe geldt tussen enerzijds de perceelsgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van een woning. [appellant sub 2] heeft zich aldus ten onrechte op het standpunt gesteld dat de richtafstand van 50 meter zou moeten worden gemeten vanaf de kabelskibaan tot aan zijn perceel.

Voorts is in de plantoelichting vermeld dat de kabelskibaan zo in het gebied is ingepast, dat het de minste overlast zal veroorzaken. Er is een gering aantal waterskiërs tegelijk actief op de baan. Daarnaast bevindt het publiek zich op geruime afstand van de woningen. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] dat hij zelf wordt beperkt in zijn gebruiksmogelijkheden van de recreatieplas, heeft de raad er terecht op gewezen dat is voorzien in een corridor van negen meter aan de buitenste rand van het water waarin de kabelskibaan is gelegen. Hiervan kunnen ook de omwonenden van de kabelskibaan, waaronder [appellant sub 2], gebruik maken, zodat [appellant sub 2] zijn betoog dat hij zijn woonperceel niet met een surfplank kan bereiken, niet aannemelijk heeft gemaakt.

Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de kabelskibaan zal leiden tot enige aantasting van het woongenot en de privacy van [appellant sub 2], heeft de raad daaraan in redelijkheid geen doorslaggevend belang behoeven toe te kennen.

Het betoog van [appellant sub 2] dat uit het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten van 9 juni 2009 ten aanzien van het bestemmingsplan "Heerhugowaard-Zuid" kan worden afgeleid dat de kabelskibaan een grote impact kan hebben op nabijgelegen woningen van derden, vormt geen grond voor een ander oordeel. Ten tijde van voormeld besluit konden de effecten van de kabelskibaan immers nog niet ten volle worden beoordeeld, omdat de precieze locatie van de kabelskibaan nog niet bekend was.

2.8. [appellant sub 2] voert ten slotte aan dat de aanwezigheid van de rugstreeppad in het plangebied niet kan worden uitgesloten, zodat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.8.1. Het betoog faalt. In de plantoelichting is uitdrukkelijk opgenomen dat geen sprake is van de aanwezigheid van de rugstreeppad op de locatie van de kabelskibaan. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

2.9. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Melenhorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

490.