Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1919

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
201009741/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / arrest Brax / kopie niet voldoende voor vaststelling identiteit

In het arrest BRAX heeft het Hof, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

55. [D]e lidstaten [moeten] volgens de gelijkluidende bepalingen van artikel 3, lid 1, van richtlijn 68/360 en artikel 3, lid 1, van richtlijn 73/148, onderdanen van de lidstaten en hun gezinsleden op wie deze richtlijnen van toepassing zijn, op vertoon van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort zonder meer op hun grondgebied toelaten.

(…)

57. Aangezien de gemeenschapsregeling niet specificeert welke maatregelen een lidstaat mag nemen wanneer een onderdaan van een derde land die gehuwd is met een onderdaan van een lidstaat, zonder geldige identiteitskaart of geldig paspoort, of in voorkomend geval zonder visum, het grondgebied van de Gemeenschap wil binnenkomen, is de terugwijzing aan de grens niet uitgesloten (…).

58. Zonder geldige identiteitskaart of zonder geldig paspoort, die de houder ervan in staat moeten stellen zijn identiteit en zijn nationaliteit te bewijzen (…), kan de betrokkene immers in beginsel niet geldig zijn identiteit bewijzen, en dus evenmin zijn gezinsbanden.

(…)

62. Op de eerste prejudiciële vraag dient dus te worden geantwoord, dat artikel 3 van richtlijn 68/360, artikel 3 van richtlijn 73/148 en verordening nr. 2317/95, tegen de achtergrond van het evenredigheidsbeginsel, aldus dienen te worden uitgelegd, dat een lidstaat een onderdaan van een derde land die gehuwd is met een onderdaan van een lidstaat, en die zonder geldige identiteitskaart of geldig paspoort, of in voorkomend geval zonder visum, zijn grondgebied tracht binnen te komen, niet aan de grens mag terugwijzen wanneer deze echtgenoot het bewijs kan leveren van zijn identiteit en huwelijksband, en uit niets blijkt dat hij een gevaar is voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in de zin van artikel 10 van richtlijn 68/360 en artikel 8 van richtlijn 73/148.

Hoewel het arrest BRAX betrekking had op de uitleg van richtlijn 68/360 en 73/148, is het arrest ook van belang voor de uitleg van de Richtlijn, waarbij genoemde richtlijnen zijn ingetrokken. Uit, onder meer, dit arrest is af te leiden dat van een vreemdeling die stelt aanspraken te ontlenen aan het Unierecht in beginsel gevergd kan worden dat hij zijn gestelde identiteit en nationaliteit aantoont aan de hand van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Vaststaat dat de vreemdeling geen geldig paspoort heeft overgelegd om zijn beroep op de artikelen 5 en 6 van de Richtlijn te staven. Gelet hierop hoeft Duitsland de vreemdeling niet zonder meer tot haar grondgebied toe te laten. De vreemdeling die zijn identiteit niet op deze wijze kan aantonen, kan in beginsel geen aanspraken ontlenen aan het Unierecht, tenzij hij het gestelde alsnog op andere wijze, aantoont.

De stukken waarop de vreemdeling zich heeft beroepen ter onderbouwing van zijn betoog dat zijn identiteit voldoende vaststaat, kunnen niet zonder meer worden aangemerkt als voldoende bewijs van zijn identiteit, zoals bedoeld in het arrest in de zaak BRAX, reeds nu deze slechts in kopie zijn overgelegd en de authenticiteit ervan dus niet vaststaat. Vooralsnog kan aldus niet worden vastgesteld dat de vreemdeling ten tijde van belang, als gesteld begunstigde van de Richtlijn, jegens Duitsland daadwerkelijk aanspraak kan maken op het recht van toegang en verblijf als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de Richtlijn. Mitsdien heeft de vreemdeling evenmin aannemelijk gemaakt dat hij in de gelegenheid is uit Nederland te vertrekken als bedoeld in artikel 59, derde lid, van de Vw 2000. Reeds hierom faalt de grief.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009741/1/V3.

Datum uitspraak: 18 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 8 oktober 2010 in zaak nr. 10/32958 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 15 oktober 2010. Deze brieven zijn aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling klaagt, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op basis van het verhandelde ter zitting. Daartoe betoogt hij dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de interpretatie die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) in het arrest van 25 juli 2002, C 459/99, BRAX (www.curia.europa.eu) heeft gegeven aan bepalingen die thans zijn vervat in artikel 5 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: de Richtlijn). Een kopie van zijn paspoort, een brief van de Liberiaanse ambassade en een bij de rechtbank overgelegd 'Travel Certificate' volstaan als bewijs van zijn identiteit als bedoeld in eerdergenoemd arrest in de zaak BRAX, aldus de vreemdeling.

2.1.1. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

2.1.2. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 30 september 2010 en het faxbericht van 4 oktober 2010 volgt dat de vreemdeling, voor zover thans van belang, in beroep heeft geklaagd dat de bewaring moet worden opgeheven wanneer een vreemdeling Nederland wil verlaten en daartoe voor hem ook de gelegenheid bestaat. In dat verband heeft hij aangevoerd dat hij met zijn partner naar Duitsland wil vertrekken en dat aan hem, hoewel hij niet meer beschikt over een geldig paspoort, de toegang door Duitsland, gelet op eerdergenoemd arrest in de zaak BRAX, niet kan worden geweigerd nu zijn identiteit vast staat.

De rechtbank is ten onrechte niet op deze beroepsgrond ingegaan. De klacht van de vreemdeling is derhalve in zoverre terecht voorgedragen. De grief kan, gelet op het navolgende, evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Richtlijn, voor zover thans van belang, laten de lidstaten, onverminderd het bepaalde met betrekking tot reisdocumenten bij nationale grenscontroles, de burger van de Unie die voorzien is van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, alsmede familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die voorzien zijn van een geldig paspoort, hun grondgebied binnenkomen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, hebben burgers van de Unie het recht gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van de lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.

Ingevolge het tweede lid is het eerste lid eveneens van toepassing ten aanzien van familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die de burger van de Unie begeleiden of zich bij hem voegen, en in het bezit zijn van een geldig paspoort.

Ingevolge artikel 59, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) blijft bewaring van een vreemdeling achterwege, zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.

2.3. In het arrest BRAX heeft het Hof, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

55. [D]e lidstaten [moeten] volgens de gelijkluidende bepalingen van artikel 3, lid 1, van richtlijn 68/360 en artikel 3, lid 1, van richtlijn 73/148, onderdanen van de lidstaten en hun gezinsleden op wie deze richtlijnen van toepassing zijn, op vertoon van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort zonder meer op hun grondgebied toelaten.

(…)

57. Aangezien de gemeenschapsregeling niet specificeert welke maatregelen een lidstaat mag nemen wanneer een onderdaan van een derde land die gehuwd is met een onderdaan van een lidstaat, zonder geldige identiteitskaart of geldig paspoort, of in voorkomend geval zonder visum, het grondgebied van de Gemeenschap wil binnenkomen, is de terugwijzing aan de grens niet uitgesloten (…).

58. Zonder geldige identiteitskaart of zonder geldig paspoort, die de houder ervan in staat moeten stellen zijn identiteit en zijn nationaliteit te bewijzen (…), kan de betrokkene immers in beginsel niet geldig zijn identiteit bewijzen, en dus evenmin zijn gezinsbanden.

(…)

62. Op de eerste prejudiciële vraag dient dus te worden geantwoord, dat artikel 3 van richtlijn 68/360, artikel 3 van richtlijn 73/148 en verordening nr. 2317/95, tegen de achtergrond van het evenredigheidsbeginsel, aldus dienen te worden uitgelegd, dat een lidstaat een onderdaan van een derde land die gehuwd is met een onderdaan van een lidstaat, en die zonder geldige identiteitskaart of geldig paspoort, of in voorkomend geval zonder visum, zijn grondgebied tracht binnen te komen, niet aan de grens mag terugwijzen wanneer deze echtgenoot het bewijs kan leveren van zijn identiteit en huwelijksband, en uit niets blijkt dat hij een gevaar is voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in de zin van artikel 10 van richtlijn 68/360 en artikel 8 van richtlijn 73/148.

2.4. Hoewel het arrest BRAX betrekking had op de uitleg van richtlijn 68/360 en 73/148, is het arrest ook van belang voor de uitleg van de Richtlijn, waarbij genoemde richtlijnen zijn ingetrokken. Uit, onder meer, dit arrest is af te leiden dat van een vreemdeling die stelt aanspraken te ontlenen aan het Unierecht in beginsel gevergd kan worden dat hij zijn gestelde identiteit en nationaliteit aantoont aan de hand van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Vaststaat dat de vreemdeling geen geldig paspoort heeft overgelegd om zijn beroep op de artikelen 5 en 6 van de Richtlijn te staven. Gelet hierop hoeft Duitsland de vreemdeling niet zonder meer tot haar grondgebied toe te laten. De vreemdeling die zijn identiteit niet op deze wijze kan aantonen, kan in beginsel geen aanspraken ontlenen aan het Unierecht, tenzij hij het gestelde alsnog op andere wijze, aantoont.

De stukken waarop de vreemdeling zich heeft beroepen ter onderbouwing van zijn betoog dat zijn identiteit voldoende vaststaat, kunnen niet zonder meer worden aangemerkt als voldoende bewijs van zijn identiteit, zoals bedoeld in het arrest in de zaak BRAX, reeds nu deze slechts in kopie zijn overgelegd en de authenticiteit ervan dus niet vaststaat. Vooralsnog kan aldus niet worden vastgesteld dat de vreemdeling ten tijde van belang, als gesteld begunstigde van de Richtlijn, jegens Duitsland daadwerkelijk aanspraak kan maken op het recht van toegang en verblijf als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de Richtlijn. Mitsdien heeft de vreemdeling evenmin aannemelijk gemaakt dat hij in de gelegenheid is uit Nederland te vertrekken als bedoeld in artikel 59, derde lid, van de Vw 2000. Reeds hierom faalt de grief.

2.5. Hetgeen overigens is aangevoerd, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en

mr. H.G. Sevenster, en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van der Winden

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011

348-617.

Verzonden: 18 januari 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser