Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1369

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201004632/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft de raad een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004632/1/H2.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2010 in zaak nr. 09/1742 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft de raad een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 26 maart 2009 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 mei 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. G. Beydals, advocaat Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:

1º. voortzetting van het beroep of bedrijf voorzover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, of

2º. het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij een procedure is betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed.

2.2. In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is het volgende vermeld: "Rechtsbijstand wordt verstrekt aan degenen die geacht worden zelf de kosten daarvan niet of niet volledig te kunnen dragen. Ook rechtspersonen en natuurlijke personen die een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen kunnen in een situatie terecht komen waarin zij rechtsbijstand nodig hebben. Voorzover het bij zelfstandigen gaat om rechtsbelangen die niet in verband staan met hun beroep of bedrijf, bijvoorbeeld bij een verzoek om echtscheiding, verkeren zij in dezelfde positie als alle andere natuurlijke personen die een dergelijke procedure aanhangig willen maken. Zij komen, indien zij minder draagkrachtig zijn, voor rechtsbijstand in aanmerking. Voorzover die rechtsbelangen echter de uitoefening van hun beroep of bedrijf betreffen, komt hun situatie overeen met die van een als rechtspersoon georganiseerde onderneming. Het kan naar ons oordeel niet zo zijn dat de rechtsbijstandkosten die voortvloeien uit de bedrijfsvoering van de rechtzoekende worden afgewenteld op de overheid. Deelname aan het economisch leven brengt nu eenmaal risico's met zich. De ondernemer, of deze zelfstandige is of niet, kan voor dit soort risico's reserveren of zich verzekeren. Voor hem zijn de kosten van rechtsbijstand bovendien een fiscale aftrekpost. Om deze redenen worden, zoals ook thans het geval is, rechtsbelangen die de zelfstandige beroeps- of bedrijfsuitoefening betreffen, van rechtsbijstand uitgesloten. Deze bepaling geldt zowel voor de natuurlijke persoon als de rechtspersoon" (Kamerstukken II 1992/93, 22609, nr. 6, blz. 12).

2.3. [appellant] heeft met twee medevennoten een taxibedrijf in de rechtsvorm van een vennootschap onder firma geëxploiteerd. Deze vennootschap is in 2002 ontbonden. Eén van de voormalige medevennoten is eigenaar geworden van de auto die aan het taxibedrijf toebehoorde (hierna: de auto). Omdat het kenteken van de auto nog op naam staat van [appellant], is hij geconfronteerd met verkeersboetes en strafrechtelijke vervolgingen wegens het niet-verzekerd houden van de auto.

Bij aanvraag van 30 juli 2008 heeft [appellant] een toevoeging gevraagd voor een civiele procedure tegen zijn voormalige medevennoot teneinde de tenaamstelling van het kenteken van de auto te doen wijzigen. Bij besluit van 29 augustus 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 26 maart 2009, heeft de raad geweigerd om de gevraagde toevoeging te verstrekken, omdat het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft de uitoefening van een bedrijf betreft. Dat de onderhavige aanvraag is ingediend nadat de bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd maakt dit niet anders, omdat de oorsprong van de vordering ligt in de ontbinding van het bedrijf, aldus de raad.

De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het rechtsbelang ter zake waarvan hij een toevoeging heeft verzocht voortvloeit uit de uitoefening van een bedrijf. [appellant] voert daartoe aan dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 12 van de Wrb blijkt dat de raad de toevoeging niet kan weigeren indien de situatie van de rechtszoekende vergelijkbaar is met die van een natuurlijk persoon. Dat is zijns inziens het geval. Het verband tussen het voormalige bedrijf en de aangevraagde toevoeging is niet of niet langer aanwezig, nu het bedrijf al in 2002 is ontbonden, aldus [appellant].

2.4.1. Uit de wetsgeschiedenis, zoals hiervoor aangehaald onder 2.2, blijkt dat zelfstandigen uitsluitend voorzover het gaat om rechtsbelangen die niet in verband staan met hun beroep of bedrijf, in dezelfde positie verkeren als alle andere natuurlijke personen die een dergelijke procedure aanhangig willen maken. De rechtsbijstandskosten die voortvloeien uit de bedrijfsvoering van de rechtzoekende dienen voor zijn rekening en risico als ondernemer te komen, omdat deze worden gerekend tot de risico's verbonden aan de deelname aan het economisch verkeer en een ondernemer zich hiervoor kan verzekeren.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 oktober 2007 in zaak nr. 200702502/1) ziet artikel 12, tweede lid, aanhef, onder e, van de Wrb tevens op het geval dat rechtsbijstand is verzocht ter zake van een rechtsbelang dat voortvloeit uit een niet langer uitgeoefend zelfstandig beroep of bedrijf. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de procedure waarvoor de rechtsbijstand is gevraagd, te weten een procedure tot wijziging van de tenaamstelling van het kenteken van de auto van het voormalige bedrijf, voortkomt uit de afwikkeling van verplichtingen in verband met de ontbinding van de vennootschap. Het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, betreft dan ook een belang dat voortvloeit uit een niet langer uitgeoefend beroep of bedrijf waarop artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb voornoemd tevens ziet. Dat [appellant] zoals hij in dit verband heeft aangevoerd, met de te voeren civiele procedure beoogt niet langer aansprakelijk gesteld te worden voor onder meer verkeersovertredingen en te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling betreft niet het rechtsbelang waarvoor rechtsbijstand is gevraagd maar is daarvan een afgeleide, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef, onderdeel e, onder 2° zich hier niet voordoet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] in de procedure waarvoor rechtsbijstand is gevraagd als eisende partij en niet als verwerende partij is betrokken. De tekst van voormelde bepaling laat de raad niet de ruimte om in afwijking hiervan niettemin een toevoeging te verlenen. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat hij op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) recht heeft op kosteloze bijstand door een toegevoegde advocaat.

2.6.1. Uit het door [appellant] aangehaalde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), in de zaak Airey tegen Ierland, arrest van 9 oktober 1979, nr. 6289/73 (www.echr.coe.int) blijkt dat de uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende verplichting om effectieve toegang tot de rechter te waarborgen, in gevallen waarbij verplichte procesvertegenwoordiging is voorgeschreven of bij ingewikkelde zaken, soms ook een verplichting voor de verdragsstaten kan meebrengen positieve actie te ondernemen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 april 2002 in zaak nr. 200102114/1), volgt uit jurisprudentie van het EHRM, onder meer de zaak Kreuz tegen Polen, arrest van 9 juni 2001, nr. 2002/54 (www.echr.coe.int) evenzeer dat deze verplichting niet betekent dat onbeperkt recht op gratis rechtsbijstand in civiele procedures zou bestaan. Bij die uitspraak heeft de Afdeling artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb niet in strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM geacht, en daarbij in aanmerking genomen dat mede met het oog op de financiële beheersbaarheid van het systeem van rechtsbijstandsverlening het gerechtvaardigd moet worden geacht dat rechtsbijstandskosten in civiele procedures die voortvloeien uit beroep of bedrijf voor rekening van de ondernemer worden gelaten. Een ondernemer wordt door deze bepaling niet onevenredig getroffen, noch wordt daardoor het recht op toegang tot de rechter in de kern aangetast.

Uit het door [appellant] aangehaalde arrest van het EHRM, in de zaak Cibicki tegen Polen, arrest van 3 maart 2009, nr. 20482/03 (www.echr.coe.int) blijkt dat de verdragsstaten een zekere beleidsruimte toekomt voor het stellen van regels die voor dit recht zekere beperkingen inhouden, mits daardoor het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt getroffen. Het EHRM acht daarbij een zuiver financiële beperking aan het recht op toegang tot de rechter die niet is gerelateerd aan de inhoudelijke aspecten van de zaak, ontoelaatbaar. Hiervan is in [appellant]'s geval, waar de financiële beperking is gerelateerd aan het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, geen sprake, zodat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het recht op toegang tot de rechter in zijn kern wordt getroffen en op die grond schending van artikel 6 van het EVRM aan te nemen.

2.6.2. De door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden, te weten dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van een ander natuurlijk persoon en dat hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, zijn ook niet van dien aard dat in dit geval aanleiding zou bestaan artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, Wrb buiten toepassing te laten.

2.6.3. Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

47-680.