Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1360

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201005348/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BM2870, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een onderheide parkeerplek van 25 m² op het perceel [locatie] te Bergschenhoek (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005348/1/H1.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2010 in zaken nrs. 09/2135 en 09/2343 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een onderheide parkeerplek van 25 m² op het perceel [locatie] te Bergschenhoek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 mei 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 14 mei 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van 17 m² onderheide bestrating op het perceel.

Bij uitspraak van 26 april 2010, verzonden op 27 april 2010, heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 7 mei 2009 en

14 mei 2009 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2010, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Ruis, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bouwplannen zijn in strijd met de ingevolge het bestemmingsplan "Het Lage en Hoge Bergsche Bos" op het perceel rustende bestemming "Wandel- en Speelbos". Het college heeft teneinde bouwvergunning te kunnen verlenen voor de onderheide parkeerplek van 25 m² vrijstelling verleend krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang gelezen met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985). Teneinde de andere bouwvergunning te kunnen verlenen voor de 17 m² onderheide bestrating, heeft het college ontheffing verleend krachtens artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in samenhang gelezen met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a (lees: d), van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bouwaanvraag niet volledig is, nu deze niet dient ter legalisering van een reeds aangebrachte fundering, maar voor het verder bouwen van een garage. De rechtbank heeft volgens hem voorts miskend dat niet valt te verwachten dat het college, indien zonder bouwvergunning een garage wordt gerealiseerd daartegen handhavend zal optreden, zoals het ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard.

2.2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college diende te beslissen op de aanvragen, zoals deze zijn ingediend. Er bestaat, anders dan [appellant] betoogt, geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet de juiste bouwplannen voor ogen heeft gehad bij de beoordeling van de beroepen van [appellant]. De bouwplannen dienen ter legalisering van de op het perceel geslagen heipalen, waarop een gewapend betonnen fundering is gestort met een oppervlakte van 42 m², en voorzien voorts in een nog te realiseren vloerplaat. Dat [vergunninghouder], zoals [appellant] betoogt, ter plaatse uiteindelijk een garage zou willen realiseren en dat de hiervoor beschreven constructie en vloerplaat daartoe dienen, noch het antwoord op de vraag of het college handhavend zal optreden indien zonder bouwvergunning een garage wordt gerealiseerd, is, wat daar verder van zij, in dit kader relevant.

Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

17-580.