Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1348

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201001309/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Echt-Susteren bij besluit van 9 april 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Echt, herziening 2009" (hierna: de herziening).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001309/1/R3.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Echt-Susteren bij besluit van 9 april 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Echt, herziening 2009" (hierna: de herziening).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 februari 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 maart 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende] en de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Deurne, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Pörteners-Dawidczyk, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende] en de raad, vertegenwoordigd door mr. L.G.M.H. Bohnen, werkzaam bij de gemeente, en J. Tielen, verschenen.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college van gedeputeerde staten de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college van gedeputeerde staten er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. De herziening is een plan in de zin van artikel 30, eerste lid, van de WRO. Bij besluit van 13 juni 2006, voor zover van belang, heeft het college het plandeel met de bestemming "Agrarische bouwkavel" met de nadere aanduiding 'minicamping (mc)' ter plaatse van het perceel aan de Waldfeuchterbaan 107 (hierna: het perceel) in het bestemmingsplan "Buitengebied Echt" van 2005 (hierna: het bestemmingsplan), goedgekeurd. De Afdeling heeft de goedkeuring van dit plandeel in haar uitspraak van 10 oktober 2007 in zaak nr. 200605770/1 vernietigd en zelf in de zaak voorzien door goedkeuring aan dit plandeel te onthouden.

Uitgangspunt is dat het college de herziening dient te beoordelen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2007. Dit is slechts anders voor zover er een zodanige wijziging van feiten en omstandigheden heeft plaatsgevonden sinds de datum van deze uitspraak dat daarvan kan dan wel moet worden afgeweken.

Beroep [appellanten]

2.3. [appellanten] komen op tegen artikel 4.6.12, onder b en c, van de planvoorschriften van de herziening. Zij betogen dat artikel 4.2, onder n, van de planvoorschriften van de herziening en artikel 4.6.12, onder b, inconsistent zijn, omdat eerstgenoemd artikel kleinschalig kamperen binnen een agrarisch bouwvlak en in een zone daarbuiten mogelijk maakt, terwijl laatstgenoemd artikel nogmaals de plaatsing van kampeermiddelen buiten het bouwvlak toestaat. Voorts maakt volgens hen artikel 4.6.12, onder c, het mogelijk voor het college van burgemeester en wethouders om bij vrijstelling het maximaal toegestane aantal standplaatsen van 15 met 25 te vergroten tot 40.

Verder stellen [appellanten] dat het college ten onrechte heeft nagelaten om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een mogelijke toepassing van artikel 4.6.12, onder c, te beoordelen.

2.3.1. Ingevolge artikel 4.2, onder n, voor zover van belang, van de planvoorschriften van de herziening is ter plaatse van de aanduiding "minicamping" kleinschalig kamperen in de vorm van een minicamping met maximaal vijftien standplaatsen toegestaan op de als zodanig aangeduide agrarische bouwkavel, alsmede op gronden gelegen binnen een zone van maximaal 50 meter gerekend vanaf de grens van de agrarische bouwkavel.

Ingevolge artikel 4.4, aanhef en onder g, van de herziening wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 24.1 van het bestemmingsplan in elk geval begrepen het plaatsen van standplaatsen, behoudens het bepaalde in 4.2, onder n.

Ingevolge artikel 4.6, aanhef, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan, in samenhang met artikel 4.6.12, van de planvoorschriften van de herziening, kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in 4.4, onder g, teneinde kleinschalig kamperen toe te staan op gronden gelegen op of direct grenzend aan een agrarische bouwkavel en wel gekoppeld aan het agrarisch bedrijf op de desbetreffende agrarische bouwkavel, met dien verstande dat:

[…]

b. maximaal 15 standplaatsen zijn toegestaan in de periode van 1 maart t/m 31 oktober;

c. in afwijking van het bepaalde onder b kunnen burgemeester en wethouders maximaal 25 standplaatsen toestaan bij bestaande kleinschalige kampeerterreinen gedurende de periode van 1 maart tot en met 31 oktober onder de voorwaarde dat dit geen onevenredige belemmeringen oplevert (gelet op de doelstellingen van de bestemming) voor omliggende bedrijven en woningen;

d. de standplaatsen mogen worden geplaatst binnen een zone van maximaal 50 meter gerekend vanaf de grens van de agrarische bouwkavel;

[…] .

2.3.2. Anders dan [appellanten] kennelijk menen, zijn de artikelen 4.2, onder n, en 4.6.12, aanhef en onder b, niet gelijktijdig van toepassing. Artikel 4.2, onder n, geldt immers voor percelen met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" en de aanduiding "minicamping". Artikel 4.6.12, aanhef en onder b, kan worden toegepast bij percelen met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" zonder deze aanduiding. Daarbij geldt voor beide situaties dat standplaatsen slechts zijn toegestaan op de agrarische bouwkavel, alsmede op gronden binnen een zone van maximaal 50 meter rondom de bouwkavel. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 4.2, onder n, en artikel 4.6.12, aanhef en onder b, van de planvoorschriften van de herziening niet tegenstrijdig zijn. Verder biedt artikel 4.6.12, onder c, anders dan [appellanten] betogen, niet de mogelijkheid om bij vrijstelling het maximale aantal toegestane standplaatsen te vergroten tot 40, maar kan het college van burgemeester en wethouders dit aantal slechts vergroten van 15 standplaatsen tot maximaal 25 standplaatsen.

Anders dan [appellanten] stellen, heeft het college in zijn besluit de aanvaardbaarheid van de in artikel 4.6.12, onder c, gegeven vrijstellingsmogelijkheid beoordeeld door aan te sluiten bij het standpunt van de raad hierover. Het college van burgemeester en wethouders kan de door artikel 4.6.12, onder c, gegeven mogelijkheid slechts benutten wanneer dit geen onevenredige belemmeringen oplevert voor omliggende bedrijven en omwonenden. Niet is aannemelijk geworden dat een mogelijke toepassing van deze bevoegdheid bij voorbaat zal leiden tot een onevenredige overlast voor bedrijven en omwonenden. Derhalve heeft het college in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat een dergelijke vrijstelling niet bij voorbaat onaanvaardbaar is. Het betoog faalt.

2.4. [appellanten] komen voorts op tegen de aanduidingen "agrarisch bouwkavel" en "minicamping" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" ter plaatse van het perceel. Zij stellen dat op het perceel geen sprake is van een bestaand agrarisch bedrijf met een reële bedrijfsomvang. Zij wijzen erop dat de bedrijfsomvang in achtereenvolgende rapportages van Area/Arvalis steeds naar beneden is bijgesteld. Voorts stellen zij dat de rechtbank Roermond heeft vastgesteld dat de overgelegde gegevens niet juist zijn. Verder voeren [appellanten] aan dat de Afdeling in haar uitspraak van 18 november 2009 in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond heeft overwogen dat de omvang van de agrarische activiteiten, uitgedrukt in een aantal Nederlandse Grootte Eenheden (hierna: NGE), opnieuw dient te worden berekend door een andere deskundige. Het college had daarom volgens hen niet af mogen gaan op de berekeningen van Area/Arvalis. Bovendien heeft het college bij controle van deze berekeningen niet de omvang van de activiteiten gecontroleerd, aldus [appellanten]. Voorts is Area/Arvalis volgens hen ingeschakeld door [belanghebbende] en kan zij daarom niet als een objectieve deskundige worden gezien. Voor zover Area/Arvalis de omvang van de agrarische activiteiten heeft berekend met de nu geldende NGE-normen, zou volgens [appellanten] ook de minimum bedrijfsomvang voor een agrarische bouwkavel dienen te worden aangepast en heeft de raad niet kunnen vasthouden aan de maatstaf van 3 NGE uit het bestemmingsplan.

2.4.1. Het college voert aan dat volgens de meest actuele berekening van Area/Arvalis het bedrijf op het perceel een omvang heeft van meer dan 3 NGE. Verder stelt het college dat uit de controle ter plaatse is gebleken dat de berekening en de tekening van Area/Arvalis in overeenstemming zijn met de feitelijke situatie. Het college sluit zich aan bij het standpunt van de raad dat Arvalis door de gemeente is ingeschakeld en daarom een onafhankelijke en objectieve instantie is. Volgens het college dient voor de berekening van het aantal NGE te worden uitgegaan van de berekeningsnormen van 2009. Voorts onderschrijft het college het standpunt van de raad dat in achtereenvolgende rapportages de omvang van het agrarisch bedrijf weliswaar steeds is gedaald, maar dat dit onverlet laat dat in elke rapportage steeds een omvang van groter dan 3 NGE is vastgesteld. Bovendien hebben [appellanten] geen van deze rapportages ooit weerlegd met een deskundigenrapport, aldus de raad en het college.

2.4.2. In de toelichting van het bestemmingsplan staat dat een agrarisch bedrijf minimaal een omvang van 3 NGE moet hebben voor toekenning van een agrarische bouwkavel. Dit is een beleidsmatige keuze van de raad, die volgt uit de toelichting van het bestemmingsplan en ook bij de herziening als uitgangspunt is gehanteerd. Er bestaat geen wettelijke verplichting om dit criterium aan te passen. Ook de omstandigheid dat de landelijke NGE-criteria om de twee jaar worden aangepast, heeft niet tot gevolg dat de raad deze norm moet aanpassen.

Ten behoeve van de voorbereiding van de herziening en de terinzagelegging van het ontwerp van de herziening heeft de raad onderzoek laten doen naar de omvang van het agrarisch bedrijf op het perceel. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport van Area/Arvalis van 13 maart 2008. In het rapport wordt geconcludeerd dat sprake is van een bedrijfsomvang van 4,5 NGE. Ten behoeve van de vaststelling van de herziening zijn de onderzoeksresultaten bijgesteld. In het onderzoeksrapport van 14 januari 2009 wordt geconcludeerd dat het bedrijf een omvang heeft van 3,41 NGE. Met juistheid wordt in de onderzoeksraporten uitgegaan van de op dat moment geldende NGE-normen van 2008. De rapporten zijn opgesteld door Area/Arvalis, in opdracht van het gemeentebestuur. De omstandigheid dat Area/Arvalis voor een eerdere rapportage omtrent de bedrijfsomvang was ingehuurd door [belanghebbende] leidt niet tot de conclusie dat zij niet als een onafhankelijke deskundige kan worden aangemerkt.

Hetgeen [appellanten] aanvoeren met betrekking tot de eerdere uitspraken van de rechtbank Roermond en de Afdeling en de door Area/Arvalis opgestelde rapporten in het kader van de door [belanghebbende] aangevraagde vrijstelling en bouwvergunning voor de vestiging van een minicamping op het perceel is thans niet van belang. Voor de vrijstelling en bouwvergunning wordt een zelfstandige procedure gevolgd waarvoor andere criteria gelden en derhalve ook een ander peilmoment dan voor de vaststelling van de herziening.

[appellanten] hebben geen andere argumenten aangevoerd ter onderbouwing van hun betoog dat het college op grond van de onderzoeksrapporten van 13 maart 2008 en 14 januari 2009 niet uit kon gaan van een bedrijfsomvang van meer dan 3 NGE en hebben zelf geen deskundigenrapport met andersluidende conclusies ingediend. Tot slot is van belang dat het college de door Area/Arvalis opgegeven oppervlaktes en de feitelijke situatie op het perceel ter plaatse heeft gecontroleerd.

Gelet op het vorenstaande heeft het college op goede gronden het standpunt kunnen innemen dat het agrarisch bedrijf op het perceel een omvang heeft van meer dan 3 NGE, zodat de aanduidingen "agrarisch bouwkavel" en "minicamping" aan het plandeel voor het perceel konden worden toegekend.

2.5. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

350-656.