Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1343

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201003563/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2008 heeft het college geweigerd aan [wederpartij] aanlegvergunning te verlenen ten behoeve van het aanleggen van twee terrassen en een looppad op de percelen gelegen achter de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4948
JBO 2011/7 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003563/1/H1.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 maart 2010 in zaak nr. 09/318 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Stein (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2008 heeft het college geweigerd aan [wederpartij] aanlegvergunning te verlenen ten behoeve van het aanleggen van twee terrassen en een looppad op de percelen gelegen achter de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 20 januari 2009 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 mei 2010.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [wederpartij] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 14 september 2010 heeft het college het door [wederpartij] tegen het besluit van 9 september 2008 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [wederpartij] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2010, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.J.T. Austen, advocaat te Valkenburg aan de Geul, is verschenen. Voorts is daar [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De werkzaamheden bestaan uit het aanvullen van grond langs de terrassen en looppaden tot het peil van de woning op het perceel en het daarna laten aflopen tot het bestaande maaiveld. Hierover zal gras worden ingezaaid dan wel aangebracht. Voor het aanleggen van een van de terrassen en het looppad is 30 cm grond afgegraven.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Elserveld/Meeldert, eerste herziening" rust op het perceel de bestemming "groenvoorzieningen met landschappelijke en/of natuurlijke waarde" met de aanduiding "terrein van zeer hoge archeologische waarde".

Ingevolge artikel 6a, lid A, van de planvoorschriften is het verboden op of in het op de plankaart aangeduide "terrein van zeer hoge archeologische waarde" zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de na volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

- het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;

- het bodem verlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist;

- het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 m, waartoe ook gerekend kan worden woelen en draineren;

- het aanleggen van boomgaarden;

- het bebossen van gronden;

- het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

- het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

- het graven van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;

- het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;

- het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.

Ingevolge lid C wordt de aanlegvergunning slechts verleend, indien door het aanleggen of uitvoeren van bovengenoemde werken of werkzaamheden, dan wel de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de in bedoelde gronden aanwezige oudheidkundige sporen niet dan in geringe mate worden aangetast of als de mogelijkheid bestaat tot het doen van voorafgaand wetenschappelijk onderzoek of het doen van oudheidkundige waarnemingen.

Ingevolge artikel 21, aanhef en lid A, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart als "groenvoorzieningen met landschappelijke en/of natuurlijke waarde" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen met landschappelijke en natuurlijke aanleg;

b. behoud van de archeologische waarden;

c. extensief recreatief medegebruik;

d. trapvelden en speelplaatsen;

e. volkstuinen binnen het op de plankaart als zodanig aangeduide gebied.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in het besluit van 20 januari 2009 onvoldoende heeft gemotiveerd dat in de gronden met de bestemming "terrein van zeer hoge archeologische waarde" aanwezige oudheidkundige sporen meer dan in geringe mate worden aangetast. Daartoe voert hij aan dat geen aanlegvergunning kan worden verleend voor de werkzaamheden, nu het aanleggen van terrassen en een looppad niet wordt vermeld in artikel 6a, lid A, van de planvoorschriften. Voorts voert hij daartoe aan dat een inbreuk op het archeologische aspect in strijd is met de toelichting op het bestemmingsplan, het besluit tot goedkeuring van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 18 september 2001 en het beeldkwaliteitsplan.

2.3.1. De werkzaamheden bestaan uit het ophogen van gronden en het afgraven van gronden waarvoor, naar niet in geschil is, geen ontgrondingsvergunning is vereist. Het is derhalve verboden de werkzaamheden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders uit te voeren. Uit de bewoordingen van artikel 6a, lid C, van de planvoorschriften blijkt dat het college de gevraagde aanlegvergunning dient te verlenen, indien door de werkzaamheden de in bedoelde gronden aanwezige oudheidkundige sporen niet dan in geringe mate worden aangetast of als de mogelijkheid bestaat tot het doen van voorafgaand wetenschappelijk onderzoek of het doen van oudheidkundige waarnemingen.

Hetgeen is opgenomen in de toelichting op het bestemmingsplan, het besluit tot goedkeuring van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 18 september 2001 en het beeldkwaliteitsplan, wat daarvan zij, kan er niet toe leiden dat het college beleidsvrijheid toekomt bij zijn beslissing omtrent een aanlegvergunning, nu artikel 6a, lid A, van de planvoorschriften niet een zodanige vrijheid aan het college toekent.

Aangezien het college niet heeft gemotiveerd dat door de werkzaamheden de in het perceel aanwezige oudheidkundige sporen meer dan in geringe mate worden aangetast, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bij het weigeren van de aanlegvergunning heeft nagelaten te toetsen wat de mate van inbreuk zou zijn.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in het besluit van 20 januari 2009 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet bereid is vrijstelling te verlenen voor de werkzaamheden. Daartoe voert hij aan dat het college een ruime mate van vrijheid toekomt bij zijn beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen en dat het college derhalve kon volstaan met de motivering dat de werkzaamheden een inbreuk zouden betekenen op het archeologische aspect.

2.4.1. Nu de werkzaamheden slechts voorzien in het afgraven van 30 cm grond, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het, mede gelet op het feit dat in bezwaar door [wederpartij] naar voren is gebracht dat bij de bouw van de betreffende woonwijk geen archeologische vondsten zijn aangetroffen, op de weg lag van het college om te verduidelijken waarom het niet bereid is vrijstelling te verlenen voor de werkzaamheden.

2.5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het door hem aangevoerde redenen om de gevraagde aanlegvergunning te weigeren, waaronder de aanwezigheid van een DSM-leiding op circa 50 m van de grens van het perceel. De rechtbank heeft terecht beslist op het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het college van 20 januari 2009. Daarbij heeft de rechtbank terecht beoordeeld of dit besluit berustte op een deugdelijke motivering. Nu het college niet vanwege de aanwezigheid van de DSM-leiding heeft geweigerd de gevraagde aanlegvergunning te verlenen, heeft de rechtbank deze omstandigheid terecht niet bij haar beoordeling betrokken.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Bij besluit van 14 september 2010 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar.

2.8. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

Bij het besluit van 14 september 2010 heeft het college geweigerd aan [wederpartij] aanlegvergunning te verlenen. Daarmee is geheel tegemoetgekomen aan de bezwaren van [appellant], die zich op het standpunt stelt dat deze aanlegvergunning niet mocht worden verleend. Dat [appellant] van mening is dat de aanlegvergunning om andere redenen diende te worden geweigerd dan het college heeft gedaan, betekent niet dat hij belang heeft bij beoordeling van het besluit van 14 september 2010.

2.9. [wederpartij] betoogt dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen voor de werkzaamheden. Daartoe voert hij aan dat de terrassen en het looppad aansluiten bij de haag en de fruitbomen die hij heeft geplant en derhalve geen zware inbreuk op het bestemmingsplan vormen.

2.9.1. Het college heeft in het besluit op bezwaar van 14 september 2010, onder verwijzing naar de toelichting op het bestemmingsplan, vermeld dat het in het gebied Elserveld/Meeldert een woonwijk wenst te realiseren met behoud van de voornaamste in dit gebied aanwezige landschappelijke, natuurlijke en archeologische waarden. Het college heeft aangegeven een groter gewicht toe te kennen aan het vasthouden aan dit uitgangspunt dan aan het belang van [wederpartij] bij het aanleggen van terrassen en een looppad.

Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen grond voor het oordeel dat het college, dat in dezen een ruime mate van beslissingsvrijheid toekomt, niet in redelijkheid om de door hem in het besluit op bezwaar van 14 september 2010 vermelde redenen heeft kunnen weigeren vrijstelling voor de werkzaamheden te verlenen. Anders dan [wederpartij] betoogt, is bij de beoordeling van de vraag of de werkzaamheden een zware inbreuk vormen op het bestemmingsplan, niet van belang dat ter plaatse een haag en fruitbomen zijn geplant. Het college heeft voorts terecht een beslissing genomen op de door [wederpartij] gedane aanvraag. De werkzaamheden die feitelijk hebben plaatsgevonden, zijn daarbij niet van belang.

2.10. Op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet de aanlegvergunning reeds worden geweigerd indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met een bestemmingsplan. Nu, zoals hierboven is overwogen, geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling voor de werkzaamheden te verlenen, zijn de werkzaamheden in strijd met de bestemming en wordt niet toegekomen aan de vraag of het college de gevraagde aanlegvergunning tevens op grond van artikel 6a, lid C, van de planvoorschriften diende te weigeren.

2.11. Het beroep is ongegrond.

2.12. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 14 september 2010 ongegrond;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Stein tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Sloots

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

499.