Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1339

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201003224/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders geweigerd aan [appellant] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een gemengd agrarisch bedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 24 februari 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 9
Flora- en faunawet 65
Flora- en faunawet 68
Flora- en faunawet 72
Besluit beheer en schadebestrijding dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2011/85 met annotatie van A. Collignon
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4942
JM 2011/44 met annotatie van Bokelaar
JM 2011/46 met annotatie van Boerema
JOM 2011/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003224/1/M2.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders geweigerd aan [appellant] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een gemengd agrarisch bedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 24 februari 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 april 2010.

Het college van burgemeester en wethouders heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door drs. E.J. Hoeneveld en bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Intrekken beroepsgrond

2.2. Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond dat het bestreden besluit onbevoegd zou zijn genomen, ingetrokken.

Weigeringsgrond

2.3. Aan het bestreden besluit tot weigering van de vergunning heeft het college van burgemeester en wethouders ten grondslag gelegd dat de aangevraagde uitbreiding van de inrichting met nieuwe stallen en het vergroten van de veestapel in strijd is met de Verordening groenblauwe zone, vastgesteld door provinciale staten van Flevoland op 11 december 2008 (hierna: de provinciale verordening).

Strijd met de provinciale verordening

2.4. [appellant] betoogt dat de gevraagde vergunning ten onrechte is geweigerd wegens strijd met de provinciale verordening. Hij voert aan dat de provinciale verordening niet behoort tot het toetsingskader voor een besluit op een aanvraag om een milieuvergunning. [appellant] betoogt verder dat, voor zover de provinciale verordening wel tot het toetsingskader behoort, het weigeren van de vergunning niet redelijk is. Hij voert hiertoe aan dat het college van burgemeester en wethouders in 2006, juist met het oog op de nu aangevraagde uitbreiding, in het bestemmingsplan Buitengebied voor de inrichting een ruimer bouwblok heeft vastgesteld en dat het college van gedeputeerde staten van Flevoland dit bestemmingsplan destijds ook heeft goedgekeurd. Verder voert [appellant] aan dat het college van gedeputeerde staten weliswaar heeft geweigerd om ontheffing van de provinciale verordening te verlenen, maar dat die weigering nog niet onherroepelijk is. Daarbij acht [appellant] van belang - samengevat weergegeven - dat de aangevraagde uitbreiding van de inrichting de verwezenlijking van het doel van de provinciale verordening volgens hem niet in de weg staat, onder meer omdat de inrichting aan de rand van het beschermingsgebied groenblauwe zone ligt. Ten slotte voert [appellant] aan dat de uitbreiding noodzakelijk is om een rendabele bedrijfsvoering te kunnen behouden.

2.4.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Ingevolge het derde lid kan in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmings- of inpassingsplan, een beheersverordening of regels gesteld bij of krachtens een provinciale verordening of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderscheidenlijk artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover van belang, kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, daaraan voorafgaande projectbesluiten daaronder begrepen, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud van beheersverordeningen. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte van het grondgebied van de provincie.

Ingevolge het tweede lid stelt de gemeenteraad binnen een jaar na inwerkingtreding van de verordening, tenzij bij de verordening een andere termijn wordt gesteld, een bestemmingsplan of een beheersverordening vast met inachtneming van de verordening.

Ingevolge het derde lid kunnen bij of krachtens een verordening als bedoeld in het eerste lid regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in het tweede lid in werking is getreden. Bij de verordening kan worden bepaald dat gedeputeerde staten met inachtneming van de bij de verordening te geven regels ontheffing kunnen verlenen van bij die verordening aan te geven regels.

Ingevolge artikel 4.7 van de provinciale verordening is het verboden in het beschermingsgebied groenblauwe zone bebouwing op te richten anders dan passend binnen de bestemmingen en aanduidingen als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2 en 3.3.

Ingevolge artikel 4.8 van de provinciale verordening kunnen gedeputeerde staten op verzoek van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het in artikel 4.7 genoemde verbod.

2.4.2. De provinciale verordening is een verordening als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Wro en bevat regels als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van de Wro. Vaststaat dat in het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied de provinciale verordening niet in acht is genomen. Indien er strijd is met de regels uit de provinciale verordening is het college van burgemeester en wethouders - anders dan [appellant] stelt - bevoegd de vergunning te weigeren op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer.

In zoverre faalt deze beroepsgrond.

2.4.3. Ter zitting is gebleken dat [appellant] niet betwist dat de door hem gevraagde vergunning met betrekking tot de te realiseren bebouwing in strijd is met artikel 4.7 van de provinciale verordening. Het geschil spitst zich voor het overige daarom toe op de vraag of het college van burgemeester en wethouders in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot weigering gebruik heeft kunnen maken.

2.4.4. In het kader van de aanvraag om een bouwvergunning voor de uitbreiding van de inrichting, is verzocht om ontheffing als bedoeld in artikel 4.8 van de provinciale verordening. Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het college van gedeputeerde staten geweigerd om die ontheffing te verlenen. Bij besluit van 18 september 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders vervolgens geweigerd om een bouwvergunning te verlenen. Bij besluit van 18 februari 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 18 september 2009 gehandhaafd.

Het college van burgemeester en wethouders hanteert de doelstellingen van het provinciale beleid voor het realiseren van het beschermingsgebied groenblauwe zone, zoals die zijn uitgewerkt in de provinciale verordening. De omstandigheid dat het college van gedeputeerde staten heeft geweigerd om ontheffing te verlenen van de provinciale verordening, is voor het college van burgemeester en wethouders aanleiding geweest om - net als de bouwvergunning - ook de milieuvergunning te weigeren.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot weigering van de milieuvergunning gebruik heeft kunnen maken. Nu artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer voorziet in toetsing aan regels gesteld bij een provinciale verordening als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van de Wro, ziet de Afdeling geen doorslaggevende betekenis toekomen aan de omstandigheid dat het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit vigerende bestemmingsplan zich niet tegen de aangevraagde uitbreiding van de inrichting verzet. De omstandigheid dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het besluit tot weigering van de bouwvergunning, alsmede het daaraan ten grondslag liggende besluit van het college van gedeputeerde staten tot weigering van de ontheffing van de verordening niet onherroepelijk was, leidt evenmin tot een ander oordeel omdat het college van burgemeester en wethouders niet is gehouden om zijn besluitvorming aan te houden tot het moment dat die besluiten onherroepelijk zijn. Dat volgens [appellant] realisatie van het met de provinciale verordening beoogde doel ook mogelijk is bij de aangevraagde uitbreiding van zijn bedrijf, maakt niet dat de afweging die het college van burgemeester en wethouders heeft gemaakt, op zich beschouwd onredelijk is. De Afdeling gaat ten slotte eveneens voorbij aan de grief van [appellant] dat het college van burgemeester en wethouders heeft miskend dat de aangevraagde uitbreiding vereist is voor een rendabele bedrijfsvoering, reeds omdat die grief niet nader is onderbouwd.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. G.N. Roes, en mr. E. Helder leden,in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

431-632.