Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1327

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
200909451/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een machinefabriek op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 26 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909451/1/M2.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna: [appellanten]), wonend onderscheidenlijk gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een machinefabriek op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 26 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. I.F.M. Kwint en ir. W. Meijer, en het college, vertegenwoordigd door J.P.G. van den Eijnde en A.J. Vodegel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om de revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor onder meer het omsmelten van al dan niet met snijolie verontreinigde loodspanen en het plaatsen van een verbeterde luchtfilterunit.

2.3. Het college stelt dat de beroepsgrond inzake de accreditering van HVR-Milieumanagement B.V. (hierna: HVR), Universiteit Twente en Universiteit Leuven en de beroepsgronden inzake luchtkwaliteit niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

2.3.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake milieuvergunningen worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorie├źn milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt.

2.3.2. De beroepsgrond inzake de accreditering is ingebracht in het kader van een zienswijze over het besluitonderdeel geur. [appellanten] hebben over dit besluitonderdeel zienswijzen naar voren gebracht. Er bestaat dan ook geen aanleiding het beroep op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3.3. [appellanten] hebben geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot het besluitonderdeel luchtkwaliteit. Nu niet is gebleken dat hen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, zijn de hierop betrekking hebbende beroepsgronden niet-ontvankelijk.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.5. Volgens [appellanten] is het rapport van HVR, kenmerk Hvr/2/20080602, (hierna: het rapport) niet op deugdelijk onderzoek gebaseerd en kon dit rapport niet aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd. Daartoe voeren zij aan dat een overzicht van de standaarden volgens welke de monsters zijn genomen, behandeld en geanalyseerd ontbreekt. Volgens hen is de emissie van geur ten onrechte niet onderzocht volgens de olfactometrische methode uit NEN-EN 13725. In dit verband stellen zij dat de gedane metingen niet volledig en niet conform de meetpraktijk zijn uitgevoerd en niet representatief zijn om de geurbelasting vanwege de inrichting te beoordelen. Bovendien zijn HVR, Universiteit Twente en Universiteit Leuven volgens hen niet conform de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR) geaccrediteerd als inspectie-instelling bij de Raad van Accreditatie.

2.5.1. De stelling van [appellanten] dat een overzicht van de standaarden ontbreekt, mist feitelijke grondslag. De standaard voor de stofmeting is vermeld op pagina 8 van het rapport en de standaard die is toegepast voor de afzonderlijke componenten is aangegeven op de pagina "Bijkomende informatie m.b.t. de op de voorzijde vermelde gegevens" in bijlage 1 bij het rapport.

2.5.2. Volgens het deskundigenbericht is de in het rapport gekozen methodiek geschikt voor het bepalen van de geurbelasting vanwege de inrichting op de omgeving. De in het kader van de chemische analyse van HVR uitgevoerde metingen zijn volgens het deskundigenbericht voldoende representatief om de geurbelasting vanuit de inrichting te beoordelen. Uit deze chemische analyse blijkt dat de geurvracht dermate laag is dat hiervan geen geurhinder te vrezen is. Uit het deskundigenbericht volgt verder dat op basis van de onderzoeksresultaten het uitvoeren van een geuronderzoek volgens de olfactometrische methode niet noodzakelijk was. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.5.3. Voor zover [appellanten] stellen dat HVR, Universiteit Twente en Universiteit Leuven op grond van de NeR geaccrediteerd moeten zijn, overweegt de Afdeling als volgt. In paragraaf 3.7.5 van de NeR is opgenomen dat de kwaliteit van de uitvoering van de afzonderlijke metingen kan worden gewaarborgd door middel van accreditatie van de meetinstantie. Deze paragraaf heeft betrekking op de controle van emissies indien in een vergunning emissie-eisen op basis van de NeR zijn opgenomen. Aan de bij het bestreden besluit verleende vergunning zijn dergelijke emissie-eisen niet opgenomen, zodat paragraaf 3.7.5 van de NeR in dit geval niet van toepassing is. Ook voor het overige hebben [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat accreditatie vereist is. De beroepsgrond faalt ook in zoverre.

2.5.4. Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan het onderzoek zodanige gebreken kleven dat het college bij de beoordeling van geurhinder niet kon uitgaan van het rapport. De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellanten] betogen dat in het kader van de beoordeling van de aanvraag ten onrechte geen geuronderzoek is verricht. Zij stellen in dit verband onder meer dat de kosten van een geuronderzoek, anders dan het college stelt, niet onredelijk hoog zijn.

2.6.1. Het college heeft bij de beoordeling van de geurbelasting als gevolg van het loodsmelten de NeR toegepast. De NeR is in de Regeling aanwijzing BBT-documenten aangewezen als document waarmee, bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken, rekening moet worden gehouden.

Op grond van paragraaf 3.6 van de NeR dient bij de beoordeling of een geuronderzoek moet worden verricht, te worden gekeken naar onder andere de omgevingsfactoren, de in de aanvraag opgenomen maatregelen en de indicaties omtrent hinder.

2.6.2. De inrichting bevindt zich op een industrieterrein met bedrijfswoningen die op ten minste 65 meter van het emissiepunt van de loodsmelterij staan. Volgens het deskundigenbericht zijn de maatregelen ter voorkoming van geuroverlast die in de aanvraag zijn omschreven, dan wel zijn vastgelegd in de paragrafen 8 en 9 van de vergunningvoorschriften, te beschouwen als de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (hierna: BBT). Uit het rapport blijkt dat de omvang van de geuremissie zeer beperkt is, zodat geen geuroverlast in de omgeving te verwachten is. In het deskundigenbericht wordt deze conclusie uit het rapport onderschreven. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze conclusie. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid kunnen afzien van het uitvoeren van een geuronderzoek, wat er ook zij van de hoogte van de kosten die daaraan verbonden zijn. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. [appellanten] stellen dat als een voorziening kan worden beschouwd als BBT, de mate van geurhinder niet per definitie acceptabel is en bijzondere omstandigheden kunnen nopen tot het voorschrijven van aanvullende maatregelen.

2.7.1. Zoals in overweging 2.6.2 is overwogen blijkt uit het rapport dat de omvang van de geuremissie zeer beperkt is, zodat geen geuroverlast in de omgeving te verwachten is. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven tot het voorschrijven van aanvullende maatregelen. De beroepsgrond faalt.

2.8. [appellanten] vrezen voor diffuse emissies van geur via ramen en deuren.

2.8.1. Uit de aanvraag blijkt dat de loodsmelterij een afzuigdebiet van 1930 m3/uur heeft en dat de afmeting van deze ruimte ca 40 m2 bedraagt. Uit het deskundigenbericht komt naar voren dat een dergelijk afzuigdebiet, gelet op de afmetingen van de ruimte, voor voldoende onderdruk zorgt om diffuse emissies van geur te voorkomen. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. De beroepsgrond faalt.

2.9. [appellanten] voeren aan dat de waswijze van de loodspanen en de acceptabele restverontreiniging ten onrechte niet in voorschrift 9.5 zijn vastgelegd waardoor niet voldoende gewaarborgd is dat geen geurhinder zal optreden.

2.9.1. In voorschrift 9.1.1 is bepaald dat emissies naar de lucht geen hinder mogen veroorzaken. Op grond van dit voorschrift is geen geurhinder vanuit de inrichting toegestaan. In voorschrift 9.5 is vastgelegd dat de loodspanen voor het omsmelten zoveel mogelijk moeten worden ontdaan van olie. Dit voorschrift heeft als doel te voorkomen dat geurhinder optreedt door het smelten van loodspanen die zijn verontreinigd met olie. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften tezamen toereikend zijn om geurhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. De beroepsgrond faalt.

2.10. [appellanten] voeren aan dat uit de beschrijving van het smeltproces niet blijkt hoe de filters op verzadiging kunnen worden gecontroleerd en hoe dit kan gebeuren zonder de werking van de filterinstallatie te verstoren. Volgens hen is daarom niet duidelijk of de voorschriften in paragraaf 9.3 naleefbaar zijn.

2.10.1. Het smeltproces is omschreven in de vergunningaanvraag. De wijze waarop de afgassen die daarbij ontstaan worden gefilterd, is omschreven in het rapport. Het smeltproces vindt slechts 500 uren op jaarbasis plaats. Hieruit volgt dat het onderhoud kan worden verricht terwijl het smeltproces stil ligt. De filters kunnen derhalve op verzadiging worden gecontroleerd zonder de goede werking van de filterinstallatie te verstoren. De in paragraaf 9.3 opgenomen voorschriften zijn dan ook naleefbaar. De beroepsgrond faalt.

2.11. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de beroepsgronden betreft over luchtkwaliteit;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

492-687.