Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1326

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201006026/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft het college het verzoek van [appellant] om een ontheffing van het verbod op het innemen van een vaste ligplaats met een woonschip ter hoogte van de [locatie] te [plaats], afgewezen. Bij hetzelfde besluit heeft het college het verzoek van [appellant] om een ligplaatsvergunning voor recreatief gebruik van de oever ter hoogte van de [locatie] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006026/1/H3.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2010 in zaak nr. 09/1847 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft het college het verzoek van [appellant] om een ontheffing van het verbod op het innemen van een vaste ligplaats met een woonschip ter hoogte van de [locatie] te [plaats], afgewezen. Bij hetzelfde besluit heeft het college het verzoek van [appellant] om een ligplaatsvergunning voor recreatief gebruik van de oever ter hoogte van de [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 mei 2010, verzonden op 11 mei 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 juli 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door E.P. Blaauw, en het college, vertegenwoordigd door E. van der Klis en H.P. van de Ven, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Woonschepenverordening 1988 (hierna: Woonschepenverordening) wordt onder woonschip verstaan: een vaartuig, hoe ook genaamd en van welke aard ook, uitsluitend of in hoofdzaak gebezigd als of bestemd tot woon- of nachtverblijf van een of meer personen, alsmede een woonschip in aanbouw of een casco, dat tot woonschip kan worden omgebouwd of verbouwd.

Ingevolge artikel 2, voor zover thans van belang, is het aan eigenaren of gebruikers van woonschepen verboden deze binnen de gemeente te doen verblijven elders dan in het water, behorende tot het perceel, kadastraal bekend gemeente Aalsmeer, sectie D, nr. 2459, gelegen aan de Herenweg.

Ingevolge artikel 4, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders van het bepaalde in artikel 2 ontheffing verlenen.

Bij besluit van 7 december 2006 heeft de raad van de gemeente Aalsmeer het bestemmingsplan "Uiterweg Plasoevers 2005" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.

Ingevolge artikel 32.1 van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Water, tevens landschappelijk waardevol terrein" aangewezen gronden bestemd voor:

a. waterhuishouding;

b. verkeer te water;

c. bruggen;

d. ontwikkeling ecologische verbindingszone, daar waar aangegeven op de plankaart;

e. natuurontwikkeling;

f. steigers (…); met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.2. De Afdeling stelt vast dat de weigering van een ligplaatsvergunning voor recreatief gebruik van de oever niet in geding is.

2.3. Het college heeft aan het besluit van 17 maart 2009 ten grondslag gelegd, voor zover thans van belang, dat [appellant] geen ontheffing kan worden verleend van het in artikel 2 van de Woonschepenverordening neergelegde afmeerverbod, omdat afmeren ter plaatse in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens het bestemmingsplan heeft het betreffende perceel de bestemming "Water, tevens landschappelijk waardevol terrein" en volgt uit artikel 32.1 van de planvoorschriften dat de aangewezen gronden niet zijn bestemd voor ligplaatsen voor woonschepen, aldus het college. Voorts heeft het college in het bij de rechtbank bestreden besluit overwogen dat de raad van de gemeente Aalsmeer op 21 november 2002 heeft besloten dat geen nieuwe ontheffingen voor het afmeren van woonschepen meer mogen worden verleend.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het verzoek om ontheffing van het afmeerverbod is gebaseerd op de Woonschepenverordening. De rechtbank heeft haar oordeel dan ook onterecht gestoeld op het bestemmingsplan. [appellant] merkt daarbij op dat de rechtbank ter zitting heeft bepaald dat de door het college ingebrachte stukken betreffende het bestemmingsplan geen rol zouden spelen en derhalve niet zouden worden besproken.

2.4.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft vastgesteld dat blijkens het bestemmingsplan het woonschip ligplaats inneemt op een perceel met de bestemming "Water, tevens landschappelijk waardevol terrein" als bedoeld in artikel 32.1 van de planvoorschriften en dat [appellant] ligplaats inneemt met zijn woonschip in strijd met die bestemming. In zijn hoger beroepschrift heeft [appellant] dat oordeel van de rechtbank niet betwist, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bestemmingsplan een planologisch-juridisch kader beoogt te bieden voor de ruimtelijke ordening voor het gebied Uiterweg. In navolging van de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2002 in zaak nr. 200202092/1 heeft de rechtbank voorts met juistheid overwogen dat de strekking van de Woonschepenverordening - ter bevordering van het belang van de orde en veiligheid in de openbare wateren in de gemeente Aalsmeer - er niet aan in de weg staat dat bij een beslissing op een verzoek tot het innemen van ligplaats mede wordt bezien of de gewenste locatie uit een oogpunt van ruimtelijke ordening voor dat doel aanvaardbaar is, gelet op de samenhang tussen de orde in de openbare wateren en de aan die wateren gegeven bestemming.

Voorts heeft het college zich, onder verwijzing naar de door de raad van de gemeente Aalsmeer op 21 november 2002 vastgestelde "visie op hoofdlijnen voor bestemmingsplannen Uiterweg en Oosteinderweg" op goede gronden op het standpunt gesteld dat het aantal ligplaatsen voor woonarken in het betrokken gebied niet mag worden uitgebreid.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college het verzoek om ontheffing van het afmeerverbod gezien het vorenstaande, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

De stelling van [appellant] dat de rechtbank ter zitting zou hebben bepaald dat de door het college ingebrachte stukken betreffende het bestemmingsplan geen rol zouden spelen en derhalve niet zouden worden besproken doet aan hetgeen hiervoor is overwogen niet af, reeds omdat deze stelling geen steun vindt in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank.

2.5. Voorts betoogt [appellant] dat het beleid van het college onduidelijk is. Volgens [appellant] gaat het college in het besluit van 17 maart 2009 voorbij aan het voor hem onbekende beleid inzake vergunningen en ontheffingen. De rechtbank heeft het beleid tevens ten onrechte buiten beschouwing gelaten, aldus [appellant].

Dit betoog faalt eveneens. De rechtbank is terecht niet ingegaan op het door [appellant] aangehaalde beleid. Het beleid, wat daar verder ook van zij, is in dit geval niet relevant omdat dit ziet op handhaving en niet op ontheffingverlening.

2.6. Verder voert [appellant] aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat tot augustus 2003 nog nieuwe ontheffingen voor het afmeren van woonschepen werden verleend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij vijftig ontheffingen overgelegd, waaruit volgens hem niet blijkt dat ze zijn verstrekt omdat het reeds bestaande ligplaatsen van woonschepen betrof. Aangezien zijn schip begin 2000 al als woonschip werd gebruikt, is het in strijd met het gelijkheidsbeginsel hem een ontheffing voor het afmeren te weigeren, aldus [appellant].

2.6.1. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem overgelegde ontheffingen zien op een uitbreiding van het totaal aantal legale ligplaatsen. De stelling van [appellant] dat door het college tot 2003 ontheffingen werden verleend voor nieuwe ligplaatsen heeft het college genoegzaam weerlegd met de uitkomst van een nader onderzoek naar de achtergrond van de door [appellant] overgelegde ontheffingen. Ter zitting van de Afdeling is namens het college uiteengezet dat die ontheffingen zien op wijzigingen van bestaande legale situaties. Bovendien heeft het college er in dit verband op gewezen dat het sinds begin jaren '80 een restrictief beleid voert ten aanzien van het aantal ligplaatsen voor woonschepen en dat het in beginsel geen uitbreiding hiervan toestaat. Nu voor de plaats waar het schip van [appellant] is afgemeerd niet eerder ontheffing is verleend kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Hardeveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

312-637.