Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1314

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201004311/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 70 appartementen met ondergrondse parkeergarage op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004311/1/H1.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de stichting Stichting Comité Doesburg, gevestigd te Leiderdorp (hierna: de stichting),

2. [appellanten sub 2], gevestigd te [plaats] (hierna: [appellant sub 2]),

3. de vereniging Vereniging Kijk op de Rijn(dijk), gevestigd te Zoeterwoude (hierna: de vereniging),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 24 maart 2010 in de zaken nrs. 09/4878, 09/4928, 09/5016, 09/5017, 09/5019 en 09/5022 in het geding tussen:

de stichting, [appellant sub 2], de vereniging en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 70 appartementen met ondergrondse parkeergarage op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 24 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de onder meer door de stichting, [appellant sub 2] en de vereniging daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2010, en de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De stichting heeft de gronden aangevuld bij brief van 31 mei 2010. De vereniging heeft dat gedaan bij brief van 30 mei 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting en de vereniging hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2010, waar de stichting, vertegenwoordigd door drs. C.M.M. Thunnissen, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door R.J. Sperna-Weiland, de vereniging, vertegenwoordigd door ir. K. Tabbers, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. R. Stam en J.G. Leskens, beiden in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan ziet op de oprichting van zes bouwblokken in en rond een sloephaven langs de Oude Rijn. Niet in geschil is dat het in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hoge Rijndijk". Om verwezenlijking ervan niettemin mogelijk te kunnen maken heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) daarvan vrijstelling verleend.

2.2. Ingevolge die bepaling kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt ingevolge de bepaling bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel gemotiveerd, waarom het te realiseren project binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied past. De gemeenteraad kan zijn vrijstellingsbevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders overdragen, aldus de bepaling.

2.3. Het betoog van [appellant sub 2] dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen bezwaarschriftenprocedure ten aanzien van de bouwvergunning heeft gevolgd, slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college krachtens artikel 3:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, geregeld in Afdeling 3.4, van toepassing heeft verklaard op het op de aanvraag om verlening van bouwvergunning te nemen besluit. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, kan tegen een besluit dat met toepassing van die afdeling is voorbereid geen bezwaar worden gemaakt.

Voorts is het besluit tot verlening van de bouwvergunning deugdelijk gepubliceerd. In het gemeentelijk katern van het wekelijks te verschijnen huis-aan-huisblad van 26 november 2008 is onder "Rectificatie verlening bouwvergunning Hoge Rijndijk" bekendgemaakt dat het college een aanvraag heeft ontvangen om verlening van reguliere bouwvergunning eerste fase voor het oprichten van 70 woningen op het perceel en dat deze aanvraag met ingang van 27 november 2008 gedurende zes weken ter inzage ligt. Met deze publicatie is de eerdere bekendmaking van de aanvraag, waarbij niet was vermeld dat toepassing aan Afdeling 3.4 van de Awb wordt gegeven, aangevuld.

2.4. De rechtbank heeft [appellant sub 2] en de stichting terecht evenmin gevolgd in het betoog dat afwijking van een recent bestemmingsplan dat een wijzigingsbevoegdheid bevat die minder verstrekkend is dan het voorziene bouwplan in strijd is met de rechtszekerheid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 2003 in zaak nr. 200302477/1), biedt artikel 19 van de WRO een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare procedure. Het college mocht daarvan gebruik maken, als het heeft gedaan.

2.5. [appellant sub 2] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen gebruik mocht maken van de op 19 mei 2009 door gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: gedeputeerde staten) ten behoeve van het bouwplan verleende verklaring van geen bezwaar. Hiertoe voert zij aan dat het college de vragen in het desbetreffende aanvraagformulier of in het plangebied archeologische waarden zijn en of het is gelegen in een cultuurhistorische structuur ten onrechte negatief heeft beantwoord. In dit verband wijst zij ook op kaart nr. 4, behorende bij de Nota Regels voor Ruimte, waaruit volgens haar blijkt dat het perceel in een cultuurhistorische structuur is gelegen.

2.5.1. Ook dat betoog faalt. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. heeft ten aanzien van het plangebied op verzoek van de projectontwikkelaar archeologisch vooronderzoek en inventariserend veldonderzoek gedaan. Op basis daarvan heeft zij aan de projectontwikkelaar geadviseerd de grondwerkzaamheden in het westelijk deel van het plangebied archeologisch te laten begeleiden. Voor het overige deel van het plangebied heeft zij geadviseerd de grondwerkzaamheden zonder beperkingen uit te laten voeren. Uit het advies valt niet af te leiden dat daar ter bescherming van archeologische waarden niet gebouwd zou mogen worden.

Bij brief van 27 mei 2008 hebben gedeputeerde staten aan vergunninghouder te kennen gegeven dat zij het rapport van de onderzoeken hebben bestudeerd en geen aanleiding zien aanvullende opmerkingen te maken. Dit betekent dat aannemelijk is dat zij op de hoogte waren van de situatie ter plaatse, wat archeologische waarden betreft. De verwijzing van [appellant sub 2] naar kaart nr. 4, behorende bij de Nota Regels voor Ruimte, leidt niet tot het daarmee beoogde doel, nu uit die ter zitting getoonde kaart niet valt af te leiden dat het bouwplan in een cultuurhistorische structuur is voorzien.

2.6. [appellant sub 2] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat, gezien de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 2], ter plaatse van de te realiseren appartementen geen goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd, zij door realisering van het bouwplan in haar bedrijfsvoering zal worden beperkt en het college in verband daarmee geen vrijstelling had mogen verlenen. In de ruimtelijke onderbouwing is hiermee volgens haar ten onrechte geen rekening gehouden.

2.6.1. In de ruimtelijke onderbouwing is bij de behandeling van het aspect geluidsbelasting geen rekening is gehouden met de aanwezigheid van [appellant sub 2] tegenover de te realiseren appartementen. Het college heeft echter tegenover de rechtbank toegelicht, dat en waarom de aanwezigheid van [appellant sub 2] volgens hem geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de te realiseren appartementen zal hebben. Het heeft in dit verband gesteld dat [appellant sub 2] op 25 november 1992 een melding krachtens het Besluit horecabedrijven Hinderwet heeft gedaan en in dat verband heeft verklaard dat geen muziekgeluid van meer dan 70 dB(A) wordt voortgebracht. Voorts heeft het uiteengezet dat, wat betreft muziekgeluid, voldaan moet worden aan de geluidsnormen van de Wet milieubeheer en in het bijzonder de normen uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en dat de bestaande woningen aan de Hoofdstraat en het Jaagpad in Leiderdorp daarvoor bepalend zijn, aangezien deze woningen dichterbij [appellant sub 2] zijn gelegen dan de te bouwen appartementen. De afstand tot de dichtstbijzijnde woning is ongeveer 10 meter. Ervan uitgaande dat [appellant sub 2] in haar bedrijfsvoering rekening moet houden met de bestaande woningen die op korte afstand van de door haar gedreven inrichting zijn gelegen, zullen de te realiseren appartementen, die op een afstand van minimaal 26 meter van de inrichting zullen liggen, geen extra beperkingen voor [appellant sub 2] met zich brengen en kan ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd, aldus het college.

Het college heeft de Milieudienst West-Holland voorts, naar het tegenover de rechtbank heeft gesteld, een indicatieve geluidsberekening laten maken. Uitgaande van een zogenoemde worst-case benadering van het geluidsniveau van een luid schreeuwend persoon op het terras van de inrichting, is berekend dat aan de normen die voor een algemeen aanvaardbaar geluidsniveau gelden voldaan kan worden en dat [appellant sub 2] niet in haar bedrijfsvoering zal worden beperkt en ter plaatse van de nieuwbouw een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Voor zover [appellant sub 2] in dit verband nog heeft aangevoerd dat geluid door de hoge bebouwing en de aanwezigheid van het tussenliggende water weerkaatst, wordt overwogen dat volgens de Milieudienst mogelijke overlast niet merkbaar zal toenemen bij hogere bebouwing, omdat voor reflectie van geluid de onderste etages van belang zijn. Ditzelfde geldt voor het geluid over water, aldus de Milieudienst.

Nu [appellant sub 2] deze door het college tegenover de rechtbank aldus gegeven nadere uiteenzetting niet gemotiveerd heeft bestreden, heeft de rechtbank in het in beroep door haar aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college geen vrijstelling mocht verlenen, omdat ter plaatse van de te realiseren appartementen door de aanwezigheid van [appellant sub 2] geen goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd en [appellant sub 2] in haar bedrijfsvoering zal worden beperkt.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant sub 2], de stichting en de vereniging betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat niet is aangetoond dat het bouwplan economisch uitvoerbaar is. Volgens hen is er geen behoefte aan de voorziene woningbouw, omdat de bevolking van de gemeente Zoeterwoude en de regio het Groene Hart krimpt. Voorts stellen zij in dit verband dat de projectontwikkelaar op 8 april 2010 failliet is verklaard. Verder voeren zij aan dat niet voldaan is aan de ten behoeve van de ontwikkeling van het bouwplan vastgestelde randvoorwaarden. Daarnaast voldoet het bouwplan niet aan de Transformatievisie Oude Rijnzone en het rapport Ruimtelijke Kwaliteit Oude Rijnzone, aldus de stichting en de vereniging. Met name is volgens hen te weinig gedaan om het cultuurhistorisch erfgoed te behouden.

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 mei 2003 in zaak nr. 200204703/1), moeten aan de ruimtelijke onderbouwing van een project hogere eisen worden gesteld, naarmate de inbreuk van dat project op het geldende planologische regime groter is. De rechtbank heeft de inbreuk van het bouwplan op het bestemmingsplan terecht ingrijpend geacht.

2.7.2. In de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet dat het gaat om een particulier initiatief en geen werken of werkzaamheden door of in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd. Voorts heeft het college toegelicht dat de te realiseren woningbouw dient ter bevordering van de doorstroom op de woningmarkt, zodat woningen voor onder meer starters vrijkomen en onweersproken gesteld dat er onlangs 112 belangstellenden waren voor 12 sociale koopwoningen. Ook heeft het te kennen gegeven dat de woningbouw bedoeld is voor kopers uit de regio, mede in verband met de gunstige ligging ten opzichte van Leiden.

De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat moet worden aangenomen dat het project economisch niet uitvoerbaar is. Dat de projectontwikkelaar failliet is gegaan, leidt niet tot dat oordeel, reeds omdat deze omstandigheid van na het in beroep bestreden besluit van 26 mei 2009 dateert. Overigens heeft het college ter zitting onweersproken gesteld dat het project door een andere vennootschap zal worden uitgevoerd.

2.7.3. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de ten behoeve van het bouwplan door de commissie grondzaken opgestelde randvoorwaarden geen voorwaarden zijn bij de realisering van het bouwplan en de beantwoording van de vraag of daarvoor vrijstelling moet worden verleend. Het zijn beleidsuitgangspunten, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken, zoals het college heeft gedaan. Voor zover beoogd is te betogen dat het college geen gebruik mocht maken van de bevoegdheid vrijstelling te verlenen, zonder dat aan de randvoorwaarden is voldaan, wordt overwogen dat de gemeenteraad de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen niet aan het college heeft overgedragen onder de ontbindende voorwaarde dat aan de randvoorwaarden wordt voldaan.

2.7.4. Ten aanzien van de door de stichting en de vereniging gestelde strijdigheid van het bouwplan met de Transformatievisie Oude Rijnzone en het rapport Ruimtelijke Kwaliteit Oude Rijnzone en hun stelling dat het cultuurhistorisch erfgoed onvoldoende wordt beschermd, heeft de rechtbank verder terecht overwogen dat in die rapporten voor het gebied, waarin het bouwplan is voorzien, is gekozen voor diversiteit van hoog- en laagbouw, afgewisseld met klein en fijn en dat het bouwplan daaraan voldoet. Voorts heeft zij terecht overwogen dat rekening is gehouden met de doorkijk naar de Oude Rijn. De rechtbank heeft evenzeer terecht de stichting en de vereniging niet gevolgd in het betoog dat onvoldoende gedaan is om het ter plaatse aanwezige cultureel erfgoed te behouden. In dit verband is van belang dat het bouwplan niet in een beschermd dorps- of stadsgezicht is voorzien en zich geen bebouwing met een monumentale status in het gebied bevindt, zodat niet aannemelijk is dat ter plaatse cultureel erfgoed aanwezig is dat bescherming behoeft.

2.7.5. De conclusie is dat het betoog faalt.

2.8. Ten slotte faalt ook het betoog van [appellant sub 2], de stichting en de vereniging dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 26 mei 2009 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank heeft in hun betoog dat een cultuurhistorische analyse en een zorgvuldige formulering van randvoorwaarden door een gerenommeerd stedenbouwkundig bureau ontbreken terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college onvoldoende zorgvuldig heeft besloten. Het betoog geeft geen grond voor het oordeel dat het college bij de voorbereiding van het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning onvoldoende kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard.

2.9. De beroepsgronden falen. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

357-552.