Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1307

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201005748/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2009 heeft de minister een aanvraag van de stichting om subsidie voor instandhoudingswerkzaamheden aan een rijksmonument afgewezen.

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 34
Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten
Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 1
Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 4
Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 19
Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/162 met annotatie van F. Onrust
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/2894
JOM 2011/124
JG 2011/16 met annotatie van ing. W. Vos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005748/1/H2.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting De Burcht Wedde, gevestigd te Wedde, gemeente Bellingwedde,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 april 2010

in zaak nr. 09/928 in het geding tussen:

de stichting

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2009 heeft de minister een aanvraag van de stichting om subsidie voor instandhoudingswerkzaamheden aan een rijksmonument afgewezen.

Bij besluit van 14 augustus 2009 heeft de minister het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard voor zover daarbij is geweigerd om de stichting als eigenaar aan te wijzen, voor het overige gegrond verklaard, het besluit van 18 maart 2009 herroepen en alsnog aan de stichting een subsidie toegekend.

Bij uitspraak van 23 april 2010, verzonden op 4 mei 2010, heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 juli 2010.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de Afdeling desgevraagd toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht een nadere zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, voor zover thans van belang, kan de minister subsidie verstrekken ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, bestaat de subsidie uit een percentage van de door de minister vast te stellen kosten.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het verstrekken van subsidie, als bedoeld in het eerste lid.

Bij besluit van 16 januari 2006 (Staatsblad 2006, 31), is, gelet op onder meer artikel 34 van de Monumentenwet, het Besluit rijkssubsidiering instandhouding monumenten 2006 (hierna: het Brim) vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Brim, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder eigenaar: natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht heeft op een beschermd monument.

Ingevolge artikel 4 komen voor subsidie op grond van dit hoofdstuk in aanmerking:

a. eigenaren van andere beschermde monumenten dan woonhuizen en dan boerderijen zonder agrarische functie,

b. […],

c. provincies, gemeenten, waterschappen en openbare lichamen die zijn ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, en,

d. […].

Ingevolge artikel 19, aanhef en onder b, bedraagt de subsidie voor eigenaren van andere beschermde monumenten dan woonhuizen en boerderijen zonder agrarische functie die geen recht op fiscale aftrek van onderhoudskosten hebben, niet zijnde eigenaren als bedoeld in de artikelen 20 en 21, het volgende percentage van de subsidiabele kosten: bij kastelen, buitenplaatsen en landhuizen: 60%.

Ingevolge artikel 21, voor zover thans van belang, bedraagt de subsidie voor een gemeente 30% van de subsidiabele kosten.

2.2. De stichting heeft subsidie gevraagd voor reguliere instandhoudingswerkzaamheden en ingrijpender herstel aan het rijksmonument "de Burcht Wedde" (hierna: de burcht), gelegen in de gemeente Bellingwedde (hierna: de gemeente). Bij besluit van 18 maart 2009 heeft de minister geweigerd deze subsidie aan de stichting te verstrekken, omdat is gebleken dat de gemeente eigenaar is van de burcht. Bij besluit op bezwaar van 14 augustus 2009 heeft de minister alsnog aan de stichting, als begunstigde van de gemeente, een subsidie toegekend van € 30.000,00. De minister heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de gemeente eigenaar is in de zin van het Brim. Op grond van

artikel 21 van het Brim bedraagt de subsidie derhalve 30% in plaats van de door de stichting gevraagde 60% van de subsidiabele kosten, aldus de minister.

2.3. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen, dat de minister het huurrecht, dat voortvloeit uit de huurovereenkomst tussen de stichting en de gemeente van 11 maart 2008, terecht niet heeft aangemerkt als "een ander zakelijk recht" in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Brim. De wetgever verwijst in de nota van toelichting op het Brim naar de zakelijke rechten in boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW). Ter beoordeling van de vraag of er sprake is van een zakelijk recht, dient derhalve aansluiting te worden gezocht bij de bepalingen van het BW. Het huurrecht kan niet worden aangemerkt als een zakelijk recht in de zin van het BW en daarmee ook niet in de zin van het Brim.

Vaststaat dat de gemeente eigenaar is van de burcht. Gelet op artikel 21 van het Brim heeft de minister dan ook terecht een subsidie toegekend van 30% van de subsidiabele kosten, aldus de rechtbank.

2.4. Het betoog van de stichting richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat het huurrecht niet kan worden aangemerkt als "een ander zakelijk recht" in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Brim.

De stichting voert daartoe aan dat noch uit de tekst van het Brim noch uit de toelichting daarop blijkt dat de wetgever met "een ander zakelijk recht" uitsluitend heeft gedoeld op de zakelijke rechten in boek 5 van het BW. Een dergelijke beperkte uitleg is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

Voorts voert de stichting aan dat er aanleiding is om het huurrecht op materiële gronden aan te merken als een "ander zakelijk recht". De stichting is immers met de gemeente verregaande rechten en plichten overeengekomen. Deze zijn verstrekkender dan de zakelijke rechten van boek 5 van het BW. Verder is de huurovereenkomst voor eeuwig aangegaan, zodat de gemeente in feite het bezit van de burcht heeft overgedragen aan de stichting.

Ten slotte voert de stichting aan dat het niet met de toelichting op artikel 21 van het Brim strookt om haar slechts in aanmerking te brengen voor een subsidie van 30% van de subsidiabele kosten. In deze toelichting is beschreven dat gemeenten in aanmerking komen voor een subsidie van 30% van de subsidiabele kosten, omdat zij worden geacht de kosten deels uit algemene middelen te voldoen. Nu de stichting met de gemeente is overeengekomen dat de stichting alle kosten voor haar rekening neemt en zij niet beschikt over algemene middelen, komt zij met overeenkomstige toepassing van artikel 19 van het Brim in aanmerking voor een subsidie van 60% van de subsidiabele kosten, aldus de stichting.

2.4.1. De rechtbank heeft voor de betekenis van de zinsnede "een ander zakelijk recht" terecht aansluiting gezocht bij de betekenis van zakelijke rechten in het BW. De in de artikelgewijze toelichting bij artikel 1, aanhef en onder b, van het Brim (nota van toelichting, blz. 30; Stbl. 2006, 31) genoemde voorbeelden van andere zakelijke rechten dan de eigendom, namelijk het recht van erfpacht en het recht van opstal duiden er op dat de wetgever met "andere zakelijke rechten" gedoeld heeft op absolute, dat wil zeggen tegenover een ieder geldend te maken, rechten op een beschermd monument die een exclusief gebruiksrecht daarvan impliceren. Weliswaar heeft de stichting een uit de huurovereenkomst voortvloeiend exclusief gebruiksrecht op de burcht, maar zij kan dat recht slechts tegenover de gemeente geldend maken. Bij het uitgangspunt van het Brim, zoals verwoord in het algemeen deel van de nota van toelichting (nota van toelichting; Stbl. 2006, 31), om aan eigenaren financiële ondersteuning te bieden ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten, past het om de uitbreiding naar andere zakelijk gerechtigden zo op te vatten dat het gaat om zakelijk gerechtigden die in een vergelijkbare positie verkeren ten opzichte van het beschermde monument als een eigenaar. Daarvan is in het geval van een huurovereenkomst als in dit geval met de gemeente als eigenaar gesloten geen sprake, ook al bepaalt die overeenkomst dat al het onderhoud, ook het achterstallige onderhoud, voor rekening van de huurder komt. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat met de huurovereenkomst geen eigendomsoverdracht aan de Stichting heeft plaatsgevonden.

2.4.2. Nu de stichting geen eigenaar van de burcht is en daarop geen zakelijk recht heeft, kan zij aan artikel 19, aanhef en onder b, van het Brim geen aanspraak op subsidie ontlenen. Evenmin kan zij aan artikel 21 van het Brim een aanspraak ontlenen. De minister heeft in plaats daarvan de subsidie van 30% van de subsidiabele kosten waarop de gemeente op grond van artikel 21 van het Brim aanspraak maakt, aan de stichting toegekend. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister in plaats daarvan een subsidie van 60% van de subsidiabele kosten aan de stichting had moeten toekennen.

2.4.3. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

362-680.