Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201005732/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle, thans: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas, (hierna: het college), voor zover hier van belang, een gedeelte van het perceel in de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle, kadastraal bekend gemeente Zevenhuizen, sectie F, nummer 368 en het perceel in de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle, kadastraal bekend gemeente Zevenhuizen, sectie F, nummer 403 (hierna: de percelen), voorlopig aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) van toepassing zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005732/1/H3.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 mei 2010 in zaken nrs. 10/2725 en 10/2724 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Zuidplas (voorheen: de raad van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle).

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle, thans: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas, (hierna: het college), voor zover hier van belang, een gedeelte van het perceel in de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle, kadastraal bekend gemeente Zevenhuizen, sectie F, nummer 368 en het perceel in de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle, kadastraal bekend gemeente Zevenhuizen, sectie F, nummer 403 (hierna: de percelen), voorlopig aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) van toepassing zijn.

Bij besluit van 15 september 2009 heeft de gemeenteraad de artikelen

10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg op de percelen van toepassing verklaard.

Bij besluit van 24 maart 2010 heeft de gemeenteraad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 mei 2010, verzonden op 19 mei 2010, heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2010, waar [appellant], bijgestaan door H. Schouten, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. W.H.F. Gerritsen, werkzaam bij De Lorijn

raadgevers-makelaars o.g. te Druten, en C. van Rooij, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2 van de Wvg kan de gemeenteraad gronden aanwijzen waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover hier van belang, komen voor aanwijzing in aanmerking gronden waaraan bij het bestemmingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, zoals dit artikellid luidde ten tijde van belang, vervalt een besluit tot aanwijzing indien een bestemmingsplan is vastgesteld van rechtswege tien jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

Ingevolge het op 16 juni 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Zuidplas-Noord" is aan de percelen, voor zover daarop een voorkeursrecht is gevestigd, een nader uit te werken bestemming "Woongebied- uit te werken 2" (WG-U2) toegekend. Binnen deze bestemming zijn woningen, maatschappelijke voorzieningen, sportvoorzieningen, toegangs- en ontsluitingswegen, watergangen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, voorzieningen van algemeen nut en parkeervoorzieningen mogelijk. Als er woningen worden gerealiseerd kan dat in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf door de hoofdbewoner tot maximaal zeventig vierkante meter.

Voor onder meer de bedoelde gronden is een nadere aanduiding "specifieke vorm van wonen-kwaliteitszone" opgenomen. Anders dan voor het achter de percelen liggende gebied geldt hiervoor dat ter plaatse slechts vrijstaande en halfvrijstaande woningen zijn toegestaan. In deze kwaliteitszone zijn geen geschakelde woningen, patiowoningen of appartementen voorzien.

De bebouwingsdichtheid zal wel worden aangepast aan het achterliggende gebied, waardoor op de percelen meer woningen kunnen worden gerealiseerd.

2.2. Niet in geding is dat aan de percelen een niet-agrarische bestemming toekomt. Ter beoordeling staat of het huidige gebruik van deze gronden afwijkt van het beoogde gebruik daarvan.

2.3. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de gemeenteraad afdoende heeft gemotiveerd dat het toekomstige gebruik intensiever is dan het huidige gebruik van de percelen. De beoogde functie verschilt niet wezenlijk van de huidige functie, maar doordat het mogelijk wordt meer woningen op de percelen te situeren is naar het oordeel van de voorzieningenrechter reeds sprake van een intensiever gebruik van de gronden. Daarbij komt dat momenteel nog niet duidelijk is of de percelen nodig zullen zijn voor de ontsluiting van de achter de percelen te realiseren woonwijk. Dat de percelen momenteel door [appellant] en zijn echtgenote voor meer doeleinden worden gebruikt die zowel in het huidige als het toekomstige bestemmingsplan mogelijk zijn, maakt volgens de voorzieningenrechter niet dat het gebruik van de gronden in de toekomst niet intensiever kan zijn. Verder heeft de voorzieningenrechter geen grond gezien voor het oordeel dat de gemeenteraad niet in redelijkheid het algemeen belang zwaarwegender heeft kunnen achten dan de belangen van [appellant].

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat niet is voldaan aan de voorwaarde, dat het huidige gebruik van de gronden afwijkt van het beoogde gebruik daarvan. De voorzieningenrechter heeft zijn uitspraak volgens [appellant] ten onrechte gebaseerd op één zinsnede uit de memorie van antwoord bij de Wvg (Kamerstukken II 1976/77, 13 713, nr. 9, blz. 6), namelijk "ook wanneer die bestemming voorziet in een vergelijkbaar maar beter of intensiever gebruik dan het bestaande, zal geredelijk van een afwijkend gebruik kunnen worden gesproken". [appellant] acht het onjuist dat deze zinsnede in de memorie van antwoord als rechtsregel wordt ingeroepen. Als de minister het destijds zo belangrijk vond, had hij het in die zinsnede geformuleerde criterium in een wettelijke bepaling moeten vastleggen. Bovendien heeft het voorkeursrecht inmiddels verstrekkender gevolgen dan in 1977. Hij wijst erop dat de Wvg op 1 juli 2008 met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is gewijzigd en dat het sindsdien mogelijk is om op basis van een vastgesteld bestemmingsplan tien jaar lang voorkeursrecht te leggen. De jurisprudentie, waarnaar in de procedure steeds is verwezen, is vóór 1 juli 2008 gevormd.

De voorzieningenrechter heeft de voormelde zinsnede uit de memorie van antwoord volgens [appellant] ook onjuist toegepast. Het huidige gebruik van de gronden valt volgens [appellant] exact binnen het beoogde gebruik van het bestemmingsplan en deze kunnen niet beter en intensiever worden gebruikt dan op dit moment het geval is. [appellant] acht het voorts onredelijk dat voor tien jaar voorkeursrecht is gelegd, terwijl de woningmarkt voor duurdere woningen thans ernstig is verstoord.

2.4.1. Op 1 juli 2008 zijn de Wro en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening en de in verband daarmede de gewijzigde Wvg in werking getreden. De procedure tot aanwijzing van gronden voor een voorkeursrecht is met ingang van deze datum vereenvoudigd. De inhoudelijke voorwaarden waaronder een voorkeursrecht kan worden gevestigd zijn evenwel niet gewijzigd. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat na de wijziging van de Wvg in verband met de aanpassing van de Wro, de voorheen in het licht van de wetsgeschiedenis, in het bijzonder de memorie van antwoord (Kamerstukken II 1976/77, 13 713, nr. 9, blz. 6), gevormde jurisprudentie niet kan worden voortgezet. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de wijziging van de Wvg sinds 1 juli 2008 wat betreft de duur van een op een bestemmingsplan gebaseerd voorkeursrecht geen verslechtering van de rechtspositie van grondeigenaren gebracht. Terwijl voorheen een dergelijk voorkeursrecht onbeperkt van kracht was voor zover de betrokken gronden in gebruik bleven in afwijking van het bestemmingsplan, bepaalt thans artikel 9, eerste lid, van de Wvg dat zo'n voorkeursrecht tien jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan van rechtswege vervalt.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder (onder meer in haar uitspraak van 18 april 2007 in zaak nr. 200607717/1) heeft overwogen blijkt dat bij de parlementaire behandeling van de Wvg tot uitdrukking is gebracht dat de voorkeursregeling niet zo beperkt behoeft te worden opgevat, dat deze alleen zou kunnen worden toegepast wanneer sprake is van een bestemming voor wezenlijk andere gebruiksvormen. Ook wanneer de nieuwe bestemming voorziet in een vergelijkbaar maar intensiever gebruik dan het bestaande, zal van een afwijkend gebruik kunnen worden gesproken.

In dit geval is de beoogde planologische functie van de gronden conform het nieuwe bestemmingsplan niet wezenlijk anders dan de huidige functie. In de zogenoemde kwaliteitszone wordt het echter mogelijk meer woningen op de percelen te situeren dan voorheen en kunnen anders dan voorheen onder meer toegangs- en ontsluitingswegen en inritten worden gerealiseerd. Met de voorzieningenrechter wordt daarom geoordeeld dat het aan de gronden toegekende gebruik intensiever is dan het huidige gebruik en dat dit aldus daarvan afwijkt. Dat [appellant] en zijn partner de percelen voor meer doeleinden gebruiken die ook binnen het beoogde gebruik van het bestemmingsplan mogelijk zijn, maakt niet dat het beoogde gebruik wegens een toenemende bebouwingsdichtheid en infrastructurele voorzieningen niet als intensiever gebruik van de percelen kan worden aangemerkt. Aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wvg genoemde aanwijzingsvoorwaarden is derhalve voldaan.

2.4.3. Het gaat bij de vestiging van een voorkeursrecht om een discretionaire bevoegdheid. Het al dan niet uitoefenen van die bevoegdheid indien aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing daarvan is voldaan, dient door de rechter terughoudend te worden getoetst. Met de voorzieningenrechter ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de gemeenteraad niet in redelijkheid het algemeen belang zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van [appellant]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het met het vestigen van een voorkeursrecht te dienen algemene belang reeds heeft afgewogen tegen het individuele financiële belang van de betrokken grondeigenaren, zodat het financiële belang niet meer afzonderlijk in de afweging behoeft te worden betrokken.

2.5. Voor zover [appellant] gronden heeft aangevoerd die zien op een eventueel toekomstig besluit van de gemeenteraad tot onteigening van de percelen worden deze buiten beschouwing gelaten, nu onteigening van de percelen in deze procedure niet ter beoordeling staat.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de voorzieningenrechter dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

312-597.