Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1304

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201005461/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een verzoek van [appellanten] om vergoeding van schade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005461/1/H2.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 mei 2010 in zaak nr. 09/42140 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de staatssecretaris van Justitie (thans: de minister voor Immigratie en Asiel).

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een verzoek van [appellanten] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft hij het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en hen € 1.860,00 aan schadevergoeding toegekend.

Bij uitspraak van 6 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister van Justitie opnieuw op het gemaakte bezwaar beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2011, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister voor Immigratie en Asiel tevens verstaan diens rechtsvoorgangers.

2.2. Ingevolge artikel 120 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan hoger beroep slechts worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank over een besluit dat is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van een beslissing op bezwaar gericht tegen een besluit bekendgemaakt voor inwerkingtreding van de wet.

2.3. Bij besluit van 31 augustus 2000 heeft de minister de aan [appellanten] toegekende status van vluchteling ingetrokken. Bij onderscheiden besluiten van 23 maart 2001 heeft de minister het daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 december 2002 heeft de rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, de daartegen door [appellanten] ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister opnieuw op het bezwaar beslist. Bij onderscheiden besluiten van 14 mei 2003 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 31 augustus 2000 herroepen en aan [appellanten] met ingang van 1 april 2001 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend.

2.4. Bij brief van 19 september 2005 hebben [appellanten] de minister verzocht om vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij door de besluiten van 31 augustus 2000 en 23 maart 2001 stellen te hebben geleden. De aangevallen uitspraak ziet op het door de minister op dit verzoek genomen besluit.

2.5. Omdat de besluiten van 31 augustus 2000 en 23 maart 2001 vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001 zijn bekendgemaakt, zou de Afdeling, ingevolge artikel 120 van deze wet, niet bevoegd zijn geweest om kennis te nemen van een hoger beroep tegen de uitspraak op het tegen de besluiten van 23 maart 2001 ingestelde beroep.

Zoals valt af te leiden uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 6 mei 1997 in zaak nr. H01.96.0578/Q01, AB 1997, 229), brengt dat mee dat evenmin hoger beroep bij de Afdeling openstaat tegen de uitspraak met betrekking tot het verzoek om de schade te vergoeden die uit de eerdere besluiten zou zijn voortgevloeid.

Dat de rechtbank onder de uitspraak van 6 mei 2010 heeft vermeld dat daartegen hoger beroep bij de Afdeling openstaat, maakt dat niet anders.

2.6. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

452.