Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1303

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201004811/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2008 heeft de raad een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004811/1/H2.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 april 2010 in zaak nr. 09/925 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2008 heeft de raad een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2009 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2010, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door J. van Boekel, advocaat te Tilburg en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:

1˚. voortzetting van het beroep of bedrijf voor zover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, of

2º. het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij de procedure is betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed.

2.2. In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is het volgende vermeld: "Rechtsbijstand wordt verstrekt aan degenen die geacht worden zelf de kosten daarvan niet of niet volledig te kunnen dragen. […] Het kan naar ons oordeel niet zo zijn dat de rechtsbijstandskosten die voortvloeien uit de bedrijfsvoering van de rechtzoekende worden afgewenteld op de overheid. Deelname aan het economisch leven brengt nu eenmaal risico's met zich. De ondernemer, of deze zelfstandige is of niet, kan voor dit soort risico's reserveren of zich verzekeren. […]" (Kamerstukken II 1992/1993, 22 609, nr. 6, blz. 12).

2.3. [appellant] is eigenaar van de [eenmanszaak], gevestigd te [plaats] (hierna: het bedrijf). [appellant] heeft een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand inzake een geschil dat verzekeringsmaatschappij Aegon Schadeverzekering N.V. (hierna: de verzekeringsmaatschappij) aanhangig heeft gemaakt bij de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven teneinde vergoeding van [appellant] te vorderen van schade die naar gesteld door het bedrijf is toegebracht aan een woning in Tilburg, ter hoogte van € 12.063,03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim en een bijdrage in de kosten van rechtskundige bijstand. [appellant] heeft in dat geschil een tegenvordering ingediend ter hoogte van € 19.250,00.

Bij besluit van 17 oktober 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 10 februari 2009, heeft de raad deze aanvraag afgewezen, omdat het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft en geen aanleiding bestaat om op grond van het bepaalde in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, sub 1º, van de Wrb een uitzondering te maken.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat voorzetting van het bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de gevraagde rechtsbijstand, nu de vordering van de verzekeringsmaatschappij € 12.063,03 bedraagt, terwijl het behaalde resultaat van het bedrijf over 2007 € 32.747,00 bedraagt bij een netto-omzet van € 1.299.910,00. Het risico dat met het geschil is gemoeid dient tot het normale ondernemers- of bedrijfsrisico te worden gerekend, aldus de rechtbank.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het rechtsbelang € 35.987,72 in plaats van € 12.063,03 bedraagt, hetgeen hoger is dan de behaalde winst over 2007. Mede gelet op de slechtere resultaten in 2008 kan dit risico niet tot het normale ondernemersrisico worden gerekend, aldus [appellant].

2.5.1. Hoewel [appellant] zich terecht op het standpunt stelt dat het rechtsbelang in deze procedure € 35.987,72 in plaats van € 12.063,03 bedraagt, geldt dat ook bij een rechtsbelang van € 35.987,72, gelet op de omzet van het bedrijf over 2007 van € 1.299.910,00, de raad zich, zoals het bij het besluit op bezwaar ook heeft gedaan, op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat voortzetting van het bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand.

Dat het risico dat [appellant] liep met de procedure waarvoor de toevoeging is aangevraagd aanzienlijk was omdat het rechtsbelang hoger is dan de behaalde winst over 2007 en dat het bedrijf slechtere resultaten heeft behaald in 2008, maakt het voorgaande niet anders. De kosten die zijn gemoeid met deze procedure dienen te worden gerekend tot de risico's verbonden aan deelname aan het economisch verkeer waarmee een ondernemer in het kader van een verantwoorde bedrijfsvoering rekening dient te houden. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

47-680.