Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1297

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201005325/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [appellante] om vrijstelling van het bestemmingsplan voor het veranderen van de bestemming van het gebouw aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel) in hotel, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/2898
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005325/1/H1.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2010 in zaak nr. 09/797 in het geding tussen:

[appellante]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [appellante] om vrijstelling van het bestemmingsplan voor het veranderen van de bestemming van het gebouw aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel) in hotel, afgewezen.

Bij besluit van 22 januari 2009 heeft het dagelijks bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het besluit van 26 juni 2008 gewijzigd in die zin dat vrijstelling wordt geweigerd ten behoeve van de vestiging van een hotel in het gebouw [locatie] en het besluit voor het overige onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 22 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 juni 2010.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Riessen, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. H.D. Hosper, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek om vrijstelling voorziet in het oprichten van een art-hotel met drie kamers.

2.2. Vast staat dat de vestiging van een hotel in strijd is met het bestemmingsplan "Spuistraat e.o.". Het dagelijks bestuur heeft geweigerd vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.3. Voor de toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid voert het dagelijks bestuur een beleid dat is neergelegd in het "Hotelbeleid Stadsdeel Amsterdam-Centrum 2004-2007" (hierna: het Hotelbeleid,) vastgesteld door de stadsdeelraad Amsterdam Centrum op 25 maart 2004.

Volgens het Hotelbeleid bestaat de komende jaren sterke voorkeur voor hotelontwikkeling in het oostelijke deel van de binnenstad. Dit betekent echter niet dat hotelontwikkeling elders in de binnenstad ongewenst is, aldus het Hotelbeleid. Ook in gebieden met een ruim kameraanbod kunnen immers situaties bestaan waar hotelontwikkeling een kwaliteitsimpuls betekent. Bij een kwaliteitsimpuls kan volgens het Hotelbeleid enerzijds worden gedacht aan locaties waar nieuwe vestiging of hoteluitbreiding bijdraagt aan een betere uitstraling van die locatie doordat wordt geïnvesteerd in slechte panden, de openbare ruimte wordt verbeterd of doordat de sociale veiligheid wordt verhoogd. Anderzijds kan bij een kwaliteitsimpuls worden gedacht aan een opwaardering van bestaande hotels.

2.3.1. Het dagelijks bestuur is niet bereid vrijstelling te verlenen, nu het perceel niet in het oostelijk deel van de binnenstad is gelegen en het initiatief voor het oprichten van een art-hotel verder niet leidt tot een kwaliteitsimpuls als bedoeld in het Hotelbeleid. Het levert geen verbetering van het woon- en leefmilieu ter plaatse op. Bovendien stelt het dagelijks bestuur dat het initiatief niet onderscheidend is ten opzichte van het bestaande aanbod van hotels.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 22 januari 2009 onzorgvuldig is voorbereid, nu het dagelijks bestuur geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de lobby tevens als galerie zal worden gebruikt. Voorts betoogt zij dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Nu het vestigen van een art-hotel met een lobby annex galerie een kwaliteitsimpuls zal betekenen voor de omgeving, voldoet het hotelplan aan het beleid zoals dat is omschreven in het Hotelbeleid, aldus [appellante]. Daartoe voert zij aan dat het hotel onderscheidend zal zijn ten opzichte van het bestaande aanbod aan hotels. Bovendien worden volgens haar, door de vestiging van een art-hotel op het perceel, het leefklimaat en de sociale veiligheid in de omgeving verhoogd.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur de mededeling van [appellante] dat de lobby tevens als galerie dienst zal doen, niet meer of anders in zijn besluit behoefde te betrekken dan het heeft gedaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de aanvraag om vrijstelling noch in de nadere onderbouwing van het hotelplan van 22 september 2008 is vermeld dat de lobby tevens als galerie zal worden gebruikt. In de pleitnota van [appellante] ten behoeve van de hoorzitting voor de bezwaarschriftencommissie van het stadsdeel Centrum op 9 september 2008 is voorts enkel gesteld "verder zal een galerieachtige lobby ook een positieve uitstraling hebben naar de omgeving". In de brief van 4 december 2008, waarin [appellante] een reactie geeft op de brief van het dagelijks bestuur van 17 november 2008 inzake haar hotelplan, stelt zij voor het eerst dat de lobby tevens zal worden gebruikt voor een galerie, maar dat wordt verder niet uitgewerkt. Dat het dagelijks bestuur [appellante] heeft gevraagd de toelichting op haar hotelplan kort te houden, zoals zij betoogt, blijkt niet uit de overgelegde stukken. Bovendien, als dat het geval is, maakt dit niet dat [appellante] in ieder geval in de nadere onderbouwing van het hotelplan dit punt niet nader heeft kunnen uitwerken.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het dagelijks bestuur in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te weigeren voor de vestiging van het art-hotel. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de voorgenomen vestiging van het art-hotel niet in overeenstemming is met het - door [appellante] niet betwiste - Hotelbeleid. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het dagelijks bestuur het standpunt heeft kunnen innemen dat het art-hotel niet onderscheidend is ten opzichte van het bestaande aanbod van hotels. In tegenstelling tot hetgeen [appellante] betoogt, heeft de rechtbank eveneens terecht overwogen dat het dagelijks bestuur het standpunt kon innemen dat een hotel met drie kamers geen zodanige publieksaantrekkende werking heeft dat het leefklimaat en de sociale veiligheid in de omgeving daardoor wordt verhoogd.

Het betoog faalt.

2.5. Tot slot stelt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zij voert daartoe aan dat het dagelijks bestuur het NH Grand Hotel Krasnapolsky wel toestaat om een aantal distributiewoningen als hotelkamers te gebruiken, hetgeen in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

2.5.1. Het betoog faalt. Daargelaten dat het bij NH Grand Hotel Krasnapolsky gaat om een uitbreiding van een bestaand, groot hotel, heeft het dagelijks bestuur voor het gebruik van de distributiewoningen als hotel geen vrijstelling verleend.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

414-669.