Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1296

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201006324/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze aan Search Holding B.V. een oprichtingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor een ingenieursbureau, materiaalkundig laboratorium en opleidingsinstituut met twee windturbines aan de Meerstraat 2 en 7 te Heeswijk-Dinther. Dit besluit is op 21 mei 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006324/1/M2.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]);

2. [appellant sub 2], wonend [woonplaats], en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]);

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], beiden wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]) en

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Search Holding B.V., gevestigd te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernheze,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze aan Search Holding B.V. een oprichtingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor een ingenieursbureau, materiaalkundig laboratorium en opleidingsinstituut met twee windturbines aan de Meerstraat 2 en 7 te Heeswijk-Dinther. Dit besluit is op 21 mei 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2010, [appellant sub 3], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2010, [appellant sub 4], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 201, en Search Holding B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2010 beroep ingesteld.

De gronden van [appellant sub 1] zijn aangevuld bij brief van 28 juli 2010. De gronden van [appellant sub 3] zijn aangevuld bij brief van 4 augustus 2010. De gronden van Search Holding B.V. zijn aangevuld bij brief van 26 juli 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2011, waar [appellant sub 1A], vertegenwoordigd door mr. drs. I.F.M. Kwint, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. Y. de Graaf, en [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. H.U. van der Zee, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen onder meer dat door de vergunningverlening strijd ontstaat met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de vergunning daarom op grond van artikel 8.10, derde lid van de Wet milieubeheer had moeten worden geweigerd.

2.3. Search Holding B.V. kan zich niet verenigen met voorschrift 3.1.5 van de vergunning, waarin is bepaald dat de windturbines en luchtbehandelinginstallaties tijdens zon- en algemeen erkende feestdagen niet in werking mogen zijn.

2.4. Bij brief van 5 januari 2011 heeft het college meegedeeld dat het tot de slotsom is gekomen dat de vergunning, mede gelet op artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, had moeten worden geweigerd.

De Afdeling leidt hieruit af dat het bestreden besluit in strijd is met het algemeen rechtsbeginsel dat eist dat besluiten met zorgvuldigheid worden genomen.

2.5. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van Search Holding B.V., nu dit niet is gericht op vernietiging van de vergunning maar op verruiming van de vergunning, ongegrond is.

2.6. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Daarbij overweegt de Afdeling ten aanzien van het verzoek van [appellant sub 1A] om vergoeding van de kosten van een deskundigenrapport het volgende.

Het rapport, van de kosten waarvan vergoeding wordt gevraagd, betreft een advies van milieuadviesbureau "het Groene Schild" van 27 juli 2010 over het instellen van beroep en de inhoud van de beroepsgronden. Gelet op de inhoud van dit advies kan dit niet worden aangemerkt als een door een deskundige uitgebracht verslag, als bedoeld in artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarvan de kosten ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, maar als rechtsbijstandsverlening in de zin van artikel 1, onder a, van dat besluit. De kosten moeten daarom worden geacht te zijn begrepen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, die ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van dat besluit forfaitair worden bepaald. De kosten komen derhalve niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking.

2.7. Ten aanzien van Search Holding B.V. bestaat geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en van [appellant sub 2] en anderen en van [appellant sub 3] en van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernheze van 6 april 2010;

III. verklaart het beroep van Search Holding B.V. ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bernheze tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bernheze tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bernheze tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bernheze tot vergoeding van bij [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bernheze aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bernheze aan [appellant sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bernheze aan [appellant sub 3] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt:

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bernheze aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

190.