Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP1295

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
201004688/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2009 heeft het college goedkeuring verleend aan het door het algemeen bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's (hierna: het waterschap) bij besluit van 24 juni 2009 vastgestelde inrichtingsplan voor de Benedenloop van de Westerwoldse Aa, Kuurbos, Hamdijk en Bovenlanden, voor zover dit plan betrekking heeft op de vastgestelde waterbergingsmaatregelen in het plan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/39 met annotatie van A. van Hall
M en R 2011/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004688/1/H2.

Datum uitspraak: 19 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 maart 2010 in de zaken nrs. 09/1146 en 1175 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2009 heeft het college goedkeuring verleend aan het door het algemeen bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's (hierna: het waterschap) bij besluit van 24 juni 2009 vastgestelde inrichtingsplan voor de Benedenloop van de Westerwoldse Aa, Kuurbos, Hamdijk en Bovenlanden, voor zover dit plan betrekking heeft op de vastgestelde waterbergingsmaatregelen in het plan.

Bij uitspraak van 29 maart 2010, verzonden op 31 maart 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep, voor zover dit is ingesteld door twaalf nader genoemde personen, niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep van de overige personen ongegrond. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 juni 2010.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2010, waar [appellant], in persoon, het college, vertegenwoordigd door H.G. Schuurman, werkzaam bij de provincie Groningen, en het waterschap, vertegenwoordigd door zijn medewerker W. Kastelein, beide bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 148 van de Waterschapswet, zoals deze gold ten tijde van belang, zijn, buiten de bij de wet aangewezen besluiten, voor zover zulks bij reglement is bepaald, aan de goedkeuring van gedeputeerde staten slechts onderworpen de besluiten van het waterschapsbestuur die betrekking hebben op de regeling van de waterbeheersing en de beslissingen van dat bestuur tot de aanleg en verbetering van waterstaatswerken door het waterschap.

Ingevolge artikel 149 kan de goedkeuring slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Ingevolge artikel 151, eerste lid, kan in afwijking van artikel 8:2, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) beroep worden ingesteld tegen een besluit van gedeputeerde staten inzake goedkeuring.

Ingevolge artikel 39, aanhef en onder b, van het reglement voor het waterschap Hunze en Aa's zijn aan de goedkeuring van gedeputeerde staten van Groningen onderworpen besluiten tot het uitvoeren van nieuwe of het verbeteren van bestaande waterstaatswerken in de provincie Groningen, waarvan in betekenende mate een wijziging van de bestaande waterstaatkundige situatie is te verwachten.

2.2. De door het waterschap bij besluit van 24 juni 2009 vastgestelde waterbergingsmaatregelen zijn bedoeld om de betreffende gebieden, door de aanleg van kades en in- en uitlaten, geschikt te maken voor de tijdelijke berging van overtollig boezemwater in perioden met wateroverlast. Het waterschap heeft, voor zover thans van belang, vastgesteld waar kaden worden aangelegd, hoe hoog die kades zijn en welke in- en uitlaatwerken gerealiseerd zullen worden.

2.2.1. Het college heeft aan het goedkeuringsbesluit van 31 augustus 2009 ten grondslag gelegd dat de vastgestelde waterbergingsmaatregelen, voor zover thans van belang, niet in strijd zijn met het recht of het algemeen belang.

2.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat slechts twaalf door haar nader genoemde personen belanghebbenden zijn, in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, omdat slechts zij zicht hebben op het betreffende gebied dan wel aangrenzend gronden in bezit of gebruik hebben. Anders dan [appellant] en anderen hebben gesteld, heeft de rechtbank het beroep van de overige personen terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.

2.4. [appellant] en anderen hebben geen belang bij hun klacht dat de rechtbank het rapport "Een bewaard landschap" van drs. W.J.G.M. Meulenkamp, zoals laatstelijk gewijzigd op 27 maart 2008, ten onrechte wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft gelaten, aangezien dit stuk in hoger beroep opnieuw is ingediend en alsnog in de beoordeling van het geschil kan worden betrokken.

2.5. [appellant] en anderen voeren aan dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het vastgestelde inrichtingsplan in strijd is met uitgangspunten voor rijksbeleid, zoals neergelegd in de Belvedere nota, en het provinciaal beleid, zoals neergelegd in het Provinciaal Omgevingsplan 2009-2013. Volgens dit beleid zou, zo stellen [appellant] en anderen, moeten worden aangesloten bij het eigen karakter en de landschappelijke en cultuurhistorische elementen van een gebied. Het creëren van omgevingsvreemde quasi-natuur past volgens hen niet in deze uitgangspunten, omdat het inrichtingsplan strijd oplevert met het belang van de instandhouding van het eeuwenoude cultuurhistorische landschappelijke Hamdijk ensemble. Zij wijzen in dit verband op het rapport "Een bewaard Landschap" van drs. W.G.J. M. Meulenkamp, laatstelijk gewijzigd op 27 maart 2008. De rechtbank heeft verder volgens hen miskend dat verschillende door hen aangedragen alternatieve voorstellen ten onrechte niet in het inrichtingsplan zijn opgenomen.

Voorts stellen zij dat de rechtbank het verschil tussen natuuraanleg en landschap niet kent en ten onrechte heeft nagelaten om advies van een landschapsdeskundige in te winnen.

2.5.1. [appellant] en anderen hebben met hun betoog niet onderkend dat bij de rechtbank niet het gehele inrichtingsplan ter toetsing voor lag, maar slechts het goedkeuringsbesluit van het college van de door het waterschap in dit plan vastgestelde waterbergingsmaatregelen. In artikel 149 van de Waterschapswet is het college de bevoegdheid toegekend om goedkeuring te onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Het college heeft in het goedkeuringsbesluit gemotiveerd aangegeven dat de vastgestelde waterbergingsmaatregelen in het algemeen belang zijn teneinde te hoge boezemwaterstanden te voorkomen en de achterliggende gebieden te beschermen tegen overstroming vanuit de boezem. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de afweging van nut en noodzaak van de waterbergingsmaatregelen reeds op provinciaal niveau is onderzocht en afgewogen en heeft in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd daarom terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten goedkeuring aan de vastgestelde waterbergingsmaatregelen te verlenen. De rechtbank heeft geen aanleiding hoeven zien om advies van een deskundige in te winnen.

Anders dan [appellant] en anderen nog hebben aangevoerd, vereisen de wet noch algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat het waterschap eerst waterbergingsmaatregelen mag vaststellen nadat de bestemmingsplanprocedures geheel zijn afgerond.

Het betoog faalt.

2.6. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd met betrekking tot de totstandkoming van diverse stukken, onder meer de nota Doorbraak Waterberging, milieu-effectrapporten, de partiële herziening planuitwerking Provinciaal Omgevingsplan en het Provinciaal Omgevingsplan 2009-2013, en met betrekking tot procedures in het kader van de Wet Openbaarheid van Bestuur en de wijze waarop de interne besluitvorming door het waterschapsbestuur heeft plaatsgevonden, heeft geen betrekking op het besluit van het college van 31 augustus 2009 tot goedkeuring van de door het waterschap vastgestelde waterbergingsmaatregelen en kan in de onderhavige procedure dan ook niet aan de orde komen.

2.7. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat het inrichtingsplan ten onrechte geen adequate schadevergoedingsregeling bevat.

2.7.1. Aan de uitvoering van het inrichtingsplan heeft het waterschap als voorwaarde gesteld, dat er geen significant nadelige grondwatereffecten mogen optreden voor de rond de (nood)bergingsgebieden gelegen percelen. Indien na de inrichting toch significant nadelige effecten in de grondwatersituatie mochten optreden, dan zal het waterschap maatregelen nemen om deze op te heffen. Als er desondanks toch schade mocht ontstaan door verandering in optredende grondwaterniveaus in omliggende percelen, is daarop de "Nadeelcompensatieverordening Hunze en Aa's 2004" van toepassing.

Bij schade als gevolg van inundatie van de (nood)bergingsgebieden kunnen gedupeerden een beroep doen op de "Regeling schadevergoeding waterbergingsgebieden Hunze en Aa's 2004" van het waterschap.

Gelet op het vorenstaande, en nu niet vereist is dat een inrichtingsplan bepalingen inzake schadevergoeding bevat, faalt het betoog.

2.8. [appellant] en anderen klagen dat de rechtbank hun pleitnotitie ten onrechte niet aan het proces-verbaal van de zitting heeft gehecht.

2.8.1. Ingevolge artikel 8:61 van de Awb, voor zover thans van belang, maakt de griffier een proces-verbaal op van de zitting indien hoger beroep wordt ingesteld en kunnen aan het proces-verbaal overgelegde pleitnotities worden aangehecht. Hoewel de pleitnotitie van [appellant] en anderen niet aan het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank is gehecht, zijn zij hierdoor niet in hun belangen geschaad. Aan de hand van de in hoger beroep overgelegde pleitnota kan worden vastgesteld dat de rechtbank zich in de aangevallen uitspraak voldoende rekenschap heeft gegeven van hetgeen [appellant] en anderen ter zitting bij de rechtbank naar voren hebben gebracht, in aanmerking genomen het beperkte toetsingskader zoals neergelegd in artikel 149 van de Waterschapswet.

Het betoog faalt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Larsson-van Reijsen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011

344.